Bekijk het origineel

Knobbelzwanen kunnen veel last bezorgen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Knobbelzwanen kunnen veel last bezorgen

Sinds wij niet meer op zwanedons slapen, heeft verwilderde graseter zich overal gevestigd

5 minuten leestijd

Op sommige plaatsen In het water- en weidegebied zien we na de zomer grote concentraties knobbelzwanen. De boeren vinden dat niet prettig. De vogels eten gras en bevuilen het weiland. Hun sterk toegenomen aantal geeft problemen. Vijftig jaar geleden kwam deze soort slechts zelden als wintergast bij ons voor. Nu leven half wilde knobbelzwanen gedurende het hele jaar in de waterrijke gebieden.

Knobbelzwanen zijn prachtige vogels die echt passen in vijvers van parken en in grachten bij kastelen. Door de manier waarop een zwaan op het water drijft, heeft hij een imponerende houding. Die indruk wordt nog versterkt als hij zij n vleugels los van het lichaam enigszins omhoog zet, waardoor hij als een levend zeilbootje over het water glijdt. Daarbij komt nog de romantische sfeer waarmee kinderen reeds kennismaken wanneer ze met moeder in het stadspark wandelen. De houding van een zwaan is echter niet altijd zo lieflijk. Een nijdige zwaan, die met een sissend geluid en dreigend gestrekte hals zijn nest of jongen verdedigt, maakt een felle indruk. Als hij wordt belaagd, is de knobbelzwaan echt agressief.

Ingevoerd

De naam van deze zwaan duidt op de zwarte knobbel op de rode snavel. De knobbelzwaan is reeds in de twaalfde eeuw vanuit de streek rondom de Middellandse Zee naar West-Europa gebracht. Er is een verhaal bekend over Richard Leeuwenhart, die de eerste van Cyprus zou hebben meegebracht als een souvenir van een van zijn kruistochten. Ridders hielden in die tijd de prachtige zwanen graag in de slotgrachten van hun kastelen. Die grote vogels gaven daaraan een bijzondere sfeer. In die tijd mocht niet iedereen zwanen houden. Alleen de adel had het recht op een zogenaamde "zwanendrift". Wie het legsel van de zwanen verstoorde of een zwaan doodde, werd streng gestraft. Uit een "Plakkate gegeven in de Hage onder het Segel van het Geregt, gedruckt den 24 Somermaand 1608" blijkt dat dit toen vaak gebeurde.

Het is niet meer mogelijk om een scherp onderscheid te maken tussen zuiver wilde en oorspronkelijk tamme knobbelzwanen. De wilde zijn uiterst schuwe vogels, die in Oost-Europa leven op grote meren en langs rivieren. In ons land broedden de eerste paren omstreeks 1930 in de omgeving van Giethoorn, Genemuiden en in het Naardermeer. Zeer waarschijnlijk zijn dat verwilderde zwanen geweest, dus geen immigranten uit hun oorspronkelijke leefgebieden.

In 1948 werd echter bij Kampen een broedgeval vastgesteld van een wilde en een tamme knobbelzwaan. In het Zwarte Meer telde men in 1949 meer dan twintig zwanen en in 1956 broedden daar reeds twintig paren. In de jaren zestig nam hun aantal snel toe, doordat de handel in zwanedons niet meer lonend was. De zwanenhouders hechtten toen geen waarde meer aan de jonge dieren. Die werden niet meer geleewiekt en ontsnapten. Deze tamme vogels vestigden zich in de omgeving van de mensen, in kunstmatige biotopen zoals kanalen, kleiputten en sloten. Omstreeks 1975 werden in ons land 2500 broedparen geteld. Volgens de "Atlas van de Nederlandse vogels" waren dat er vijfjaar geleden ongeveer 3000-4000.

Gespreide rui

De broedvogels zijn trouw aan hun territorium; zij blijven daar vrijwel het gehele jaar als zij niet door strenge vorst verdreven worden. De meeste oude vogels ruien ook in hun broedgebied tijdens de broedperiode. T. A. Renssen schreef over dit opvallende gedrag in "Vogels", mei-juni 1981. Van het vrouwtje begint de rui ongeveer een maand nadat er jongen zijn. Zij verliest dan ook de slagpennen, waardoor ze tijdelijk niet kan vliegen. Van het mannetje begint de rui pas als de slagpennen van het vrouwtje weer bijna geheel zijn gegroeid. Steeds kan dus een van' de oude vogels de jongen verdedigen.

De niet-geslachtsrijpe jonge vogels en broedvogels waarvan het broedsel is mislukt, verenigen zich voor de rui in grote groepen. Van juni tot in september zijn er grote concentraties zwanen langs de dijken van het IJsselmeer, op het Ketelmeer en in de wateren van Zeeland. Als de herfst begint, verdwijnen de groepen van het IJsselmeer. In de Grevelingen blijven ze wel lang aanwezig. Men vermoedt dat de grote hoeveelheid zeegras de dieren aan die voedselbron bindt.

Gehoortenbeperking

De knobbelzwaan veroorzaakt nogal wat schade. In "De jacht in Nederland" schreef Antonisse twintig jaar geleden: „De knobbelzwaan kan een ernstige voedselconcurrentie teweegbrengen op water dat oorspronkelijk slechts werd bevolkt door wilde zwanen en duikeenden. Vooral doordat de knobbelzwaan als standvogel het gehele jaar door de "onder-waterweiden ' afgraast, is er 's winters weinig over voor bovengenoemde vogels. Ontegenzeggelijk verfraait deze vogel het landschap, maar zijn positie in de vogelhuishouding moet toch ernstig worden bestudeerd".

Deze uitspraak is voor zover ik weet niet bewezen. Wim Ruitenbeek schreef tien jaar geleden in "Argus": „Ernstiger voor de bescherming van de soort zijn de klachten van boeren over schade die knobbelzwanen zouden aanrichten. Klachten over schade door andere soorten overwinterende zwanen en ganzen zijn meestal ongegrond, omdat de meeste soorten begin maart verdwijnen, vóór het gras weer gaat groeien. Met de knobbelzwaan is dat helaas niet zo. Klachten betreffen niet alleen de consumptie van gras, maar ook het vertrappen en met mest bevuilen van het gewas".

Ik vind het advies dat Ruitenbeek destijds gaf een verantwoorde manier om het aantal knobbelzwanen in toom te houden. Hij schreef: „Het doden van knobbelzwanen is voor het beperken van het bestand echter niet nodig. De beste methode is namelijk geboortenregeling door beperking van het aantal eieren per nest. Hier en daar gebeurt dit al. De knobbelzwaan is een van de weinige dieren waarbij regulatie via 'abortus' heel goed mogelijk is. De nesten zijn zeer eenvoudig te vinden".

Een halve eeuw geleden hadden de boeren op hun landerijen geen overlast van grasetende vogels. Toen waren er niet veel verwilderde zwanen en overwinterden er nog niet veel ganzen in ons land. Nu zijn van beide soorten vogels de aantallen in de winter zo toegenomen dat het noodzakelijk is om het belang van de boeren eerlijk af te wegen tegen de idealen van vogelbeschermers. Het kan op een manier die voor beide belangengroepen aanvaardbaar is.





















Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1992

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Knobbelzwanen kunnen veel last bezorgen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1992

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken