Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet opstaan tegen het zittenblijven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet opstaan tegen het zittenblijven

„Het mannetje ging terug naar groep 2 en knapte zienderogen op

8 minuten leestijd

Ze hebben het al gehoord of zullen de sombere boodschap binnenkort vernemen. Ongeveer 20.000 leerlingen in het basisonderwijs blijven zitten waar ze zitten. Ze gaan niet over naar de volgende groep. „Nog maar een jaartje overdoen", luidt het welgemeende oordeel. Uit onderzoek blijkt echter dat kinderen die blijven zitten daarmee niet geholpen zijn. Wordt het tijd om op te staan tegen het zittenblijven?

„Wij hadden een jongen in groep 7 die bijna dagelijks speelde met kinderen uit groep 1 en 2. Hij dook qua niveau naar de kleuters. Geestelijk was het ventje er nog niet aan toe om over te gaan naar groep 8. Voor ouders, leerkrachten en hemzelf is het fijn dat-ie een keer is blijven zitten".

Met dit voorbeeld maakt directeur A. C. den Edel van de Augustinusschool in Papendrecht duidelijk waarom het zittenblijven op zijn school niet is afgeschaft. „Het gaat er niet om of ze een vier hebben voor rekenen of een vijf voor taal. Als een kind achter is in ontwikkeling, het niveau van de volgende groep niet aankan, is het beter om het een jaartje over te doen".

Er zitten 140 leerlingen op de Augustinusschool van wie er jaarlijks twee of drie blijven zitten. Met dit percentage van 1 à 2 procent zit de school aardig op het landelijk gemiddelde. „De meeste kinderen knappen op van het zittenblijven", vindt Den Edel.

„Niet dat ze nu ineens van die geweldige cijfers halen, maar het doet hen goed". Kinderen accepteren over het algemeen heel snel dat hun oude vriendjes een jaar verder zijn dan zij. „Voor de ouders is het veel moeilijker. Zij voelen zich vaak persoonlijk gekwetst".

Foute gedachte

Vroeger kwam zittenblijven regelmatiger voor dan nu. In 1930 bleef circa 13 procent van de leerlingen in een van de klassen op de lagere school zitten. In 1967 was dat percentage gedaald tot rond de 8 procent en in 1984 bleef het percentage steken op 2 procent van alle leerlingen.

Met de komst van de basisschool (in 1985) stopte het Centraal Bureau voor de Statistiek met het bijhouden van het aantal doublerende leerlingen. Het fenomeen zittenblijven zou met de komst van de basisschool vanzelf uit de wereld verdwijnen, redeneerde men. Een foute gedachte. Doubleren komt anno 1991 nog op 90 procent van de 8400 basisscholen in Nederland voor. De "ononderbroken ontwikkeling" van kinderen tussen de vier en twaalf jaar —waar de Wet op het basisonderwijs prat op gaat— wordt slechts op een tiende van de scholen werkelijkheid. Het zittenblijven is daar afgeschaft. Kinderen met problemen blijven soms wel'eens extra op school, maar hoeven niet alle vakken van een heel leerjaar over te doen.

Eigenlijk is er in het zogenaamde "leerstofjaarklassensysteem", waarin leerlingen in een jaar een bepaalde hoeveelheid stof moeten doorwerken, niet te ontkomen aan leerlingen die achterop raken. Het systeem richt zich op de gemiddelde leerling. Doorbreken van het leerstof jaarklassensysteem is volgens directeur J. Bart van de Groen van Prinstererschool in Kampen geen haalbare kaart. „Het is ondoenlijk om binnen een klas individueel les te gaan geven".

Onderzoek

Een onderzoek van het Groningse Instituut voor Onderwijsonderzoek (Rion) rakelde onlangs het vuurtje in de

al jarenlang slepende discussie over zittenblijven weer wat op. Zittenblijven heeft niet het effect wat men er doorgaans van verwacht, stellen de onderzoekers J. W. M. Knuver en G. J. Reezigt van het Rion. Belangrijkste conclusie van hun studie: „De zittenblijvers hebben weliswaar een jaar langer onderwijs gehad, maar dit vertaalt zich niet in een voorsprong of zelfs maar in een gelijk prestatieniveau. De zittenblijvers presteren slechter, maar boeken ook minder leerwinst".

Kort en goed is de boodschap helder. Basisschoolleerlingen die blijven zitten zijn daarmee niet geholpen. Ze blijven ook daarna slechter presteren dan hun klasgenoten, hebben minder plezier in leren en gaan niet graag naar school, aldus het onderzoek; Ook krijgen ze lagere adviezen voor vervolgonderwijs dan kinderen met dezelfde intelligentie die nooit zijn blijven zitten.

De stem van de wetenschap is dus een andere dan de stem uit de praktijk. Dat van die lagere adviezen bestrijdt directeur Bart van de Groen van Prinstererschool. „Ouders die graag zien dat hun kind vanuit groep 8 naar mavo of havo gaat, terwijl het advies voor kind lager beroepsonderwijs is, adviseer ik om er een jaar bij te nemen. Het is dom om een kind de mogelijkheden, die wel aanwezig zijn, te ontnemen doordat het de vlugheid niet heeft om de stof aan te kunnen".

Tenen

Bij het Rion-onderzoek waren 34 scholen betrokken: 10 reguliere scholen waar zittenblijven in principe niet meer voorkomt, vier traditionele vernieuwingsscholen (waar zittenblijven nooifts voorgekomen) en 20 reguliere scholen waar bij de helft zittenblijven relatief weinig en bij de andere helft relatief veel voorkomt.

Het belangrijkste voordeel van zittenblijven, vinden de leerkrachten uit het onderzoek, is het wegvallen van de prestatiedruk. „Een zwakke leerling hoeft niet meer constant op zijn tenen te lopen". De leerkracht kan bovendien gericht te werk gaan in de begeleiding van een zittenblijver. Als grootste nadeel van het zittenblijven wordt ervaren dat een leerling zijn vriendjes kwijtraakt en in een isolement kan komen.

Uit gesprekken met leraren maken de onderzoekers van het Rion op dat ze zittenblijven vooral zien als een oplossing voor een probleem van leerlingen, niet als een oplossing voor een probleem van de school. Er zijn bij voorbeeld maar weinig leerkrachten die het als falen van zichzelf zien als ze een leerling laten doubleren.

Schoolleider Den Edel herkent dat beeld. Hij voegt er nog iets aan toe. „Als het goed gaat met Jantje zeggen de ouders dat hij een goede meester of juf heeft. Gaat het slecht met hun kind dan weet je het wel wie er de schuld krijgt. De oorzaak van het probleem wordt altijd elders gezocht, het liefst bij de leerkracht. Terwijl er thuis behoorlijke problemen kunnen zijn waardoor een kind zich op school niet meer kan concentreren".

Jongens, allochtone leerlingen, kinderen uit de lagere sociale milieus en qua geboortemaand vroege leerlingen blijven relatief vaak zitten, aldus de cijfers. Directeur Y. Paans van de School met de Bijbel in Sint Annaland kan met het laatste punt instemmen. „Kinderen die in juli, augustus of september geboren zijn vormen de risicogroep". Van de zittenblijvers is 34 procent in een van de drie zomermaanden geboren en 19 procent in het najaar. Bij de overgang van groep 2 naar 3 komt het verschil met andere kleuters naar voren. „Voor sommigen is het dan beter om nog een jaartje te kleuteren", vindt Paans. „Daar hebben ze profijt van in hun verdere schoolloopbaan".

Schatblij

De Zeeuwse directeur komt met een duidelijk voorbeeld. „Er kwam hier een ventje van een andere school. Hij kwam in groep 3. Dat ging van geen kanten. Met de herfstvakantie heb ik hem teruggezet naar groep 2. Het mannetje knapte zienderogen op. En zijn moeder was schatblij".

Paans heeft de indruk dat er meer jongens dan meisjes blijven zitten. Dat klopt met het landelijke beeld. Jongens hebben niet alleen meer leerproblemen dan meisjes, maar ook meer gedragsproblemen. Opvallend is dat op scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) vier keer zoveel jongens als meisjes zitten.

Het Rion schrijft dat maar weinig leerkrachten vraagtekens zetten bij het effect van zittenblijven. „De meeste leerkrachten gaan er van uit dat zittenblijven, hoe vervelend het misschien ook voor leerlingen is, uiteindelijk toch wel goed zal uitpakken". Vooral het langer blijven kleuteren wordt niet als problematisch gezien.

Dom

Wil men het zittenblijven écht aanpakken dan zal het onderwijssysteem moeten veranderen. Immers, „scholen waar zittenblijven daadwerkelijk haast niet voorkomt, de Montessori- en Jenaplanscholen, kenmerken zich door flexibel groeperen van leerlingen". Schoolleider Bart vindt het eventueel afschaffen van het zittenblijven „dom". Bart: „Je ontneemt de kinderen een mogelijkheid om het nog eens te doen".

Volgens de onderwijskundige Luc Koning is zittenblijven niet verboden. „Zittenblijven kan soms heel nuttig zijn als kinderen onvoldoende aansluiting hebben bij de volgende groep", stelt Koning in het juni-nummer van het onderwijstijdschrift Praxis. „Soms is het overdoen van een of meer onderdelen aan te bevelen en bij andere onderdelen kunnen we kiezen voor 'verder gaan'".

Koning vindt dat de school moet bepalen wie er overgaat of niet. „Er is vakmanschap voor nodig om dat te kunnen bepalen. Ouders mogen dat niet bepalen".

Weinig veranderd

Iemand die al jaren ageert tegen het klassikale systeem in dit land is dr. K. Doornbos, hoogleraar school- en leermoeilijkheden aan de Universiteit van Amsterdam. In 1969 publiceerde hij een adviesnota onder de dubbelzinnige titel: "Opstaan tegen het zittenblijven". Toen werd al gepleit voor een minder klassikale aanpak van het onderwijs en meer aandacht voor de tempoverschillen tussen leerlingen.

Uit een interview dat een andere krant onlangs met Doornbos had, blijkt dat er in al die jaren weinig is veranderd. „Waarom willen we alle leerlingen in hetzelfde tempo door de basisschool jagen? Sommige kinderen hebben meer tijd nodig en die moet je ze gunnen". Het ongelijke wordt gelijk belast, aldus de hoogleraar en daardoor ontstaat er een groep van achterblijvers. Doornbos doelt daarbij niet alleen op leerlingen die doubleren, maar ook op de almaar groter wordende groep kinderen die wordt verwezen naar het speciaal onderwijs.

In het onderwijs moet worden uitgegaan van de verschillen. Het is niet genoeg om er alleen maar rekening mee te houden. Dan wordt immers toch weer het gemiddelde tot norm verheven. Doornbos: „Als het onderwijs net zo veel variatie biedt als de salarisschalen in ons land, dan zijn we op de goede weg".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 juni 1991

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Niet opstaan tegen het zittenblijven

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 juni 1991

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken