Bekijk het origineel

Eenvoud van Möttlingen spreekt voor oud-diacones uit Harmeien boekdelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eenvoud van Möttlingen spreekt voor oud-diacones uit Harmeien boekdelen

„De tijd van volle bussen en grote conferenties is voorgoed voorbij"

4 minuten leestijd

HARMELEN - De tijd dat Nederlanders met bussen vol naar Möttlingen trokken, is volgens oud-diacones mevrouw F. Dolman-Van Esch uit Harmelen voorgoed voorbij'. Bijeenkomsten met broeders uit Duitsland, zoals die destijds in Hattem, Hoenderloo en Lunteren werden georganiseerd, zijn niet meer dan vage geschiedenis. De diacones vindt dat een verarming. Drie plakboeken, een stapeltje brochures en „een schat aan herinneringen" bewijzen dat het Duitse herstellingsoord voor haar in ieder geval nog leeft.

De geschiedenis van Möttlingen, een klein boerendorp in Württemberg, begon voor mevrouw Dolman in 1848. In dat jaar deed de toen 43-jarige ds. Johann Cristoph Blumhardt er zijn intrede. De predikant kreeg te maken met een ingezonken en slapende gemeente. Onder hen was ook een zekere Gottliebin Dittus, een jonge vrouw die letterlijk „van de duivel was bezeten".

Blumhardt constateerde dat Gottliebin vaak bewusteloos was en door krampen werd geplaagd. Hij voelde zich tegenover haar ziekte machteloos, maar gedachtig aan het woord van een collega („Denk aan je taak als zielszorger"), begon hij desondanks met haar te bidden. Twee jaar later werd deze strijd beslecht met Gottliebins genezing. Daarbij sprak zij de woorden „Jezus is overwinnaar".

Bad Boll

De genezing, die snel ruchtbaar naar Blumhardt kwamen om aan hem hun zonden te belijden. Meermalen zou dit hebben geresulteerd in „blijde en bevrijde mensen". De predikant legde patiënten bij dergelijke ontmoetingen gewoonlijk de handen op. Toen de toeloop naar de pastorie te groot werd, begon Blumhardt in Bad Boll, een leegstaand Kurhaus tussen Stuttgart en Ulm, een eigen tehuis. Gottliebin, zijn eerste patiënt, werd zijn medewerkster. Daarmee was het eerste pastorale centrum een feit.

Na de dood van Blumhardts zoon Christoph (die de identiteit van het centrum omboog in de richting van het christen-socialisme) kwam Bad Boll in handen van de Herrnhutter Broedergemeente. Onafhankelijk hiervan begon een voormalige alcoholist. Wilhelm Friedrich Stanger geheten, in Möttlingen met de opbouw van een alternatieve Reddingsark. Hier zette hij de door Blumhardt ingezette traditie voort.

Stanger (1855-1934) bouwde zijn Reddingsark uit tot een groot centrum. De kapel biedt plaats aan 1200 mensen. Op weekdagen waren er 400 gasten, op zondagen meer dan 1000. Nog tijdens zijn leven begon het centrum tevens belangstelling te trekken vanuit het buitenland. Op allerlei plaatsen in Nederland ontstonden toen Möttlinger bijeenkomsten, na de Tweede Wereldoorlog uitmondend in de oprichting van het pastorale centrum De Hezenberg in Hattem.

Busreizen

Mevrouw Dolman is een van degenen die aan de wieg van deze Möttlingerbijeenkomsten heeft gestaan. Zij kwam met de beweging in contact via de Rotterdamse predikant ds. P. Lugtigheid. Evenals twee andere voorgangers van het eerste uur, ds. Sillevis Smitt uit 's Gravenhage en ds. Plug van Texel, was deze door de „steenrijke" zakenman Anton Begeer op het bestaan van Möttlingen gewezen.

Begeer, die in de familie Dolman geen onbekende bleef, reed na zijn 'bekering' verschillende Möttlinger broeders door Duitsland en Nederland. Ook introduceerde hij de eerste busreizen vanuit Nederland naar „Vater Stangers Rettungsarche". De laatste reizen vonden plaats in de jaren zeventig. De man van weduwe Dolman trad daarbij op als gids en vertaler.

Lekebroeders

Een gesprek met de diacones leert dat slechts een klein aantal predikanten deel uitmaakt van de beweging. Meestal gaat het om „lekebroeders", die „soms" een bijbelschool hebben gevolgd. Zij verblijven voor periodes van een of meer weken intern in de Reddingsark en houden dan consult voor het publiek.

De regelmatige bezoeken die de diacones aan Möttlingen bracht, noemt zij „verrijkend". Ze werd er, naar eigen zeggen, geschoold in het verstaan van de Bijbel. Ook zou de leiding van de Reddingsark haar „een voorbeeld van onbaatzuchtige naastenliefde" hebben gegeven.

Gebedsgenezing

Stangers devies („Kleiner worden, de zonde verwijderen, de toorn inhouden en niet roddelen") is in de Reddingsark nog steeds praktijk, zo is haar uit berichten van recente Möttlingengangers duidelijk geworden. Centraal staat verder Blumhardts leus "Jezus is overwinnaar". Verder wint het appel op de menselijke verantwoordelijkheid het van het gereformeerde zicht op verbond en verkiezing.

Gebedsgenezing blijkt er ook nu nog „onlosmakelijk" te zijn gekoppeld aan persoonlijke schuldbelijdenis. Daarbij gaat het, aldus mevrouw Dolman, niet zozeer om lichamelijke genezing („al komt dat wel voor") maar om de genezing van zielsziekten. Wel zouden de Möttlinger voorgangers erop letten of iemand „gebonden" is maar er is, zo benadrukt de diacones, „geen sprake van exorcisme".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 februari 1991

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Eenvoud van Möttlingen spreekt voor oud-diacones uit Harmeien boekdelen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 13 februari 1991

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken