Bekijk het origineel

'Bruine motor' zet Nederlands wereldrecord in ander daglicht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

'Bruine motor' zet Nederlands wereldrecord in ander daglicht

Concreter akkoord over aanpak mestoverschot van groot belang

15 minuten leestijd

DEN HAAG - Mest was eens een begerenswaardig produkt om arme landbouwgrond vruchtbaar te maken, maar nu dreigt de mest de grond in sommige gebieden onvruchtbaar te maken. Er is veel te veel mest en daarom heeft de overheid strengere regels aangekondigd. De 'bruine motor' moet snel een halt worden toegeroepen, ook al stuit dit op groot verzet bij de boeren.

Na de Tweede Wereldoorlog is de Nederlandse veestapel hard gegroeid. Zo steeg het aantal slachtkuikens van 4,5 miljoen in 1960 naar ruim 41 miljoen vorig jaar. Een andere enorme groei deed zich bij voorbeeld voor bij varkens. In 1960 bedroeg het aantal varkens nog drie miljoen, vorig jaar waren dat er 14 miljoen. Momenteel heeft Nederland ruim 300 stuks vee per vierkante kilometer. Dit is een absoluut wereldrecord.

De groei van de veestapel was onder meer mogelijk door mechanisering, verbetering van het veevoer, schaalvergroting en een intensiever gebruik van de grond. Dank zij deze ontwikkelingen werd de concurrentiepositie van de Nederlandse veehouders versterkt en werden de boereninkomens verbeterd.

Fosfaat

De keerzijde van de grote groei van de veestapel was, dat er ook meer mest werd geproduceerd. Onder mest worden zowel vaste als vloeibare uitwerpselen van dieren verstaan. Varkensdrijfmest bij voorbeeld bestaat voor 90 procent uit water. De rest is droge stof.

Mest is van groot belang, want het bevat voor planten nuttige voedingsstoffen, zoals stikstof en de mineralen fosfaat en kahum. Vandaar dat boeren de mest over hun land verspreiden. Het probleem is echter, dat de veestapel zo hard groeide dat op veel bedrijven de mestproduktie te groot werd in verhouding tot de beschikbare landbouwgrond. Op deze bedrijven ontstond een mestoverschot.

In heel Nederland gaat het om een enorm overschot. Op een totale mestproduktie in ons land vorig jaar van 83,8 miljoen ton bedroeg het mestoverschot 13,6 miljoen ton. Deze overschotten zijn geconcentreerd in de regio's met veel intensieve veeteeltbedrijven: het midden en oosten van Brabant, het noorden van Limburg, de Veluwe en de Achterhoek.

Verzuring

Het mestoverschot veroorzaakt een grote miheuvervuiling. En juist door die vervuiling komt het Nederlands wereldrecord van het grootste aantal stuks vee per vierkante kilometer toch wel in een ander daglicht te staan. De 'bruine motor' heeft ons land namelijk opgezadeld met een groot milieuprobleem.

De milieuverontreiniging door de mest is tweeledig. Ten eerste is er een mineralenprobleem. Er worden namelijk meer mineralen op het land verspreid dan de grond kan opnemen. Hierdoor ontstaat er een teveel aan mineralen in de grond en bovendien wordt het grondwater verontreinigd.

Een tweede groot probleem bij de mestproduktie is het vrijkomen van ammoniak in de lucht. Dat kan plaatsvinden in stallen, in de weide, bij het opslaan van mest in silo's en bij het uitrijden van de mest over het land. De emissie van ammoniak is een van de oorzaken van de verzuring van de Nederlandse bodem. De veehouderij is namelijk verantwoordelijk voor ruim 20 procent van de totale verzuring in ons land.

Om de milieuverontreiniging door de mest te verminderen, heeft de overheid in 1984 mestwetgeving ingevoerd. Dit was de zogenaamde Interim wet, die de uitbreiding van de veestapel aan banden moest leggen. In 1987 werd deze wet vervangen door de Meststoffenwet en de

Mestproduktie 1990
Totaal 833 min. ton overschot 199013,60 min. ton 70,2 min ton Bijdrage aan de mestproduktie per sector In % mestvartcensdr^fmest 12.8% ^1^ nwstkalvndrijtmest ^^^^^ / ieghennenmest ^^^Hjjf /slachtkulkenmesl 05% rundveedrijtmest 73,5% Bifdrage aan het mestoverschot sector in % tokvailtensdrijfinest 25,0 % Ieghennenmest 12,5% mestkalvefdrijftnest 8,1 % lundveedrtjfmest slachtkuikenmest mestvwitensdriifmest 473% Bron: Mlnlstarle van landbouw, NatutirbafiMr m VIssariJ Wet bodembescherming, waarin de regels werden verscherpt.

Mestrechten

Op grond van de Meststoffenwet kreeg ieder bedrijf' mestrechten. Dit recht bepaalt de hoeveelheid mest die op een bedrijf geproduceerd mag worden. De mestrechten van een bedrijf werden vastgesteld op basis van de mestproduktie op 31 december 1986. Als deze dag niet representatief was, mocht er een andere dag worden gekozen. De mesthoeveelheid op die dag werd dan vermenigvuldigd met 365 eii zo werd de mestproduktie per jaar voor een bedrijf bepaald. Het gevolg was dat veel veehouders niet de datum van 31 december als referentiepunt namen, maar een dag kozen waarop de stallen of hokken vol waren, zodat de mestrechten zo groot mogelijk waren.

In de praktijk wordt er echter meestal minder mest geproduceerd dan op grond van de mestrechten mag. Dit komt doordat er bij voorbeeld in verband met het schoonmaken van de hokken of stallen wel eens minder dieren "zijn. Het verschil tussen de feitelijke 'mestproduktie en datgene wat er op basis van de mestrechten mag worden geproduceerd, wordt de latente mestproduktieruimte genoemd. Volgens een deskundige van het Landbouwschap bedraagt deze ruimte zo'n 8 a 15 procent.

Bij het vaststellen van de mestrechten speelt de fosfaatnorm een belangrijke rol. Deze norm bepaalt de hoeveelheid fosfaat die per jaar per hectare mag worden uitgereden. Het uitgangspunt bij het vaststellen van de fosfaatnorm is, dat er niet meer drijfmest op het land mag worden gebracht dan het gewas nodig heeft. De fosfaatnorm bedraagt nu 125 kilo per hectare per jaar. En om even de relatie met de veestapel te leggen: een melkkoe produceert jaarlijks 41 kilo fosfaat en een mestvarken 7,4 kilo.

Druk

De druk om de mestoverschotten harder aan te pakken werd —gezien de omvang van het probleem— aan het eind van de jaren tachtig steeds grqter en daarom werd in september 1990 door de regering en de Tweede Kamer een tijdpad afgesproken waarbinnen het mestprobleem moest worden opgelost. Het doel is dat bedrijven in 1995 een milieuverantwoorde mestafzet moeten hebben. Als bedrijven die dan niet hebben, moeten ze hun veestapel verkleinen.

Voorts werd afgesproken dat in het jaar 2000 het mestoverschot geheel verdwenen moet zijn. Om te kijken of deze doelstellingen kunnen worden gehaald, zal er in 1992 een evaluatie van de mestproblematiek plaatsvinden. Deze doelstellingen van de overheid werden door het bedrijfsleven gesteund.

Beest

Het huidige mestbeleid heeft zeker resultaat gehad, want dank zij het onderzoek van de overheidsinstituten en het bedrijfsleven is de door de mest veroorzaakte milieuverontreiniging al behoorlijk verminderd. Dit geldt zowel voor de vervuiling door het teveel aan mineralen als voor de ammoniak.

Het mineralenoverschot is allereerst verminderd door een verbetering van het veevoer en bij voorbeeld nauwkeuriger voertechnieken. De gedachte hierbij is dat als je minder in een beest stopt, er ook minder uitkomt.

Om de mineralen beter onder controle te houden, worden boeren vanaf 1995 verplicht om een mineralenbalans bij te houden. Hierin wordt weergegeven hoeveel mineralen het bedrijf binnenkomen via het voer en hoeveel mineralen het bedrijf verlaten via de mest of de geproduceerde produkten als vlees of melk. Uit het verschil tussen de 'invoer' en 'uitvoer' blijkt hoeveel mineralen er op het bedrijf verloren zijn gegaan.

Een tweede oplossingsrichting is de distributie van mest van bedrijven met een overschot naar bedrijven met behoefte aan mest. Om hierin te bemiddelen, is er een Mestbank opgericht. De distributie van mest loopt volgens een woordvoerder van het Landbouwschap goed. Van het overschot van zo'n zestien miljoen ton in 1990 (de Mestbank hanteert een hoger overschotcijfer dan het ministerie van landbouw) werd vorig jaar veertien miljoen ton afgezet in de eigen regio van het bedrijf.

Daarnaast werd 1,5 miljoen ton vervoerd van gebieden met een overschot naar gebieden zonder overschot, waar met name akkerbouwbedrijven zijn gevestigd. Een deel van de mest —vooral pluimveemest— wordt bovendien ook in het buitenland verkocht. Het gaat hierbij om 100.000 kilo.

Mestfabrieken

Een derde speerpunt om de mineralenoverschotten te verkleinen, is de industriële mestverwerking. De bedoeling is dat de mestfabrieken de overtollige mest verwerken en de daaruit gevormde produkten verkopen. De produkten die deze fabrieken maken, bestaan voor een klein deel uit veevoer en voor het grootste deel weer uit mest, maar dan in de vorm van een korrel, die met kunstmest zal moeten concurreren.

Er zijn inmiddels al heel wat proefprojecten voor mestverwerking aan de gang, maar echt grootschalige verwerking vindt nog nauwelijks plaats. Dit komt doordat de financiering van de mestfabrieken nog niet rond is. Mestverwerking kost namelijk meer geld dan de produkten die uit de mestfabriek komen opbrengen.

Een deel van het geldprobleem werd vorig jaar opgelost toen de regering toestemming van de EG kreeg om 35 procent van de investeringen te subsidiëren. Maar voot een andere —belangrijker— financieringsbron heeft de Gemeenschap nog steeds geen toestemming gegeven. Dit betreft het plan om mestheffingen in te voeren.

Volgens dit plan, dat is opgesteld door de commissie-De Bekker, moeten de veehouders met een mestoverschot voor de aan de fabriek geleverde mest een heffing betalen. Met deze heffingen moet de bouw en exploitatie van de fabrieken voor een groot deel worden gefinancierd. Het Landbouwschap moet deze heffing gaan innen en vervolgens via de Mestbank aan de mestfabrieken beschikbaar stellen.

De mestheffing is echter nog steeds niet ingevoerd, omdat de Europese Gemeenschap daarvoor geen toestemming geeft. De reden daarvan is volgens woordvoerder B. Oggel van het Landbouwschap dat de Gemeenschap denkt dat de mestheffing leidt tot oneerlijke concurrentie in de EG.

„De Europese Gemeenschap denkt namelijk dat het Landbouwschap een overheidsorgaan is en, de EG vindt dat de betrokkenheid van de Nederlandse overheid met 35 procent investeringssubsidie al groot genoeg is. Vandaar dat de EG de aanvraag om een heffing te mogen opleggen voorlopig heeft afgewezen. De EG wil eerst,onderzoeken wat andere lidstaten van de heffing vinden. Over de resultaten van dit onderzoek valt nog niet veel te zeggen. Maar wij zijn optimistisch gestemd, omdat de EG-ambtenaren er inmiddels van overtuigd zouden zijn dat het hier niet om overheidsgeld gaat, maar om geld van de boeren", aldus Oggel.

Het Landbouwschap heeft haast met het invoeren van de heffing, omdat het kabinet heeft bepaald dat de verwerkingscapaciteit van de fabrieken in 1995 minimaal zes miljoen ton moet zijn. Voorts is ook afgesproken dat in 1992 gekeken zal worden of deze zes miljoen ton kan worden gehaald. Zo niet, dan zal het kabinet extra maatregelen treffen. Vandaar dat het Landbouwschap snel deze heffing wil, want zonder deze heffing komen de fabrieken niet van de grond.

Op dit moment is er ^chter nog maar één mestfabriek in werking, namelijk Promest in Helmond met een capaciteit van 350.000 ton per jaar. De financiering van deze fabriek lukte wel, omdat de boerenorganisatie de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond garant stond voor het geld.

Buitenlucht

Op het gebied van de terugdringing van de uitstoot van ammoniak zijn ook al heel wat resultaten geboekt. Zo wordt de ammoniakemissie tegengegaan door de aanpassing van het eiwitgehalte in het veevoer. Daarnaast zoekt men naar manieren om de mest bij het verspreiden over het land zo kort mogelijk met de buitenlucht in aanraking te laten komen, zodat er zo min mogelijk ammoniak kan vrijkomen. Dit kan bij voorbeeld door de mest direct in de grond te brengen met behulp van een mestinjectie-machine of door de mest met behulp van water in te regenen.

Verder wordt de ammoniakemissie beperkt door verbetering van de silo's waarin de mest wordt opgeslagen en door betere mestafvoersystemen in de stallen te installeren. Zo wordt in bij voorbeeld de legpluimveehouderij de mest in de stal op een mestbank gedroogd en vervolgens afgevoerd. Hiermee wordt een vermindering van de ammoniakemissie bereikt van ongeveer 70 procent.

Inkrimping

Bij het zoeken naar manieren om het mestoverschot te verminderen, is de meest ingrijpende maatregel nog niet toegepast, namelijk een inkrimping van de veestapel. Uit de hoek van vooral het ministerie van tijdelijk in te krimpen. Daartoe wordt wetgeving voorbereid.

Woedend

Door het bedrijfsleven is woedend gereageerd op de plannen van het kabinet. De voorzitter van de landbouworganisatie KNLC, M. Varekamp, bestempelde de plannen als „absoluut onaanvaardbaar". Vooral het dreigen met een inkrimping van de veestapel is voor de boeren niet verteerbaar.

Het is echter niet alleen de inhoud van de voorstellen die grote kritiek oproept, ook het feit dat de regering met de plannen vooruitloopt op de afgesproken evaluatie in 1992 heeft kwaad bloed gezet bij

Volgens KNLC-voorzitter Varekamp worden de huidige inspanningen van het bedrijfsleven om de mestverontreiniging terug te dringen door het aanscherpen van de regels gefrustreerd. „De plannen zouden zelfs averechts kunnen werken. De veehouders worden namelijk steeds geconfronteerd met nieuwe regels en dat zou ze wel eens kunnen doen besluiten om niet meer aan het mestbeleid mee te werken", zo stelde Varekamp onlangs. Uit ongenoegen over de plannen van het kabinet hebben de boeren al met acties gedreigd.

Nog twee weken
zich meebrengt, is nog steeds niet Foto RD

De kritiek van de landbouworganisaties heeft minister Bukman van landbouw echter niet kunnen overtuigen. Volgens hem is ingrijpen noodzakelijk. De bewindsman maakt zich vooral ernstige zorgen over de trage ontwikkeling van de industriële mestverwerking, want die ligt volgens hem niet op schema. Bukman betwijfelt sterk of de zes miljoen in 1995 wel kan worden gehaald. Vandaar dat hij nu maatregelen wil treffen en niet wil wach-' ten op de evaluatie in 1992. „Ik denk dat het handiger is nu alvast bij te sturen, want je moet voorkomen dat de problematiek zich nog verder verscherpt", aldus Bukman in een interview. VROM en de milieubewegingen is herhaaldelijk aangedrongen om het aantal stuks vee te verminderen. Maar jarenlang waren met name het ministerie van landbouw en het landbouwbedrijfsleven ervan overtuigd dat een vermindering van het aantal stuks vee niet nodig was. Men vertrouwde erop dat een technische oplossing van het probleem mogelijk was.

Door de genomen maatregelen daalde het mestoverschot van 13,82 miljoen ton in 1989 naar 13,6 miljoen ton in 1990. In het kabinet namen ondertussen de twijfels over de haalbaarheid van de doelstellingen van het mestbeleid toe. De regering vreesde dat de huidige maatregelen niet voldoende waren om het mestprobleem onder de knie te krijgen. Vooral omdat de grootschalige mestverwerking eigenlijk

De landbouwminister heeft zich wel bereid getoond met het bedrijfsleven te praten over de nadere invulling van de maatregelen. Zo moet onder meer worden vastgesteld wat nou precies de schone gebieden zijn en hoeveel mest er uiteindelijk in deze gebieden mag worden uitgereden. Bukman en zijn collega Alders van milieubeheer willen dat er in de schone gebieden, niet meer mest wordt uitgereden dan de gewassen kunnen opnemen. Welke landbouwkundige normen daarbij gehanteerd moeten worden, moet nog worden vastgesteld.

Voordat Bukman en Alders echter verder gaan met de uitvoering van hun voorstellen, hebben ze het bedrijfsleven nog een maand de tijd gegeven om aan te tonen dat de afgesproken doelstellingen voor 1995 en 2000 kunnen worden gehaald zonder de scherpere regels. HierVeestapel X1000 45.000 40.000 35.000 30.000 25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 1960 1970 1980 1990 Bron: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij niet snel genoeg van de grond kwam. Vandaar dat het kabinet besloot om het beleid aan te scherpen. Twee weken geleden presenteerden minister Bukman van landbouw en minister Alders van VROM daartoe een aantal strengere maatregelen aan het Landbouwschap.

Met deze maatregelen wil de regering allereerst voorkomen dat de mestproduktie nog verder toeneemt. Of populair gezegd: de schone gebieden moeten schoon blijven en de vuile gebieden mogen niet nog vuiler worden. Om te voorkomen dat de mestproduktie in de huidige overschotgebieden nog verder toeneemt, mogen veehouders hun ongebruikte mestrechten niet verhandelen.

Niet op tijd

Verder wil het kabinet verhinderen dat de intensieve veehouderij zich onder druk van het milieubeleid verplaatst naar de gebieden in Nederland die nog schoon zijn. Daartoe worden de grondgebonden produktierechten, momenteel 125 kilo fosfaat per hectare, verlaagd. Met hoeveel is nog niet bekend. Bovendien worden in de schone gebieden de normen voor het uitrijden van mest versneld aangescherpt.

Een ander ingrijpend voorstel heeft betrekking op de industriële mestverwerking. Als namelijk mocht blijken dat de verwerking van de zes miljoen ton mest in de fabrieken niet op tijd van de grond komt, wil het kabinet maatregelen kunnen treffen om vanaf 1995 de veestapel in de overschotgebieden voor hebben de landbouworganisaties en het Landbouwschap nu nog twee weken de tijd.

Akkoord

Het bedrijfsleven is momenteel druk bezig om alle initiatieven in kaart te brengen die er op zijn gericht het mestprobleem te verkleinen. Inmiddels heeft het Landbouwschap al toegegeven, dat de verwerking van zes miljoen ton mest in 1995 niet haalbaar is.

Het schap werkt ondertussen aan een alternatief plan om toch uit te komen op zes miljoen ton. Volgens dit plan verwerkt de landbouw in 1995 vijf miljoen ton mest in de fabrieken en een miljoen ton wordt op een andere manier weggewerkt. Voor wat betreft dit laatste denkt het Landbouwschap aan het minder voorkomen van fosfaat in mest, het verplicht uitvoeren van achttien miljoen kilo fosfaat via export van droge pluimveemest en het reserveren van geld voor de bouw van industriële mestverwerking.

Het is nog onduidelijk of het kabinet met de plannen van het Landbouwschap in zal stemmen. Te hopen is evenwel dat er een akkoord kan worden gesloten dat, concreter dan tot nu toe is gedaan, aangeeft hoe de afgesproken doelstellingen moeten worden bereikt en wat er moet gebeuren als dit niet lukt. Daar heeft zowel de overheid als het bedrijfsleven belang bij, omdat het duidelijkheid schept. En zo'n akkoord is ook gunstig voor het milieu, omdat bij het terugdringen van de vervuiling met samenwerking meer kan worden bereikt dan met een conflict.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 oktober 1991

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

'Bruine motor' zet Nederlands wereldrecord in ander daglicht

Bekijk de hele uitgave van woensdag 2 oktober 1991

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken