Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belgen duiken naar Nederlands VOC-schip

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belgen duiken naar Nederlands VOC-schip

Wetenschappelijke stichting wil niet vergeleken worden met Engelse „schatgravers"

12 minuten leestijd

GENT/VLISSINGEN - Rond zeven uur op 3 februari 1735 werden op de Anna Catharina de masten gekapt en na het lossen van nog eens twee waarschuwingsschoten verdween het schip in de golven. Daarmee was het lot van dit VOC-retourschip bezegeld, evenals dat van de bemanning. Ruim 255 jaar later is het wrak aan de vergetelheid ontrukt. Hoewel Nederlandse overheidsinstanties nog steeds betwijfelen of Belgische duikers inderdaad de Anna Catharina hebben gelokaliseerd, zijn de betrokkenen daar zelf vrij zeker van. Archeologische vondsten ondersteunen die mening. Niet iedereen is blij met de Belgische speurneuzen. De Stichting Behoud Onderwaterschatten Zeeland (BOZ) is bang voor schatgraverij.

De Anna Catharina was een van de twee schepen die in 1735 in opdracht van de Zeeuwse kamer van de VOC naar de Oost zouden vertrekken. Het Vliegend Hart was het andere. De lengte van de Anna Catharina bedroeg 130 voet. Naast drie kisten met realen en dukaten op het Vliegend Hart hadden ook de scheepsofficieren zelf nog het nodige 'handelsgeld' bij zich. Op de Anna Catharina zal dat niet veel anders geweest zijn. Wekenlang moesten beide schepen wachten op een gunstige wind om uit te kunnen varen. Voor de opvarenden was dat nadelig. Er werd namelijk pas gage berekend vanaf het moment dat het schip buitengaats was. 

Op de ochtend van de 3e februari klaarde het weer op en er werden  maatregelen genomen voor de afvaart.  Vroeg in de middag stak er echter een sterke noordoostelijke wind op. Bovendien was het die dag springtij. Het loodsschip Mercurius ging voorop. Zonder te wachten op de komende vloed zeilde men richting de zandplaat tussen de Drooge Raan en de Noorder Rassen, het huidige Zuid-Beveland. De Anna Catharina raakte het eerst vast. Met kanonsschoten werden de beide andere schepen gewaarschuwd. Het mocht niet baten; het Vliegend Hart raakte een kwartier later even eens de drempel.

A. J. van der Horst, verbonden aan het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, beschrijft in zijn boek "Met geen drooge oogen om tesien" (De Bataafse Leeuw, Amsterdam): „Rond zeven uur werden op de Anna Catharina de masten gekapt en na het lossen van nog twee schoten verdween het gehele schip in de golven". Met dit schip was het definitief gebeurd. Ondanks latere zoekacties werd het nooit teruggevonden. Wel spoelde een deel van de lading aan. Dat laatste was ook het geval met het Vliegend Hart. Bovendien werden kort na de ramp bergingspogingen ondernomen. Daarbij werden 700 flessen rode en witte wijn en een ijzeren kanon gevonden.

Goud

Vanaf 1980 wordt er onder leiding van de Engelse 'avonturier' Rex Cowan opnieuw gedoken naar het Vliegend Hart. In 1983 werden duizenden Mexicaanse realen en 2000 gouden dukaten gevonden. Volgens Van der Horst, die vanaf het begin bij de duikacties is betrokken, stagneerde het onderzoek door de verhitte debatten over de verdeling van de vondst.

Hoewel een klein deel van de vondsten aan het Stedelijk Museum in Vlissingen werd geschonken, nam kritiek uit wetenschappelijke hoek op de opgravingen van de Engelse bergers steeds meer toe. Het stempel "schatgraverij" draagt de North Sea Archeological Group van Rex Cowen nog steeds met zich mee. Officieel moet alle vondsten geregistreerd worden. Het vermoeden bestaat dat een Rental waardevolle munten illegaal wordt verkocht. Belgische wetenschappers bevestigen dat.

Doeke Roos, maritiem geschiedschrijver en voorzitter van Behoud Onderwaterschatten Zeeland een stichting die zelf ook onderzoek verricht naar eeuwen oude wrakken, maakt zich nog steeds kwaad over de piraterij van de Engelsen. Diezelfde vrees heeft hij ook voor de onderzoeksmethoden van de Belgen die zeggen de Anna Catharina gevonden te hebben. Th. Maarleveld, hoofd van de afdeling onderwaterarcheologie van de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek), deelt die visie niet. Hij is overtuigd van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de methode van de zuiderburen.

Ouder schip

Het onderzoek naar de Anna Catharina is vorig jaar gestart en ondergebracht in de Stichting VOC Anna Catharina. Doelstelling van de organisatie is het schip op archeologische wijze bergen en het inrichten van een parmanente tentoonstelling. BOZ en ROB vermoeden dat er een veel ouder schip is gevonden dan de Anna Catharina. Zeventiende-eeuwse vondsten lijken dat te ondersteunen. De Gentse historicus J. Parmentier, bestuurslid van de stichting, maakt duidelijk hoe dat komt. „De resten van twee schepen liggen door elkaar. Dat het om de Anna Catharina gaat, is voor 75 procent zeker. Het andere schip is waarschijnlijk een oudere koopvaarder".

Een reder uit Zeebrugge maakt, eveneens deel uit van het onderzoelksteam. In 1985 constateerde hij dat duikers van Rex Cowen de kust van de havenplaats afzochten naar de Anna Catharina. Die groep had in eerste instantie een concessie gekregen voor beide schepen. Vanaf 1988 ging de Zeebruggenaar zelf op onderzoek uit; met zichtbaar meer resultaat. Hij wist een groep deskundigen en wetenschappers om zich heen te verzamelen, wat uiteindelijk resulteerde in de oprichting van de Stichting VOC Anna Catharina.

Toestemming

Aan de Nederlandse ministeries van financiën en WVC werd toestemming gevraagd voor het onderzoek. Indien het inderdaad de Anna Catharina betreft, is dat nodig. De Nederland overheid is erfgenaam van alle VOC bezittingen. Zo'n 25 procent van de vondsten moet afgedragen worden aan het Rijk. Deskundigheid is volgens onderwaterarcheoloog Maarleveld van het ROB voldoende gewaarborgt.  Zelf is de dienst voorlopig nog een tijdje zoet met opgravingen op de bodem van de Noordzee bij Texel. Wel wordt regelmatig een bezoek gebracht aan de Belgen. Bovendien zijn die verplicht ieder jaar een rappor over de onderzoeksresultaten te overleggen aan het ROB.

De stichting Behoud Onderwaterschatten Zeeland had zelf graag del genomen an het Belgische onderzoek. "We hebben bij hen zo'n verzoek ingediend" vertelt Roos. "Maar daar is nooit meer iets van gehoord. Waarschijnlijk houdt men niet van Nederlandse pottekijkers. We hoopten dat het ministerie van WVC aan de Belgen de voorwaarde zou stellen ons te laten participeren. Men had hiermee vertrouwen in ons kunnen uitspreken. Dat is neit gebeurd en daar hebben wij grote moeite mee".

Parmentier bevestigd dat BOZ inderdaad zijn diensten heeft aangeboden. „Maar we hebben nu een klein, professioneel en goed geolied team. Het is moeilijk dan anderen mee te laten doen. Roos is een soort leidersfiguur en dat kan problemen geven. Bovendien hebben zij zelf nog niets gevonden". Volgens Maarleveld was de wens van BOZ „niet reëel. Ze zitten op grote afstand van Zeebrugge. Onze afdeling blijft er als adviseur bij bij betrokken, dat is voldoende".

Professioneel

Het verwijt van Roos dat de Belgen niet voldoen aan de archeologische randvoorwaarden, wijst Maarleve van de hand. "Zij pakken het vrij goed aan, zoals professionele archeologen dat doen. Er wordt met ons regelmatig overlegd en ze luisteren naar onze adviezen. Probleem is, dat er inderdaad geen officiële archeoloog bij betrokken is. Aan de andere kant is er sprake van een wetenschappelijke instelling. Het is bovendien een stichting zonder winstoogmerk. Overigens kunnen amateurs met serieuze bedoelingen ook waardevolle bijdragen leveren. Indien dit net zo'n ploeg zou zijn als die van Rex Cowen, dan hadden we geen toestemming gegeven. De Engelsen hebben nauwelijks andere intenties dan schatgraverij.

Volgens Parmentier is er wel degelijk deskundigheid aanwezig binnen de stichting . Behalve een kunsthistoricus die tevens landarcheoloog is, maakt ook een chemicus deel uit van het team. Hij conserveert de vondsten. Voor het historisch onderzoek aan het determineren van de vondsten zorgt Parmentier zelf. Hij is verbonden aan de Universiteit van Gent. Verder wordt gebruik gemaakt van professionele duikers.

Woeste verhalen

Roos is niet onder de indruk. "De Belgen hebben woeste verhalen en zeggen: Wij beschikken over deskundigheid. Maar dat is niet waar. Ik denk dat ik meer weet over wat zich in de Scheldemond heft afgespeeld. Daar heb ik ook een boek over geschreven. Zij denken dat ze de Anna Catharina gevonden hebben. Ik geloof dat niet. Ze zijn verkeerd bezig, door heel nadrukkelijk te zeggen dat het zo is. Wat al te voorschijn is gekomen is geen 18e-eeuws materiaal maar veel ouder. Welk schip ze wel hebben gevonden weet ik niet, maar er is altijd al drukke koopvaart geweest in de Sceldemond. Het complete wrak van Anna Catharina kan daar in ieder geval nooit liggen, want tijdens de ramp is het schip in stukken geslagen.

Ze zoeken natuurlijk naar dè kist en ze denken alleen aan gevulde vitrines. Dat is het doel. Hun geldschieter is waarschijnlijk gecharmeerd van het V0C-schip".

Roos denkt overigens dat niet de Belgen maar hij zelf de juiste locatie van de Anna Catharina heeft gevonden. „Volgens oude archieven zitten zij te zuidelijk. Wij zijn ook bezig en zitten veel dichter in de buurt. Als uit ons onderzoek blijkt dat het inderdaad om de Ana Catharina gaat, dan vragen wij de concessie aan". Een andere woordvoerder van BOZ laat later echter via Parmentier weten dat het door hen gevonden schip niet de Anna Catharina is.

De andere verwijten van Roos uit hij richting Maarleveld. „Die is zelf nog nooit bij de opgraving in Zeebrugge geweest. Hij zegt dat alleen om zijn handen vrij te hebben in Texel. Als dit inderdaad de Anna Catharina is dan zijn beide schepen, inclusief het Vliegend Hart, voor Zeeland verloren".

Moeilijk

Maarleveld deelt alleen de scepsis ten aanzien van het juiste schip. "De gevonden resten maken duidelijk dat het gaat om en veel ouder exemplaar dan de Anna Catharina. Maar ook dat is interessant. Tot nog toe is slechts een klein deel van het oppervlak onderzocht". Hij bevestigd dat het schip in stukken is geslagen. "Veel wrakmateriaal is na de ramp op de kust terechtgekomen. Maar het is goed mogelijk dat een aanzienlijk deel van de Anna Catherina op èèn plaats ligt.

De onderwaterarcheoloog benadrukt dat het moeilijk is gezonken schepen na verloop van tijd te lokaliseren. "Buitenstaanders zeggen: Het schip is gezonken, dus moet het ook te vinden zijn. Dat is onjuist. Het gaat er niet om waar het schip gezonken is, maar waar het ingekapseld kan zijn  in de bodem. Bovendien is er vaak veel weggeërodeerd. Gebieden waar dat overigens minder snel gebeurt zijn het Wad, de Zeeuwse Voordelta en de Vlaamse banken. De resten bevinden zich veelal achttien tot twintig meter in de bodem".

Volgens Maarveld kan het tien jaar duren voordat een schip is afgegraven. "De ploeg in Zeebrugge is zich bewust van zijn verantwoordelijkheid. Ze gaan door, ook als blijkt dat het niet de Anna Catharina is. Of dat ook het geval is als er helemaal niets wordt gevonden, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Dat is moeilijk in te schatten. Er wordt met vrijwilligers gewerkt. Dat garandeert niet echt continuïteit". De mening van Roos dat ook de Anna Catharina nu voor Nederland verloren is, onderschrijft Maarleveld niet. „Indien de vindplaats op een juiste manier onderzocht wordt, er een goede publikatie plaatsvindt, de vondsten bijeen blijven en eventueel in bruikleen worden afgestaan, dan is er niets verloren. Wij werken aan die toezegging".

Apart museum

Dat de totale verzameling bij elkaar moet blijven, vindt ook Parmentier. „Mogelijk komt er een apart museum of wordt er een ruimte binnen een museum in bij voorbeeld Brugge gereserveerd. Dat ligt dicht bij de Nederlandse grens. Dat betekent dat het schip niet verloren is voor Nederland. Dat zou wel het geval zijn geweest indien een commerciële instantie met de Anna Catharina aan de slag zou zijn gegaan, zoals bij voorbeeld met het Vliegend Hart. Resten daarvan zijn over de hele wereld verspreid".

Volgens de historicus ligt de Anna Catharina op een locatie waar straks pijpleidingen komen te liggen. Dat betekent dat er niet langer gewacht kon worden met de opgravingen. Hij geeft toe dat er in België geen ervaring bestaat met het bergen van historische schepen. „Voor ons is dit een uniek project. Praktische ervaring hebben we opgedaan in Nederland. We hopen dat ons onderzoek uiteindelijk resulteert in de oprichting van een soortgelijke dienst als in Nederland. Er is genoeg te doen. Er liggen honderden schepen voor onze kust".

In tegenstelling tot de Nederiandse twijfelaars, is Parmentier er wel van overtuigd dat het hier om de Anna Catharina gaat. Honderd procent zekerheid heeft hij niet. Dat is er pas als het beeldmerk van het schip op een van de vondsten wordt aangetroffen. Ook munten kunnen een aanwijzing in die richting geven. De locatie klopt in ieder geval aardig met de historische bronnen. „Het schip moet zo'n 5 kilometer uit de kust van Zeebrugge gezonken zijn. Dat blijkt uit aangespoelde wrakstukken waar melding van wordt gemaakt. Correspondentie daarover is volledig bewaard gebleven in Belgische archieven".

Omdat er geen cargolijsten te vinden zijn van de Anna Catharina, is controle op deze wijze vrij lastig. Wel is er een overzicht van de uitrusting. De kanonnen van het schip, die inmiddels gelokaliseerd zijn, kunnen mogelijk meer duidelijkheid verschaffen. De belangrijkste vondst tot nu toe is een bijzondere passer. „Historisch gezien is dat meer waard dan een hoeveelheid munten".

Goud en zilver

Parmentier denkt dat het gevonden stuk het voorschip van de Anna Catharina is. Daar moet een deel van de lading in zitten. Daar bevinden zich naar verwachting ook de zilveren en gouden munten. „Als we die tegenkomen is dat prima, maar het is niet onze opzet. We gaan rustig door, stap voor stap, ook als er geen geld wordt gevonden. Het is zo al interessant genoeg".

Het onderzoek, dat minimaal zeven jaar gaat duren, wordt bemoeilijkt door het beperkte zicht op de zeebodem en de aanwezigheid van een ouder schip, een koopvaarder uit eind 16e eeuw. De Belgische historicus meent dat dit laatste vaartuig wel eens interessanter kan zijn dan de Anna Catharina. Over de VOC-schepen is al vrij veel bekend. Zelfs Romeinse voorwerpen zijn er op de zeebodem ter plaatse gevonden.

Voor de grote geheimzinnigheid rond het project vorig jaar en de terughoudendheid richting pers heeft Parmentier een duidelijke verklaring. „We hadden toen nog geen zekerheid dat het ging om de Anna Catharina en door een vroegtijdige publikatie werden onze mensen achtervolgd door de internationale pers. Zelfs Rex Cowen is op bezoek geweest. Hij wilde met ons samenwerken op commerciële basis en de vondsten verkopen. Daar zijn we niet op ingegaan".

De kosten die de stichting maakt bedragen rond de 6 à 7 miljoen gulden. Twee grote sponsors en een aantal kleinere staan voor dat geld garant. Inmiddels is het duikseizoen weer begonnen. Voorlopig is men nog druk met het 'schoonmaken' van de 300 vierkante meter grote locatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 mei 1992

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Belgen duiken naar Nederlands VOC-schip

Bekijk de hele uitgave van woensdag 6 mei 1992

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken