Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Waar blijven nieuwe Nijhoff en Gerhardt?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Waar blijven nieuwe Nijhoff en Gerhardt?

Wel enkele nieuwe christelijke verzenbundels, maar geen pinksterpoëzie van formaat

8 minuten leestijd

In tegenstelling tot de beide andere kerkelijke hoge feesten, Kerstfeest en Pasen, is het Pinksterfeest niet zo'n grote inspiratiebron voor hedendaagse dichters en schrijvers als men zou mogen verwachten. Zowel in de meer pastorale verzen als in de meer literair bedoelde poëzie is, althans dit jaar, de oogst rond het thema Pinksteren niet erg groot. Uiteraard is er in kerkelijke liedboeken wel het een en ander te vinden, vanaf het "Veni, Creator Spiritus" (Kom, Schepper Geest) tot liederen van Johannes de Heer en diverse modernere pinksterzangen. Maar pinkstergedichten anno 1991 heb ik niet veel gezien.

Dat is wel eens anders geweest: Achterberg, Nijhoff en andere dichters van naam hebben zich ook aan het wonder van Handelingen 2 gewaagd en wie de (al wat oudere) bloemlezing over pinksterpoëzie van J. W. Schulte Nordholt in de Carillon-pocketreeks doorbladert, komt toch mooie en diepzinnige pinksterverzen tegen. Het is onmiskenbaar: in het geheel van het kerkelijk jaar neemt Pinksteren in de westerse en oosterse kerken niet zo'n centrale plaats in, behoudens dan in de charismatische beweging en in sommige 'vrije' groepen.

Pinkster-beeldtaal

Maar dat verklaart nog niet helemaal waarom kwalitatief goede pinkster-poëzie ontbreekt. De beelden in het bijbelverhaal zijn sprekend genoeg: vlammen als gretig lekkende vurige tongen op mensenhoofden, geluiden alsof er een orkaan door het huis waait, die dat vuur niet uitblaast maar juist aanwakkert, mensen die in alle mogelijke talen gaan spreken —of althans zó door de omstanders gehoord worden— en een krachtig reveil met een groot aantal bekeerlingen: dat zijn toch 'sprekende' feiten? Dat zijn toch beelden die een 'geïnspireerde' dichter in woorden weet te vangen?

De bundels kerstverhalen en -gedichten stapelen zich op en er isveel lijdenspoëzie, ook van hen die Christus niet als hun Heiland belijden. Maar Pinksteren lijkt toch wat minder aan te spreken: opvallende bloemlezingen of verhalenbundels rond dat zendingsfeest der Kerk ben ik de laatste jaren niet of nauwelijks tegengekomen. Is dat een teken van geestelijke armoede? Of is men terecht huiverig geworden voor het al te klakkeloze rijmen rond de christelijke feestdagen? Begrijpelijk, maar ook in ónze eeuw zijn er ook door christen-dichters wèl mooie en waardevolle pinksterverzen geschreven: Willem de Mérode, Muus Jacobse, ook Guillaume van der Graft (Willem Barnard) wel.

Pastorale Liebeek

Wij laten die oude en nieuwe pinksterpoëzie nu rusten en bekijken enkele recente dichtbundels met een christelijke achtergrond.

De eerste is "Het Licht op je hand" van Ietje Liebeek-Hoving, bekend van de prot.-chr. auteursvereniging Schrijvenderwijs en tegenwoordig ook van Koks VCL-romans. Liebeek debuteerde in 1987 als dichteres met een bundeltje "Dat er een morgen is". Een literair meesterwerk vond ik het nog niet, maar aanzetten tot literaire verskunst trof ik er zeker in aan. Kortom, de lerares Nederlands was een veelbelovende christen-dichteres, wier bundel ik niet op de grote stapel pastorale rijmen wilde leggen. Maar ziet, nu ligt "Het Licht op je hand" in mijn hand, eveneens bij Vijlbrief in Haarlem verschenen (48 blz., 12,50 gld.) en ik kan een gevoel van teleurstelling niet onderdrukken.

Wat is geschied? Ietje Liebeek timmert nogal eens aan de weg en bij haar lezingen droeg ze voor uit eigen werk. Toen bleek -nogal wiedes, zeg ik dan- dat eenvoudige rijmen, pastorale verzen over bijbelse gegevens, bij een groter publiek aansloegen dan de wat meer literaire poëzie. Welnu, deze tweede bundel is zo'n concessie aan de smaak van de brede schare lezers —vooral lezeressen, vermoed ik— en Liebeek heeft zichzelf bijgezet bij de op zichzelf zeer respectabele reeks van pastorale verzenmaaksters, van Benschop tot IJskes, van Co 't Hart tot Brinkman-Oosterman.

Geen nieuwe Gerhardt

Men begrijpe mij goed: ik zeg geen verkeerd woord over deze verzen van hoop en liefde, van geloof en troost. Het zijn vaak bijbelrijmen die gemakkelijk in het gehoor liggen, die op eigen wijze nog eens de heilsfeiten navertellen en die zelfs vanaf de kansel —waar 'de' literatuur in onze kringen nog vaak wordt doodgezwegen— en in kerkbladen vlijtig worden geciteerd. Niets op tegen, maar met kwaliteitsliteratuur voor fijnproevers en taaigenieters heeft het niets van doen. En letje Liebeek had in mijn beoordeling wèl de potentie om die andere reeks van dichteressen aan te vullen: die van Inge Lievaart, Nel Veerman en misschien zelfs Ida Gerhardt.

Liebeek koos voor een andere weg. De flaptekst verwoordt het zo :„.. .de bundel waarin pastorale poëzie de grootste plaats inneemt. Hiermee komt de dichteres tegemoet aan het verlangen naar pastorale poëzie van een groot lezerspubliek. Dit alles vanuit haar belangrijkste werk-motief: tot eer van God en de naaste ten goede". Dat klinkt niet slecht. Maar is Gods eer —pas toch op voor dikke woorden: ook christen-literaten hebben primair zichzelf op het oog!— werkelijk meer gediend met vlakke versjes over het H. Avondmaal, over Ruth als Gods dienstmaagd, "Maranatha" of over het kleine talent dat letje zichzelf toekent, dan met stamelende poëzie, waarin geworsteld wordt met taal en beelden, omdat in Gods ogen ons beste nog niet goed genoeg is?

Vrij vers èn rijm

Ik bedoel maar, van mij mag Ietje Liebeek-Hoving het zich gemakkelijk maken door brave versjes uit de tekstverwerker te spuien en door zich aan de familieromankunst te wijden. "Sanne Jorna - de keuze" heet haar derde VCLboek. Ze bereikt er forse oplagen mee en verklaart met nadruk, dat ze op deze wijze meent God beter te dienen door een groot publiek dan dat ze, zo vul ik aan, zich beperkt tot die kleine kudde van literair geïnteresseerde individuen, die al zo lang uitzien naar echte, waardige christelijke poëzie van déze tijd.

Maar wie een nieuwe pastorale bundel zoekt, wil ik graag wijzen op deze uitgave. De bundel telt drie secties: Op zoek. Het eeuwig heimwee en Antwoord.

Binnen het pastorale genre zijn de verzen over 't algemeen niet slecht. Het taalgebruik is redelijk zorgvuldig; de gebruikte beelden zijn niet allemaal clichés en af en toe wil toch de literaire dichteres zich weer laten gelden.

Dan verlaat ze even het sonnet of andere strakke vormen en rijmschema's en dan gaat ze Vijftigers-achtig de poëzie te lijf, dus zonder hoofdletters en leestekens en met een vervelende regelafbreking. "geluid versterft" is zo'n vers. En "er heeft té lang/ té stil/ een woord/ in mij/ gezwegen" of "wacht/ het gevecht/ nog even af". Maar daar staan genoeg traditionele rijmen en zelfs rijmels tegenover. Wat móet ik met "Kinderjaren", dat zó aanvangt: „Lieflijk beeld, mijn kinderjaren,/ zonovergoten, onbezorgde jeugd./ 'Je idealiseert', zullen de mensen zeggen,/ maar wat mij bijbleef is de vreugd".

Wel, die vreugd zal ik mevrouw Liebeek niet afpakken, maar echt veel plezier beleefde ik niet aan haar tweede, en vast niet laatste, verzenbundel. Van mij mag en kan ze zich verschuilen achter regels als „Een klein talent heb ik van God gekregen,/ een klein talent, maar toch een grote zegen./ Hij leende mij Zijn Woord, om woorden neer te schrijven,/ die, hoewel klein en zwak, mij in Zijn kracht doen blijven". Haar geloofsbeleving recenseer ik niet, maar haar dichterschap, waar ze graag mee naar buiten treedt, mag wèl beoordeeld worden.

Visuele poëzie?

Dat geldt ook voor twee andere poëziebundeltjes van uitg. Vijlbrief: "Handen vol" van Rijnie van der Kaaden (door haarzelf bloemrijk geïllustreerd, 48 blz., 14,50 gld.) en "Troost uit Heidelberg" van J. F. Uringa-Kransen (58 blz., 14,50 gld.). Rijnie van der Kaaden was ruim dertig jaar onderwijzeres. Poëzie schreef ze al, maar na haar 'uittreden' 'begon ze er weer serieus werk van te maken. De titel is ontleend aan het openingsvers: "gevouwen handen/ voor de dag begint// handen vol werk/ voor ieder mensenkind.// het werk van onze handen/ bevestig dat steeds weer// en vouw uw vaderhanden/ om onze handen, Heer".

De versvorm is soms een beetje achterhaald, niet in de zin dat ze krampachtig de oude vertrouwde vormen van sonnet of kwatrijn of rondeel zou koesteren, maar juist omdat ze speelt met typografie, zoals de Vijftigers deden en ver vóór hen de Dadaïsten en Paul van Ostayen. Haar vers naar Deut. 33 vs. 27 moet, zonder hoofdletter? en leester kens, óók typografisch een val in een put voorstellen, maar die visuele verskunst lijkt me al weer een gepasseerd modieus station. Naar de vorm is er hier dus geen of minder sprake van gebruikelijke pastorale verzen, naar de inhoud soms wel. Maar ik trof ook enkele fijne, gave gedichten aan. In elk geval getuigt het bundeltje van worstelingen: als het niet is met taal en vorm, dan toch wel met God en haar twijfelend geloven.

Poëtische Catechismus

"Troost uit Heidelberg" van mevrouw Uringa bevat "Zondagse minimale maxima": 52 gedichtjes naar de Zondagen van de Heidelbergse Catechismus, vergezeld van Schriftverwijzingen. Veelal spreken de verzen (?) voor zich. Zondag 1 wordt zó verwoord: „die ene haar op je/ kussen,/ dat licht gewicht,/ weegt zwaar bij God!" en verwezen wordt naar Matth. 10 vs. 29. Zo zijn er af en toe rake typeringen en notities. Zondag 10: „het lot, geworpen in/ je schoot,/ in de tijd van nood.// de ongedachte uitkomst/ is/ de munt in de bek/ van de vis!".

Soms wordt zo'n Zondag best goed samengevat, maar waarom dat dwaze misbruik van hoofdletters en leestekens? Dat net doen alsof je moderne 'blanke' verzen schrijft, maar dan toch de hoofdletters en uitroeptekens niet kunnen missen voor termen als Gezag of Geest van het Lam of het Woord. Hanteer liever gewoon een spelling zonder misver'Standen, zou ik zeggen. Dan vermijd je 'verzen' als Zondag 9: „de Alpha en de Omega/ en daartussen...?// twee mussen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1991

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

Waar blijven nieuwe Nijhoff en Gerhardt?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1991

Reformatorisch Dagblad | 26 Pagina's

PDF Bekijken