Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ze weten: Dit is de juf en dat is de kast

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ze weten: Dit is de juf en dat is de kast

„Het gaan naar de basisschool is de eerste stap op weg naar de zelfstandigheid"

10 minuten leestijd

Wie aan een groep christenen vraagt wat opvoeden is, zal veel verschillende antwoorden krijgen. Juiste en minder juiste. Wie opmerkt dat opvoeden loslaten is, heeft in ieder geval gelijk. Dat ervaart vooral een moeder wanneer ze haar kind voor het eerst naar school brengt. Een dezer dagen, afhankelijk van het feit of de woonplaats Krabbendijke of Oosterwolde is. Al heeft mevrouw D. M. van Vreeswijk-Roosendaal uit Scherpenzeel nooit het gevoel gehad haar kinderen nog graag even thuis te willen houden, ervoer ze die eerste keer toch: Nu is er een stukje leefwereld waar ik niet meer bij hoor. Mevr. Van Vreeswijk heeft zeven kind(ren en bracht tot nu toe vijf keer een khd voor het eerst naar de Wittenbtrgschool in Scherpenzeel. Problemen hteft het nauwelijks gegeven. „Toen de oidste naar school moest, vond ik het in de zin spannend, dat je je afvroeg: Hoe g;at ze het doen? Gaat ze huilen? Ze ging zitten en ik zei: „Mama k)mt je zo weer ophalen, je moet gewoon mar de juffrouw luisteren". Ze heeft nets gezegd, maar na verloop van een paar veken kwam het er opeens uit. Elke dg huilen en niet meer naar school willen. Eerst vind je dat zielig, en later word je en beetje boos.

Met de anderen heb ik eigenlijk geen p-oblemen gehad. Die waren allemaal al ens meegeweest een ouder broertje of iisje wegbrengen en dat bleek heel zinxA\

xleuren en getallen

Lia Clements-Schrader heeft zes -lar in Houten voor de klas gestaan en bs' .;int aan haar tweede jaar in Scherpen.eel. Vrijwel altijd ontfermt ze zich over ;roep 1 en 2. „Dat is het leukste: het programma is bij de kleuters in vergelijking met de hogere klassen zo afwisseend. Ik hoef me niet aan een methode te louden, maar vul mijn basisprogramTia, het leren van kleuren, begrippen en getallen, zelf in. Dat is creatiever. >teeds iets nieuws bedenken, dat vind ik euk". Voordat kinderen naar school gaan, komen ze een keer kennismaken. Hoe zinvol is dat?

Mevr. Van Vreeswijk: „Ze komen en kleine middag. Dat is best fijn, want ze /eten dan: Dit is de juf en dat is de ;ast. Hier hang je je jas en daar is de wc. 3at laatste is voor kinderen ook van )elang".

Lia: „Het is belangrijk hoor, zo'n eerste middag. Alle kinderen die na de zomervakantie komen, meestal een stuk of vijftien, komen vooraf. Ze wennen dan langzaam aan het schoolgaan. Zo'n eerste middag blijven de moeders er gewoon bij. Moedermorgens in de loop van het schooljaar, daar ben ik niet zo weg van. De kleuters reageren anders, zijn huilerig en kruipen bij hun moeder op schoot. Als juf voel ik me zo'n morgen echt bekeken. Aangezien er niet meer dan twee ouders per morgen komen, ben je gemiddeld zo'n vijftien morgens bezig!" kinderen een goede opstap. Of de kinderoppas van de kerk ?

„Nee, dat laatste scheelt niet. Het is maar één keer in de week en ze doen. er weinig".

Mevr. Van Vreeswijk: „Ik deed ze nooit naar de crèche of een peuterzaal". Lia: „In Scherpenzeel komt het niet veel voor dat kinderen naar een peuterspeelzaal gaan. Waarom? Het kind moet al zo vroeg naar school".

Mevr. Van Vreeswijk: „Hier op de Veluwe vindt men dat kinderen thuis horen te blijven tot hun vierde jaar. Of er moet een speciale situatie zijn waardoor het kind moeilijk thuis kan zijn".

Lia: „In Houten haalde ik de kinderen die een peuterzaal bezochten er wel uit: ze komen binnen, hangen hun jas op, zwaaien naar hun moeder en gaan zitten. Dat is punt één. Ze kennen verder de kleuren al en hebben geknipt en geplakt. De anderen huilen veel méér en weten veel minder. Maar toch vraag ik me af waarom je het leerproces zou vervroegen. Vier jaar is jong genoeg om in groepsverband te gaan functioneren". Dat is wat tegenstrijdig: u ziet de voordelen, maar heeft er gevoelsmatig moeite mee?

„Ik ben in het algemeen niet zo voor peuterspeelzalen. Ik vind de moederkindrelatie ook voor het leerproces binnen de eerste levensjaren zo belangrijk".

Mevr. D. M. van Vreeswijk-Roosendaal met drie van haar kinderen: „Ik moet er vijf om de beurt laten vertellen en ik heb maar één uurtje". Als kinderen vanwege het vervoer per schoolbus een hele dag van huis zijn, is het gewend zijn een groot voordeel.

„Dat vind ik een andere situatie. Ik zou liever zelf met mijn kinderen gaan kleien en die dingen binnen het gezin willen aanleren. Niet dat ik nu echt tegen peuterspeelzalen ben, maar het leerproces hoeft voor mij niet vroeger te komen".

Moeder naar huis
Hoe is het gedrag van de kinderen zodra ze op school zijn ?

„Ze zijn soms heel stil en afwachtend, kijken de kat uit de boom, maar,het komt ook vaak voor dat ze huilen. En wat is dan erg jammer? Dat de moeder in de klas blijft en haar kleuter wil kalmeren. Begrijpelijk, maar niet verstandig! Ik zeg meestal: „Ga maar naar huis, over een halfuur bel ik je op". Meestal is het kind dan rustig en voelt het zich al meer op zijn gemak.

Het gaan naar school is de eerste stap op weg naar de zelfstandigheid. Het kind gaat naar school en neemt afscheid van de moeder. Soms huilen ook de moeders. Dan is dat telefoontje geruststellend. Als er veel nieuwe kinderen komen, is het goed om de helft om negen en de helft om tien uur te laten komen". Kinderen zijn stil, huilen...

„...maar zijn ook enthousiast. Sommigen lopen meteen naar de bouwhoek. Het is het handigste als de moeder afscheid neemt, zwaait, het jasje ophangt en weg is. Niet in de klas blijven, hoe moeilijk dat voor jezelf ook is. Hoe langer je in de klas blijft, hoe moeilijker het voor het kind wordt". Is er hierin verschil tussen jongens en meisjes, tussen een oudste kind of andere?

„Het eerste kind heeft het het moeilijkst: die heeft de school nog nooit gezien. Als je vaak met broertjes én zusjes mee bent geweest, heb je de school al wel gezien".

Dobberen zonder roer

Mevr. Van Vreeswijk: „Ik was thuis altijd wel wat van slag. Dan denk j?: Wat zal ik gaan doen? Je mist er gewoon eentje. Je bent je roer wat kwijt en dobbert wat rond. Je ritme is even weg. Je hebt wat tijd over en moet proberen dat in te vullen".

Lia: „Het is misschien een handige tip om voor die morgen iemand op de koffie uit te nodigen en te vragen of de leerkracht je belt als je het moeilijk vindt. Dat is een kleine moeite".

Mevr. Van Vreeswijk: „Bij onze eerste heb ik sterk ervaren: Nu is er een stukje leefwereld waar ik niet meer bij hoor. Nu is er een juf, die een bepaalde plaats heeft. Als je een kind hebt dat niet veel vertelt, is dat echt een stukje waar je buiten staat. En dat stukje wordt steeds groter. Opvoeden is loslaten: dat merk je als de oudste naar school gaat. Bij de anderen ben je aan die gedachte wat gewend". Een korte vraag: Was uw man ook van slag?

„Nou, dat geloof ik niet. Die is niet zo gauw van slag. Die gaat 's morgens naar zijn werk en als hij thuiskomt, zijn ze

Groepsleerkracht Lia Clements-Schrader te midden van 'haar' kleuters: „Het sfeertje werkt heel erg op de kinderen ". Foto's RD er al weer. Een vader heeft dat gemis niet".

In de kring
Hoe zijn de kinderen in de eerste schooltijd thuis?

„In het begin geeft het duidelijk een reactie. Huilen, niets vertellen, ook niet tegen broertjes en zusjes. Dan denk je: Zou ze op school ook zo zijn? Maar dan blijkt dat ze geen kind aan haar hebben".

Lia: „Het is ook een hele overgang. Het kind moet zich opeens aan regels houden, het moet in een kring zitten, het functioneert tussen dertig anderen en heeft een vreemd persoon voor de klas".

Mevr. Van Vreeswijk: „Nee, ik kan niet zeggen dat het hele gezin er onder lijdt. Tegen de oudsten zeg ik maar: „Het was met jullie nog erger". Dat weten ze toch niet meer". „Maandag steek ik de vlag uit", zei Heleen. Ze keek het kringetje rond en zeliachte. „Twee september", mompelde Wouter. „De koningin is niet jarig". Heleen schudde haar hoofd. „En toch steek ik de vlag uit, maandag", zei ze.

„Ik kom niet uit het ziekenhuis", peinsde Ruth. Ze keek Heleen vragend aan. „Waarom dan, mama?" Heleen aaide over haar krullebol. „Omdat mama zo blij is dat jullie eindelijk weer allemaal naar school gaan", zei ze. „Mama heeft niet veel gewerkt in jullie vakantie. Vuil dat het geworden is...!" Ze lachte, streek met haar vinger over de orgelbank. Geen stofje, natuurlijk!

„De vlag mag niet uit!", zei Liesbeth. „Ik heb helemaal geen zin. Die nare school". Ze trok een pruillip. Heleen keek eens naar het bewolkte gezichtje. Hun jongste had geen beste start gemaakt. Eind augustus, toen de basisschool begon, lag zij ziek op bed. En ze vond de school tóch al niet geweldig...

Ze trok het kind op schoot. „Je krijgt een heel lieve juf", vertelde ze. „Ja, hè Wout? Jij hebt haar ook gehad, hè?" Wouter knikte hard. „Ze kan heel goed verhaaltjes vertellen", zei hij. „En je leert nog véél meer woordjes. En rekenen en taal en..."

Liesbeth schudde haar hoofd. „Nee!", riep ze. „Ik wil niet naar die nare school. Ik kan niks. Niks!" Heleen schrok. Ze wist dat Liesbeth nu al niet uitblonk, maar... Wie had haar gezegd dat ze "niks" kon? „Liesbeth, toe", probeerde ze te sussen. „Mama gaat maandag méé naar school, is dat goed?"

Liesbeth liet zich van haar schoot glijden. „Het is geméén!", zei ze hard. „Geméén!" Haar ogen waren heel donker. Heleen schrok weer. Waar haalde hun kleine, rustige Liesbeth deze woorden vandaan? „Dat mag je niet zeggen", kwam ze zacht. „Oh, dat mag je niet zeggen!", zeiden Wouter en Ruth. Ze schudde streng haar hoofd. Als die er zich ook mee gingen bemoeien... Liesbeth reageerde niet. „Het is gemeen van David", mokte ze. „David mag altijd spelen. Altijd. David hoeft nooit nare woordjes te leren en... en..." Ze stotterde bijna. Over haar wangen rolden dikke tranen. Heleen beet op haar lip. Was het dat...?! Ze voelde zich opeens een beetje opgelucht. Wouter en Ruth waren eens met hetzelfde bij haar gekomen. Simone niet, maar dat kwam omdat Simone ouder was dan David. Ze hurkte naast Liesbeth neer. „Weet je nog, waarom David alleen maar spelen kan?" vroeg ze zacht. „Mama heeft het wel eens verteld..." Liesbeth keek haar niet aan. Ze haalde wild haar schouders op. „Wout?", vroeg Heleen. Wouter zat al naast hen. „Omdat David anders is dan wij", zei hij. „Hij heeft iets in z'n hoofd, hè mam? En daarom kan hij niet zo goed denken en helemaal niet lezen en rekenen en..." „Ja", viel Ruth hem bij, „en 't is juist fijn, dat David naar het dagverblijf kan. Er zijn ook kinderen die alleen maar kunnen liggen. De héle dag..." Ze knikte hard.

Liesbeth boende haar tranen weg. „O", zei ze en ze zuchtte diep. „Maar als ik niet rekenen kan, mama, mag ik dan met David mee?" Ze keek heel ernstig.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1991

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Ze weten: Dit is de juf en dat is de kast

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1991

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken