Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een timmerman delend in de zegen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een timmerman delend in de zegen

Net als Maria stelt Jozef zich in stil geloof beschikbaar voor de hoge roeping, die zijn leven zal tekenen

17 minuten leestijd

Op de Middelaarsweg van Maria's Kind ontmoeten wij allerlei mensen die geroepen en in dienst gesteld worden tot volvoering van Gods heilsplan. Rondom het kruis zien wij Judas, Pilatus en vele anderen, die allen hun taak en plaats hebben in de stervensgang van Christus. Zij worden ingeschakeld in het heilig 'moeten' van Jezus' doodsweg, waarop de Schrift vervuld wordt. Zij dienen Gods heilsraad, als het heilig rechtsgeding tussen de Vader en de Zoon gerealiseerd wordt. Daarbij treedt de een meer op de voorgrond dan de ander, maar niemand van hen kan ontbreken om de Zoon des mensen te doen heengaan gelijk van Hem geschreven staat.

Zo ook komen wij rondom de kribbe van Christus, waar Zijn kruisgang begint, verschillende figuren tegen die hun eigen plaats en roeping hebben wanneer het welbehagen Gods in het Kind van Bethlehem volvoerd gaat worden. Wij zien een Augustus en Herodes, een Zacharias en Elizabet, zelfs met hun nog ongeboren kind, dat al in 's moeders lichaam door de Geest wordt ingeschakeld en toegerust tot zijn grootste levenstaak, om de weg van het Kind van Maria te bereiden.

De Zoon des mensen gaat niet alleen heen naar de Schrift, maar komt ook in de weg der profetie. Want alles geschiedt tot vervulling van wat door God eeuwen geleden bij monde van de profeet gesproken is: „Ziet, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Immanuël". Ook bij Jezus' inkomst in de wereld blijft de een meer op de achtergrond dan de ander, maar het kan niet anders dan tot geestelijke schade zijn als wij juist ook die figuren op de achtergrond over het hoofd zien. Zij behoren er wezenlijk bij en zijn evenzeer van hogerhand aangesteld om de levensgang van Christus niet te bepalen, maar wel te begeleiden.

Stil en Sterk

Daartoe is ook Jozef geroepen en het is goed om op deze stille, maar sterke figuur uit de geboortegeschiedenis van Jezus de schijnwerper te richten. Het is heilzaam hem als uit de schemer te voorschijn te halen en in het volle licht te plaatsen. En welk licht kan dat anders zijn dan de uitstralende glans van Maria's Kind zelf. Dat ook het leven van Jozef beschijnt en bepaalt?

Net als Maria komt Jozef in dienst van het Kind van Bethlehem. Dat is een zeer verheven, maar tegelijk ook zware dienst, die alleen in het geloof vervuld kan worden. En dat is nu juist het stille, maar diepe geheim van Jozefs leven, evenzeer als van Maria. Het Kind kan immers alleen in het geloof ontvangen en gediend worden. Daarin zijn deze beide mensen dan ook hecht aan elkaar verbonden, een in het Kind, dat zij verwachten en ontvangen.

Veel wordt ons in de Schrift over Jozef niet meegedeeld. Het is te weinig om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Te weinig ook om de vrome fantasie te beteugelen. Die heeft immers niet genoeg aan hetgeen de Schrift genoeg vindt. Al vroeg heeft de legende zich van het leven van Jozef en Maria meester gemaakt. Men heeft Jozef in zijn relatie met Maria als een oude man voorgesteld en hem zelfs tot een seniele figuur gemaakt. De broeders en zusters van Jezus, die ons in het Evangelie worden genoemd, zouden voorkinderen van Jozef zijn geweest uit een eerste huwelijk. Maria was dan zijn tweede vrouw, met wie hij nooit gemeenschap gehad zou hebben. Op deze wijze poogde men het altijd maagd gebleven zijn van Maria te verklaren.

Weduwnaar

Overigens is deze opvatting al heel oud. Zij stamt reeds uit de eerste eeuwen van het christendom. Het zogenaamde "voor-evangelie van Jacobus", een apocrief geschrift uit de tweede of derde eeuw, beschrijft Jozef als een weduwnaar met kinderen, aan wie op Gods bevel de vlekkeloze jonge Maria wordt uitgehuwelijkt. Van alle weduwnaren uit het volk wordt hij op wonderbaarlijke wijze door het lot aangewezen en als verzorger van Maria aangesteld. Bevreesd neemt hij dan de „maagd des Heeren" onder zijn hoede.

Dit apocriefe evangelie heeft blijkbaar grote invloed gehad in de eerste eeuwen en wordt door de oudste kerkvaders tamelijk veelvuldig vermeld. Ook in andere apocriefe evangeliën wordt ons veel over Jozef verteld. De "Geschiedenis van Jozef, de timmerman", een Egyptisch boek uit de vierde eeuw, in het Koptisch geschreven, is zelfs geheel aan hem gewijd. Uitvoerig wordt daarin ook zijn sterven meegedeeld. Het kan dan ook niet verbazen dat naast de verering van Maria pok al in vroege eeuwen een aparte Jozef-cultus ontstaan is, waarin niet alleen zijn leven met allerlei wonderen werd omweven, maar ook zijn levenseinde met behulp van dwaze fantasieën werd uitgebeeld.

Overbodig is te zeggen, dat ook in de Rooms-Katholieke Kerk de Jozef-verering een zelfstandige plaats inneemt. Van verschillende landen en orden en verenigingen is hij patroon, terwijl hij ook als beschermheilige van de gehele kerk vereerd wordt.

Sober

Het is duidelijk, dat al deze opgesmukte verhalen en legenden het rechte zicht op Jozef benemen, en het beeld van zijn leven, zoals dat sober, maar diep in de Schrift getekend wordt, vertroebelen. Intussen mogen zij ons er niet toe brengen de Jozef-figuur zo goed als te veronachtzamen. Veelal is en wordt de aandacht der femeente te weinig betrokken op de verondiging die de Heilige Schrift ons over hem aanreikt.

Het moge weinig zijn wat de evangelisten ons over Jozef meedelen, het is meer dan genoeg om hem te leren kennen en ons door zijn leven en dienst te laten onderwijzen. Zij zijn de moeite van het overdenken waard. Jozef neemt een unieke plaats in in de heilsgeschiedenis, evenzeer als Maria. Zoals de positie en de levensroeping van de moeder des Heeren onvergelijkelijk zijn, zo geldt dat ook van Jozef Mag Maria de gezegende onder de vrouwen zijn, Jozef wordt wel zeer direct in deze zegen betrokken. Een uitzonderlijke taak wordt hem van Godswege toebedeeld, heerlijk en hoog, maar tegelijk haast onmogelijk om te volbrengen. Wordt hij niet geroepen vader te zijn van het Kind Dat zijn kind niet is? Niet omdat hij Maria's Kind adopteert -ook al neemt hij met Maria het Kind tot zich- maar omdat God Zelf hem tot zijn wonderlijke vaderschap verkiest en roept. Dat is inderdaad een grote genade, maar tevens een bovenmenselijke last, die niet in eigen kracht te dragen is. Het betekent de gemeenschap aan het kruis, de versmaadheid van de kribbe. Het brengt als bij Maria het zwaard met zich mee, het zwaard van het isolement, van het apart staan, van de onbegrepenheid, het zwaard van de verdenking en de verguizing. Niet alleen !n de dagen waarin hij onverwachts met het grote raadsel in zijn leven, met het komende moederschap van Maria, wordt geconfronteerd, maar zijn leven lang. Zijn weg is als de diepe geloofsweg van Abraham, die geroepen werd een hem onbekende weg te gaan, zonder te weten waar hij komen zou.

Duister

Ook dat was de weg van het offer, van de zelfverloochening; het was de weg van de gemeenschap aan Christus, de weg van de vreemdelingschap, die voor de vader der gelovigen tijdens zijn leven nooit geëindigd is. Die weg is ook Jozef gegaan, volgend waar God riep en hem de weg wees. Dat was de weg van het Kind, duister en raadselachtig.

Bepaald acceptabel is dit niet, waartoe Jozef geroepen wordt. Toch aanvaardt hij zijn opdracht. Is dat niet zijn stille geloof? Dat redeneert niet, het twijfelt niet, het aarzelt ook niet. Het luistert en het gehoorzaamt het woord dat gesproken wordt. En daarin stemt Jozef met Maria mee, in ootmoed en overgave. „Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar Uw woord". Ook hij stelt zich in stil geloof beschikbaar voor de hoge roeping die zijn huwelijk en zijn leven voortaan zal tekenen. Dan Komen alle vragen tot zwijgen en brengt het spreken Gods tot volgzaamheid.

En zo komen ze bij elkaar: Maria en Jozef Zo mogen ze elkaar vanuit het Woord ontvangen, en zo wordt nu in hun door het Woord geheiligde huwelijk het Kind ontvangen. Dat tot hen komt in de weg van het geloof aan de belofte Gods. Maria's Kind is geen buitenechtelijk kind, hoezeer Het ook de smaad ervan in Zijn leven heeft gedragen en daarin de zonde heeft verzoend. Hij is in de schoot van Zijn moeder ingegaan en ingedragen door de overschaduwing van de Heilige Geest, nochtans wil Hij geboren worden binnen de omtuining van het door God bedoelde en door het geloof geheiligde huwelijk. Hij stelt Zich onder het vaderschap van Jozef die dit gewillig aanvaardt.

Worsteling

Daar is intussen bij Jozef heel wat aan voorafgegaan. Hij moet een zware worsteling doorgemaakt hebben voordat hem van Godswege het licht is opgegaan. In die strijd staat ook Maria. Hoe kan zij met haar stil geloof spreken over het onbegrepen wonder dat zich in haar schoot voltrekt? Hoe kan zij Jozef duidelijk maken wat alleen de Geest vermag: Zijn eigen werk verklaren? Heeft zij in de onbegrepenheid van dit Geesteswerk niet Zelfhaat verlegenheid getoond en gezegd: „Hoe zal dat zijn, daar ik geen man beken?" Nee, Maria kan Jozef niet tot geloof brengen. Dat moet zij volstrekt uit handen geven, en zwijgen. Maar dat betekent voor haar dan wel smaad en verdenking. Is dat al niet de weg van haar Kind, Die onder laster .en verdachtmaking gezwegen heeft, en Die het geheim van Zijn hemels leven in Gods hand liet?

Maria weet Gods weg niet, maar Jozef evenmin. Een andere weg dan haar te verlaten, staat voor hem niet open. Hij kan en wil niet met de mantel van zijn liefde bedekken wat in zijn oog tegen Gods wet indruist. En al is Maria voor de wet reeds zijn vrouw, hij kan haar niet de schone bruidsweg naar het huis van de bruidegom doen gaan. Wat zijn liefde voor Maria zou toestaan, verbiedt hem zijn liefde tot God. Daarom moet hij Maria verlaten, „alzo hij rechtvaardig was". Dit getuigenis staat met nadruk voorop. Dat is de motivatie van zijn overlegging. Want de liefde wil krachtens haar natuur alle dingen bedekken en hopen, maar zij marchandeert niet. Zij kiest de weg van het recht. Maar dat recht begeert zij niet hard en harteloos. De zuivere liefde wil niet om Gods wet heen, maar hanteert haar wel op haar eigen wijze, dat wil zeggen lijdend en het heil van de ander bedoelend, ook al gaat dat ten koste van de eigen eer en goede naam.

Onthulling

Zo is Jozef Jan van zins Maria heimelijk te verlaten. Zijn liefde doet hem lijden in de door hem beleefde verbijstering, maar zo blijkt zij sterker dan verdriet en ontgoocheling. Alzo is Jozef rechtvaardig. Zijn liefde zoekt zich zelf niet. Intussen betekent dat ook voor hèm smaad en verdenking.

In deze verwarring en vrees gaat nu de hemel open en valt het licht der genade in de donkerheid van Jozefs gedachten. Dan blijkt dat door onmogelijkheid en hopeloosheid heen God bezig is het Woord der belofte tot vervulling te brengen. En in dat Woord legt God de lang Verwachte, de van oude tijden af Beloofde in Jozefs handen. Dan zet dat Woord hem tegelijk aan het werk, van meet af aan, waarin zijn geloof getoond wordt. Als hem van 's hemelswege -hoe anders?- het onvermoede mysterie van Maria's Kind wordt onthuld, eeuwen geleden al door Jesaja verwoord in de wondere Immanuëlsprofetie, dan openbaart zich bij Jozef de kracht van het geloof in de aanvaarding van zijn taak. Want in de droom wordt het geheimenis wel verhaald, maar niet verklaard. En dat vraagt alleen geloof en gehoorzaamheid. Niet meer èn... niet minder.

„Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, dééd gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen". In dit woord ligt het diepe geheim van Jozefs leven en dienst verscholen, ten einde toe en dwars tegen alle menselijke wijsheid en logica in.

Gabriël

Zo openbaart zich het stille, maar werkzame geloof in het leven van deze „zoon van David". Inderdaad stil, want Jozef spreekt niet vele woorden. Maria belijdt haar geloof in het woord dat zij tot Gabriel spreekt en in haar lofzang. En Elizabet zingt en Zacharias en Simeon en Anna, maar van Jozef lezen wij in de evangeliën niet één woord. Hij is een „stille in den lande", een eenvoudige werkman ondanks zijn koninklijke afkomst. Wij zouden zeggen: een man zonder aspiraties, die zijn afkomst maar beter kan vergeten. Wat is er voor hem voor toekomst? De troon van zijn vader David is ontheiligd, neergeworpen en met zijn kroonprinselijke titel van de „zone Davids" kan hij weinig uitrichten. Met hamer en beitel moet hij zijn brood verdienen.

Maar dan blijkt nu te meer het krachtig werkende geloof van deze als weggeschoven man in Gods belofte. Het woord van de engel brengt hem niet als Sara weleer aan het lachen, maar doet hem gehoorzaam en gewillig de weg van het geloof gaan, ten einde toe. Niet een gemakkelijke weg, integendeel, een weg van onthouding en terugtreden. Dat wordt van het begin af aan duidelijk, als hij op Gods bevel Maria wel tot zich neemt, maar haar niet in bezit neemt. Is deze passiviteit om het werk van God niet aan te tasten, niet een teken van zijn daadwerkelijke geloof? In alle spanning en aanvechting op deze geloofsweg heeft het woord der belofte hem telkens opnieuw onderwezen èn bewaard.

Als vader

Zo gingen zij dan de weg van het Woord in stille kracht, in blijde verwachting. Zo volbrachten zij hun taak: Maria om Jezus de wereld in te dragen. Jozef om Hem Zijn naam te geven, dat wil zeggen om het vaderschap over Jezus waar te nemen. Met nadruk wijst de engel daarop: „Gij zult Zijn naam heten Jezus". Wij zien dat ook bij allerlei gebeurtenissen, dat Jozef als vader van het Kind optreedt: bij de besnijdenis, bij de voorstelling, bij de vlucht naar Egypte. Zo wordt Maria's Kind ook ingeschreven als „Jesjua ben Josef' - Jezus, Zoon van Jozef.

Nu wordt het wel zeer doorzichtig, waarom God deze beide mensen tot elkaar gebracht heeft. Dat is geen 'toeval', maar dat is naar de profetie. Naar het vlees is Christus immers Davids Zoon uit Maria, maar naar de wet is Hij dat evenzeer uit Jozef, zodat Hij deswege recht heeft op de troon van David, die God Hem naar Gabriels woord aan Maria geven zou. Want dat recht ontvangt Hij vanuit het wettige vaderschap waarmee God Jozef bekleedt. Is „Zone Davids" niet de hoge titel van de erfgenaam van Davids troon waarmee de engel Jozef aanspreekt en waarmee later Jezus wordt aangeroepen? Zo komen de koninklijke reenten en beloften Maria's Kind toe om als Zoon van Jozef wettig erfgenaam te zijn van het koningschap van David.

Dienstvaardig

Daartoe heeft God Jozef in Zijn dienst gesteld. Toen in de volheid van de tijd God Zijn Zoon uitzond, is Hij geworden uit een vrouw. Zo draagt Hij Zijn profetische naam: Immanuël: met ons is God. Want in dit Kind laat God Zich volledig kennen. In Hem is het eeuwige Woord vlees geworden om onder ons te wonen en Zijn heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader te openbaren. Zo wam Hij in ontlediging en ontluistering, in de schoot van Zijn moeder.

Maar Hij is óók geworden onder de wet. En hier komt de dienst van Jozef naar voren, van de man van Maria, uit wie de Christus geboren is - zoals Matthéüs opmerkelijk zegt. Gezegend is hij onder de mannen vanwege deze dienst om het heilig Kind onder de wet te brengen. Dat is toch ook het woord der profetie, dat zeer vast is? Jozef moet dit Kind brengen in alle verbanden waarin met Hem naar de wet gehandeld wordt. Hij moet dit heilig Kind besnijden, dat wil zeggen de dood aanzeggen en aandoen. Hij moet Hem de Heere voorstellen tot een offer voor Hem, Hij moet voor Jezus de losprijs betalen. Al hetgeen in de wet geschreven is, moet gedaan worden met dit Kind. En zó krijgt Het van het uur van Zijn geboorte af met Gods wet te maken. Zo neemt Jozef, de zoon van David, in Maria, de gezegende onder de vrouwen, het Kind tot zich, want dit Kind is het ware zaad van David, Die Zijn broeders in alles gelijk moest worden, uitgenomen de zonde, en Die geboren moest worden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet zijn, verlossen zou, opdat zij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Zo zal Jezus de wet vervullen en tot haar einde brengen.

Naamgeving

„Zo zult gij Zijn naam heten Jezus, want hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden".

Zo heeft Jozef zijn dienst volbracht in de spanning tussen belofte en werkelijkheid. Vanuit die belofte was hij werkzaam in stille volharding, want de vervulling heeft hij niet gezien. Ook al verlichtte een enkele lichtstraal in de komst van herders en wijzen de last van zijn dienst, Pasen en Pinksteren heeft hij niet beleefd. Hij heeft -opnieuw als Abraham- de dag van Christus gezien en is verblijd geweest. Maar hij heeft de belofte niet verkregen en is in het geloof gestorven.

Het is als bij Johannes de Doper. Als deze de weg voor Christus bereid heeft, komt Jezus. Dan bereikt de dienst van Johannes haar hoogtepunt in het aanwijzen van het Lam Gods, Dat Zijn altaargang aanvangt. Daarmee is zijn taak volbracht en is er voor hem geen plaats meer. Want hij moest als heraut voorlopen, maar hij mag de Koning niet voor de voeten lopen. Dan eindigt zijn dienst in de gevangenis en verdwijnt hij uit het gezicht.

Zo eindigt de dienst van Jozef in de tempel. Want daar neemt Jezus de dienst over. Als jongen van twaalf jaar is Hij "bar mitswah", "zoon der wet" geworden, en daarmee zelf verantwoordelijk jegens al de geboden en inzetringen Gods. Dan ook gaat Hij -zegt Lucas- naar de gewoonte op het Paasfeest mee op naar Jeruzalem. Hij betreedt voor het eerst het heiligdom, waar Jozef Hem volgens de wet als Kind van veertig dagen de Heere had voorgesteld. Nu komt Hij bewust in het huis van Zijn Vader. Nu komt het Kind thuis!

Met angst gezocht!

Dat is de grote ontdekking die Jezus hier doet. Hier openbaart de Vader Zich aan de Zoon en laat Hem zien Wie Hij is. Hier doet de Geest in Maria's Kind het messiaanse zelfbewustzijn ontwaken en wordt Hem het grote geheim van Zijn leven getoond. En hier, in het huis van Zijn Vader -zoals Jezus zelf straks de tempel noemen zal, ondanks wat mensen ervan gemaakt hebben- wordt het Kind vervuld van een heilig roepingsbesef Hoor maar Zijn antwoord, als Maria zegt: „Kind! zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht". Dan spreekt Hij het diepe woord dat Zijn goddelijk levensprogramma vertolkt: „Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?" Nee, niet meer: „Uw vader en ik", maar „Mijn Vader". Nu is de Zoon der wet gekomen om bezig te zijn in de dingen die bij God te doen zijn om de zonden van Zijn volk te verzoenen.

En nu de Zoon der wet is aangetreden, moet de vader naar de wet terugtreden. Eenmaal nam hij het Kind tot zich, nu geeft hij Het aan Zijn Vader terug. Het was zijn laatste dienst: het Kind in het huis van Zijn Vader brengen. En daar zal de Zoon werkelijk thuis zijn!

Schemering

Nu gaat Jozef naar zijn eigen huis terug om van zijn aardse post ontheven te worden. En dan zal de traditie hierin wel gelijk hebben, dat hij heel vroeg gestorven is, want zijn dienst is ten einde. Nu mag hij heengaan in vrede. Hij blijft zelfs niet meer in de schemer achter, maar verdwijnt totaal.

Nu valt het volle licht op het Kind alleen, dat door de dienst van Maria, maar ook door die van Jozef, gekomen is om het woord der profetie te vervullen: „Gij zult Zijn naam heten: Immanuël - God met ons".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1992

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Een timmerman delend in de zegen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1992

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken