Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Maar er is ook een christelijk chiliasme

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Maar er is ook een christelijk chiliasme

„Ging het bij de gedachte aan een duizendjarig rijk wel altijd om een rijk van Christus en van God?"

12 minuten leestijd

Het jaar 2000 nadert en daarmee het besef bij velen dat de tijd niet altijd voortduurt. Of ook de gedachte dat wij voor een geweldige overgang staan van het ene tijdperk in het andere. Rond 1000 hebben de mensen niet alleen gedacht aan een nabij wereldeinde, maar ook aan een duizendjarig rijk dat zou aanbreken.

Dat duizendjarig rijk is zonder uitzondering uitgelegd als een soort heilsperiode, zij het dat de mensen dat heil verschillend invulden. Sommigen spiritualiseerden het: nu brak het tijdperk van de Geest aan, waar de materie niet in zou delen. Anderen verwachtten het einde van alle epidemieën en rampen die de toen bekende wereld regelmatig teisterden. Vanwege de veelheid van gedachten, die dienden om het duizendjarig rijk gestalte te geven, is het moeilijk om te herleiden of het wel altijd om een rijk van Christus en van God ging. En dit probleem bestaat in onze tijd nog evenzo als vroeger.

Waaraan kunnen we weten dat we met ideeën te maken hebben die een rijk van Christus bedoelen? Het is menselijk om aan het einde van de geschiedenis iets te verwachten dat we aanduiden met: Eind goed, al goed. Wanneer dit goede einde met Christus' Naam wordt opgesierd, dan betekent dit nog niet dat we met een christelijke toekomstverwachting te maken hebben. De heerschappij van Christus kan er achteraf opgeplakt zijn. Dan gaat het om onze ideeën, waarbij Christus' Naam als dekmantel moet dienen.

Christelijk chiliasme

Maar er is ook een christelijk chiliasme, dat uit Bijbelse beelden is voortgesproten. Ik denk aan Wilhelmus à Brakels Redelijke Godsdienst deel IV. In dat geval is er in het ontwerp van een duizendjarig rijk duidelijk ruimte voor Gods heil en een duidelijke scheiding tussen wie door het geloof wel en niet in dat heil delen. In de meeste ontwerpen waarin het gaat om Christus en om de vervulling van Gods beloften, ontbreekt ook Israël niet. De aanneming van Israël is de schakel tussen het Woord en de aardse werkelijkheid, waarin wij leven. Slechts in Israël hebben wij te maken met theocratie. Slechts in Israël is de toekomstverwachting (de hoop) levensecht, zonder tot secularisatie te vervallen. Die twee hebben met elkaar te maken.

Een volgend kenmerk van christelijk chiliasme is dat het niet haaks staat op de maatschappelijke ordeningen van dit leven, maar dat het evenmin om een sociaal of politiek vrederijk gaat. Bij À Brakel vinden we de vraag, of dat duizendjarig rijk zulk een gezegende tijd zal zijn, dat de aarde vanzelf overvloedig alles zal voortbrengen en een ieder met rijkdom vervuld zijn. Daarop antwoordt À Brakel: „Aan zulk een Turkse hemel zouden de luie en lekkere mensen wel behagen hebben. De Heere zal het aardrijk zegenen en vruchtbaar maken, maar die ordinantie Gods zal blijven: In het zweet uws aangezichts zult gij uw brood eten, en de armen Zullen onder u niet ophouden; rijken en armen zullen elkander ontmoeten".

Geen hemel op aarde

Wat bedoelt À Brakel hiermee? Eenvoudig dit, dat een duizendjarig vrederijk op aarde, waarin hij sterk geloofde, toch niet een hemel op aarde zal zijn en nog minder de aarde tot hemel zal maken, zodat de verwachting van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde wegvalt. De voorlopigheid van deze bedeling blijft bestaan, ook in het duizendjarig vrederijk. „Die zich grote en aardse en lichamelijke heerlijkheid en heerschappij inbeelden, zouden zich bedrogen vinden, als zij die tijd beleefden. Maar die met een geestelijk hart en oog beschouwt de bekering der joden, de grote toevloed der heidenen en de uitgebreidheid van Jezus' koninkrijk op aarde, de overvloedige uitstorting van de Heilige Geest, de grote mate van kennis, liefde, vrede, heiligheid, de vrijheid der kerk, staande in haar eigen kerkbestuur, zonder indrang en kwelling van buiten, de goedaardige en rechtvaardige regering der overheden, en de lichamelijke zegeningen, en Gods klaarblijkelijke tegenwoordigheid in Zijn kerk, haar zegenende en verblijdende —die dit, zeg ik, met een geestelijk hart en oog inziet, die zal de heerlijkheid van die tijd zien en met al zijn hart daarnaar verlangen. Wanneer komt die tijd!" aldus A Brakel.

De gerichtheid op kerk, heil en verbond bewaart het christelijk chiliasme voor uitwassen en behoudt het in een historische bedding, tegelijk de enige waarborg voor Israëls hoop en toekomst.

Niet-christelijk chiliasme

In zijn boek over het Amerikaanse piëtisme van Cotton Mather, met als ondertitel: Oorsprongen van het Amerikaanse evangelicalisme, verdedigt Richard Lovelace de Amerikaanse piëtist uit de zeventiende en achttiende eeuw Mather, tegen de verdenking dat Mather vooral in het tweede deel van zijn leven van de orthodoxie is afgeweken. Bij dit alles is ook sprake van Mathers chiliastische beschouwingen.

Hij blijkt een premillennialist te zijn, dus iemand die gelooft dat aan een duizendjarig rijk de persoonlijke (eerste) komst van Christus voorafgaat. Niet alleen de val van het pausdom en de bekering van Israël, maar ook een soort nieuwe aarde behoort tot de gedachten die Mather daarbij koesterde.

Opvallend is, hoe vaak de aanduiding "Amerika" of "Amerikaans" in de titels van werken van Mather voorkomt, bij voorbeeld Magnalia Christi Americana (de grote daden van Christus in Amerika) en zijn ongepubliceerde bijbelcommentaar, getiteld Biblia Americana (Amerikaanse Bijbel?). Opvallend is ook dat Mather juist door zijn invulling van het chiliasme zich verwijderd heeft van het puritanisme van Jonathan Edwards en anderen, dat een post-millennialistische inslag heeft, dat wil zeggen de (ene) komst van Christus volgt op een heerlijk herstel van Christus' kerk.

Even opmerkelijk is dat Cotton Mather onder de druk van persoonlijke tegenslagen op het einde van zijn leven de bekering van Israël als integrerend bestanddeel van zijn chiliastische verwachtingen heeft opgegeven. Ik schreef boven dit stukje over Cotton Mather: niet-christelijk chiliasme, omdat ik vermoed dat de theologie van Mather en anderen, hoe goed bedoeld ook en hoezeer innerlijk verweven met de Grote Opwekkingen, die na hem komen, toch de basis heeft gelegd voor de secularisatie van christelijke chiliastische opvattingen.

Karl Marx

Na de Tweede Wereldoorlog, wanneer we —om Sartre te citeren— de schepen van het verleden achter ons verbrand hebben en slechts met het naakte bestaan verder moeten, komen marxisme en neo-marxisme als niet slechts politieke machten, doch ook ideologische en wijsgerige stromingen tot ontwikkeling. Weitling, de voorloper van Marx, ziet een nieuwe Messias met een zwaard komen om de leer van de eerste Messias te verwerkelijken. Hij zal aan de spits van het revolutionaire (rode) leger de oude maatschappelijke orde vernietigen, de stromen van tranen doen vergeten en de aarde in een paradijs veranderen.

Frederik Polak heeft in zijn tweebandige werk "De toekomst is verleden tijd", Marx en de zijnen het recht op wetenschappelijk werk weliswaar ontzegd, maar dit neemt niet weg dat naast en na het utopistisch socialisme het marxisme voedsel verleende aan geesten die door twee wereldoorlogen steriel en in geloof uitzichtloos geworden waren. Een maatschappelijk betrokken wetenschapsbeoefening met een geloof en hoop die niet hoger reiken dan de mens en niet verder dan de toekomst van deze aarde —dat is het wat het marxisme aan het Europa van 1945 en daarna bood. Polak omschrijft de marxistische invloed als „de omzetting van eschatologie tot utopie".

Marx' geschiedvisie is dus een utopie, „omdat de wetenschappelijke werkwijze van Marx volkomen identiek is met die van het utopistisch socialisme". Marx stelt als einddoel een nieuwe orde, waaraan zelfs de terugkeer naar de natuurlijke oerstaat niet ontbreekt! De accumulatie in de economie speelt ongeveer dezelfde rol als de zondeval in de theologie. Wanneer door de zonde der accumulatie ten slotte het wereldbestel uit elkaar springt, zal de wereld van haar zondige (ont)eigenaars ontdaan worden en de verloren paradijsstaat hersteld worden door arbeiders, die gemeenschappelijk de aarde zullen bezitten en beheren. In deze utopie zijn alle belangrijke elementen uit het verleden terug te vinden en deze utopie heeft aan het marxisme zijn wereldhistorische betekenis bezorgd. Het geseculariseerd karakter van Marx' geschiedvisie, die tevens zijn heilsleer is —men zie zijn Frühschriften— vindt zijn ontstaan en voedingsbodem in groepen, samenlevingsverbanden, sociologische gehelen en massa's.

Apocalyps

De apocalyps neemt een beheersende plaats in. Er is een eindtijd in Marx' visie. Er is ook een verlosser, maar hij is verwereldlijkt. Hij is hetzij de persoon van Marx zelf —zie "Das Kapital" — die dan de functie van de profeet vervult om het volk de belofte van verlossing aan te zeggen en uit te leggen, of hij is het proletariaat zelf, dat door het lijden heen tot heerlijkheid komt, onteigend wordt maar straks alles zal erven en bezitten. Opvallende overeenkomst met bepaalde joods-theologische opvattingen van de Knecht des Heeren in de liederen van de Knecht bij Jesaja. Ook in dat geval wordt de Knecht niet als een persoon of enkeling, doch als het volk, als het collectivum opgevat. De openbaring der toekomst verandert bij Marx van transcendent naar immanent en gaat daarmee over van eschatologie naar utopie, terwijl de dag der revolutie de plaats van de dag des Heeren inneemt.

Heel opvallend, en een bewijs voor het feit dat wij bij Marx met een religieus systeem te maken hebben, is dat er in zijn utopische opzet nogal wat tegenspraken zijn. Als leerling van Hegel bij voorbeeld hanteert Marx ijverig de drieslag van these, antithese en synthese, tot op het ogenblik waarop het duizendjarig rijk gerealiseerd wordt en er een einde komt aan de evolutionistische ontwikkeling en er dus uit de synthese van het vrederijk geen nieuwe ontwikkeling in gang gezet wordt. Even typerend is dat Marx meende niet voor het heden tot een constructie van het paradijs, oerstaat of heilstaat te behoeven te komen. Immers, het heden is slechts een doorgangsfase. De zonen van de toekomst, het proletariaat, moeten het "lijden van deze tegenwoordige tijd" aanvaarden om tot de heerlijkheid van de heilstaat op aarde te geraken.

Wat Marx het scherpst veroordeelde, het bourgeois-socialisme, is door boven geschetste ontwikkeling het meest bevorderd. Zijn eigen ontwerp, vrucht van secularisatie van joods-christelijke eschatologie, is nogmaals geseculariseerd in eigen kring, en het 'geloof' ofwel het metafysische dat ondanks hemzelf uit Das Kapital spreekt, is ondergegaan in een puur politieke machtsstrijd, waar wij de nadagen van beleven.

Christelijk/niet-christelijk

In zijn boek "Chiliastische Utopie" heeft Günther List onderscheid gemaakt tussen een ouder, vroegkerkehjk chiliasme, en een nieuwer chiliasme, dat hij sedert de felle apocalyptische Wederdopers van de zestiende eeuw ziet opduiken. Het is jammer dat hij zijn onderzoek tot de zestiende eeuw beperkt en dat dus ook zijn conclusie, dat in het Doperdom er een regelrechte verbinding tussen chiliastische ideeën en revolutionair optreden bestond, uitsluitend met bronnen uit die eeuw wordt waargemaakt.

Voor wat betreft de periode tussen de zeventiende en de negentiende eeuw —van piëtisme tot marxisme— kunnen wij in elk geval aannemen, dat er twee typen van chiliasme hebben bestaan binnen de christelijke traditie, waar tenslotte ook Marx uit voortsproot. De eerste, die bij À Brakel is te vinden, kenmerkt zich door een centrale positie van de kerk in het vrederijk, een postmillennialistische instelling waarbij dus niet twee komsten van Christus worden verwacht, Israëls uitdrukkelijke bekering tot het aannemen van Jezus als Messias en een soteriologie die er voor Israël niet anders uitziet dan voor de heidenen, en ten slotte een geestelijk-hemelse oriëntatie als er gesproken wordt over de plaats van dat vrederijk: wel op aarde, maar niet aards.

Wijzigingen

Bij Cotton Mather zien wij op dit punt reeds wijzigingen optreden. Christus' eerste komst gaat aan het duizendjarig vrederijk vooraf en wordt daarmee — zo Calvijn— radicaal geseculariseerd. De bekering van Israël staat in Mathers theologie niet vast. Israël wordt meer en meer een historisch gegeven in plaats van een theologische optie en voorwerp van gebed en evangelisatie. Ten slotte is Mather wat betreft de plaats van het vrederijk niet geheel aan verwereldlijking en veraardsing ontkomen, en de verbinding tussen Christus en Amerika is daarvan een aanwijzing.

Het Réveil vormt op dit alles een grondige correctie, al is deze correctie niet in het hele internationale Réveil waarneembaar. Bilderdijks leerlingen zoals Groen van Prinsterer en anderen, hebben stuk voor stuk bijgedragen tot de kritische doordenking van een utopisch chiliasme, dat aan Bilderdijk niet geheel vreemd was. Ditzelfde Reveil heeft de wortels van idealisme en liberalisme blootgelegd. Het liberalisme bleek niet minder op ongeloof- en revolutietheorieën te steunen dan het grofste socialisme. Intussen zetten de lijnen van het idealisme zich ook op het terrein van de toekomstbeelden voort. Leibniz en Lessing zijn er voorbeelden van. Hegels drieslag liet zich niet het minst op de geschiedenis toepassen. Dan treedt een niet-optimistische historicus, genaamd Karl Marx, naar voren. Hij verbindt alle ideeën die zich op de grenslijn van pre- en postmillennialisme hebben kunnen ontwikkelen, met zijn droom van een aarde die door haar wettige eigenaren, namelijk het proletariaat, geërfd wordt. En nog is het einde niet...

Conclusie

In een lezing over de ondergang van het heilige en de emotionele manipulatie van het christendom heeft Georg Huntemann beschreven hoe deze ondergang van het heilige gelijkelijk door religieuze show en door een bepaald soort utopie geschiedt. De inzet van het piëtisme ten tijde van Cotton Mather was niet slechts een reductie van het puritanisme, doch ook en in gedeeltelijke samenhang met het Duitse piëtisme van Halle de opening tot het proces van revolutie, verlichting en secularisatie waar de marxistische heilsstaat een voorlopig einde van vormt. Chiliasme is niet onchristelijk. Maar dat chiliasme is onchristelijk dat zich op een of andere wijze de woorden van Calvijn mag aantrekken: „Zij die voor de kinderen Gods alleen duizend jaren bestemmen voor het genot van de erfenis, merken niet op, met hoe grote smaad zij Christus en Zijn rijk brandmerken".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1991

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Maar er is ook een christelijk chiliasme

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1991

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken