Bekijk het origineel

De boodschap der Zeeuwse golven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De boodschap der Zeeuwse golven

Ds. Mallan: Hoe hoger het water kwam, hoe dichter ik bij de hemel kwam

11 minuten leestijd

„Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, Heere is Zijn Naam". Zo'n tekst gaat léven als je te midden van een verdronken land op de puinhopen zit. Familieleden omgekomen, bezittingen weggespoeld. Wie de watersnoodramp van 1953 meemaakte, weet ervan. Drie predikanten die een bijzondere band hebben met het getroffen gebied, blikken terug. Heeft de watersnoodramp ons na veertig jaar nog iets te zeggen?

Aan de Grevelingendam pikken meerkoeten hun middagmaal uit de grasmat. Een verdwaalde duif kijkt toe. Liet Noach na de zondvloed geen duif uit de ark om te zien of de wateren gelicht waren van boven de aardbodem? In Zeeland hoeven de duiven anno 1993 niet lang te zoeken naar een afgebroken blaadje of takje. Het water is al lang teruggekeerd naar de plaats waar het hoort. En welke toerist beseft nog dat de golven hier veertig jaar geleden als een vijand over het land sloegen? 

Een reiger tuurt schier onbeweeglijk over het Grevelingenmeer. Alsof hij de geschiedenis van het water overpeinst. Na veertig jaar prediken de Zeeuwse baren nog steeds een boodschap. Voor Zeeuwen en Friezen. Voor Brabanders en Groningers. Ja, voor ieder die opmerkzaam is op de hand des Heeren in de natuur. Want „de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee" (Psalm 93).

Onafwendbaar

Het stormde. Toch ging ds. F. Mallan op zaterdagavond 31 januari 1953 gewoon naar bed. Midden in de nacht werd de predikant van de gereformeerde gemeente in Nederland te Bruinisse gewekt door het luiden van kerkklokken. Eenmaal buiten gekomen, schrok hij. „Bij de dijk keek ik tegen een macht water aan. Er werd hard gewerkt om het tegen te houden, maar ik zag wel dat het niet zou lukken. Ik ben naar huis gegaan met de gedachte: We zijn ten dode opgeschreven. We verdrinken allemaal", 's Ochtends vroeg brak echter de dijk bij Sirjansland door. Dat betekende, naar de mens gesproken, het behoud van Bruinisse.

Zondag 1 februari. De kerkklokken luiden. Zoals gewoonlijk. Maar met een andere boodschap. Alle mannen moeten zich verzamelen om aan de reddings- en herstelwerkzaamheden te beginnen. De mensen zijn verward. Ook enkele tientallen vrouwen spoeden zich naar het bedehuis, in de verwachting dat het gewoon kerk is. Ds. Mallan verzamelt de aanwezigen in de consistorie, waar hij een korte preek houdt. Na de dienst komt het bericht binnen dat de aannemer die drie jaar eerder de kerk gebouwd heeft, bij hulppogingen is verdronken.

Geen raad

Als 's avonds de binnendijk tussen Oosterland en Bruinisse het begeeft, komt de watermassa alsnog. Verscheidene mensen vinden in de pastorie een toevluchtsoord. Zij zien hoe het water onafwendbaar zijn weg zoekt over het land, in de huizen. „Je zag het water stijgen en je wist: Als het het plafond nadert, is het gedaan. We konden slechts afwachten. Maar ik werd wel gewaar dat hoe hoger het water kwam, hoe dichter ik bij de hemel kwam". Halverwege de trap bleef het water staan.

Maandagmorgen wordt ds. Mallan met een roeiboot uit de pastorie gehaald. Hij wordt naar een zeilmakerij geroepen, waar geëvacueerde mensen worden opgevangen. „Er werd geschreeuwd en gekermd. Ik wist er eerlijk gezegd geen raad mee. Toen ben ik uit de Bijbel gaan lezen en heb ik een aantal woorden gesproken naar aanleiding van Psalm 107: ,>Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft". Toen werd het stil. Ik heb gezien dat Gods Woord kracht gaf'. 

Begraven

Hoewel Bruinisse in vergelijking met omliggende gemeenten weinig slachtoffers telde, moest ds. Mallan vele begrafenissen leiden, tot in de wijde omtrek. „Op een gegeven moment werd ik naar de dijk geroepen. Daar was een kind gevonden, dat provisorisch aan de dijk werd begraven. Ik stond daar alleen met de vader en dan moet je nog een paar woorden spreken. 

Later heb ik hele gezinnen moeten herbegraven. In Zierikzee stond ik met twee kinderen bij een graf van vader, moeder en drie broertjes en zusjes. Ik wist van mezelf niet wat ik moest zeggen, maar ik werd er toch in geholpen. Ik heb erop gewezen dat de Heere het ook in die situatie alleen maar goed kon maken, dat Hij balsem op de wonden kon doen. Ik heb ook wel eens gesproken over Amos 5: „Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, Heere is Zijn Naam".

Het was niet zomaar een natuurramp. Die indruk had men ook wel. De dijken waren te laag, dat is zo. Maar de mensen zagen het echt als een oordeel van God over hun leven. Er werd schuld gezien. Op sommige plaatsen waren mensen wel wat los in hun levenswandel. Die zaten op zaterdagavond tot twaalf uur 's nachts in het café. En in Bruinisse werd ook kermis gehouden. Maar ik was zelf niets beter. Ik zag zo veel schuld bij mezelf dat het geen wonder zou zijn als ik ook verdronken was. In zulke omstandigheden hebben we ook wel te denken aan wat de Heere Jezus heeft gezegd in Lukas 13: Meent gij. dat deze Galiléërs zondaars zijn geweest boven al de Galiléërs, omdat zij zulks geleden hebben?"

Op de sabbat

„De Heere Jezus zegt: Bidt dat uw vlucht niet geschiedt in de winter of op de sabbat. De watersnoodramp vond plaats in de winter èn op de sabbat. Toen kreeg ik wel schuld naar me toe. Hadden we dat gebed wel genoeg gebeden? Er is een sprake Gods van uitgegaan. Maar men is het vaak zo snel weer vergeten. We moesten verder. Er werd gewerkt aan herstel, de dijken werden verhoogd. Maar daar kun je je vertrouwen toch niet op stellen. In '53 kwam het water zo hoog, dat er geen dijken meer tegen opgewassen waren. Er volgde tij op tij. Na hoog tij kwam er geen laag tij, maar er volgde vloed op vloed. Dan zie je de nietigheid van de mens".

Ook ds. E. P. Kuin ervoer die nietigheid. Hij was tijdens de watersnoodramp net drie maanden predikant in zijn eerste gemeente, Ouwerkerk, waar negentig mensen om het leven kwamen. Na zijn emeritaat is hij opnieuw neergestreken in het nog geen duizend inwoners tellende dorp op Schouwen-Duiveland. Bij de hernieuwde kennismaking kwam hij mensen tegen die de ramp nog steeds niet hebben verwerkt. „Je kunt gemakkelijk een heleboel dingen op een rijtje zetten en een optelsom maken. Maar wat dat allemaal betekent, wordt ons niet in drie dagen geopenbaard. Daar hebben we een heel leven voor gekregen".

Houvast

Ds. Kuin ziet in de watersnoodramp vooral een opdracht. „Dat is gauw gezegd en het klinkt dierbaar, maar als je er niets mee doet, stelt het niks voor. Het geloof is een zaak waar je mee aan het werk moet. Je moet de krachtdadige gebeurtenissen in je leven gebruiken, om anderen in moeilijke omstandigheden terzijde te kunnen staan". Op zondag 1 februari 1953 vermengde het water zich met tranen. „Heel de gemeente was weggespoeld of geëvacueerd". Negentig mensen kwamen op. 

Een week later werd in Ouwerkerk weer een dienst gehouden. Ongeveer dertig gemeenteleden kwamen samen op een logger uit Scheveningen. „Daar heb ik een preek gehouden, of laat ik zeggen een woordgesproken, over wat je houvast is als alle dingen de mist in gaan. De tekst weet ik niet meer, ik had ook geen preek kunnen maken. Op zo'n moment spreek je vanuit je hart. Dan besef je ineens wat het gewicht van je woorden kan zijn. 

Dat zijn dingen waar je in de opleiding voor predikant niet bij stilstaat. Ik werd meteen in het diepe gegooid. Ik moest niet alleen zelf zien te overleven, maar er ook voor zorgen dat anderen een kans kregen om verder te leven. We zijn hard aan het werk gegaan. Mijn eerste taak was de slachtoffers terug te brengen naar de families en die mensen proberen op te bouwen in een positief geloof, dat houvast geeft".

Open venster

„We hadden niets meer. Dat geeft wel te denken over de dingen waarmee je bezig geweest bent. Het steen was vernietigd, dat is broos. Maar het geloof is sterk. Na de beproeving moet je toch weer in het geloof verder, hoe moeilijk het ook is. Het geloof is het enige houvast als alle dingen die ie lief zijn, wegvallen. Materieel kun je gesl^en worden, alles kwijtraken. Maar in het geloof zie je dan dat er toch een nieuw ' begin is. Er is een punt gezet, waaraan je een nieuw bestaan kunt opbouwen".

De hervormde emeritus predikant erkent dat het in 1953 niet eenvoudig was een nieuw bestaan op te gaan bouwen. „Je moet de moed hebben aan het werk te gaan met datgene wat gebeurd is. Dan zul je ook de moed moeten hebben tranen te laten. Als je dat doet, zie je dat er een deur dichtgaat, maar dat er tegelijkertijd een venster opengaat. Er zijn mensen die kunnen niet over het dode punt heen komen. Die moetje wel eens heel voorzichtig op dat venster wijzen". 

Petje af

Ds. Kuin vindt het te gemakkelijk om de ramp als een oordeel te zien. „Het gaat er niet om te oordelen, maar te bemoedien. Je mag nog. Je hebt nog een nieuwe ans. Die kun je verzieken of waarmaken. Dat is het oordeel. Er staat niet voor niets dat de schapen van de bokken gescheiden zullen worden. Bij de ramp heb ik mensen gevonden die vrede hadden. Zij zijn in vrede heengegaan. Dat vind ik belangrijk".

Na veertig jaar heeft het water van weleer nog steeds een boodschap, is de overtuiging van ds. Kuin. „Ik neem mijn petje af voor de mensen die tot in de millimeters de Deltawerken hebben uitgedacht. Dat is een geweldige zaak. Maar wat doen we er nu mee? We nebben die kennis ook maar gekregen. Vertil je daar niet aan".

Oost noch west

Ds. A. van der Kooij maakte de ramp niet persoonlijk mee. Toch voelde hij zich bijzonder verbonden met de getroffen hervormde gemeente van Nieuwe-Tonge, die hij van 1938 tot in 1949 had gediend. Op 1 februari 1953 moest hij 's ochtends een vacaturebeurt vervullen in Nieuwaal. „Onderweg hoorde ik dat er moeilijkheden zouden zijn in de Alblasserwaard, die door overstromingen getroffen zou zijn. Het duurde wel even voor het tot je doordrong wat er precies gebeurd was. Niemand had erop gerekend en de berichten kwamen de volgende dag natuurlijk niet met de moderne communicatiemiddelen van tegenwoordig het land in. 

Het was een tijd waarin angst heerste voor de Russen. Maar er kwam iets anders: het water. Zo kun je zien dat een mens uit zich zelf niets weet. Dat doet je denken aan Psalm 75: Oost noch west, noch zandwoestijn, doet ons meer of minder zijn. Rusland noch het water. God is rechter. Die 't beslist! Het is een bewijs van onze totale afhankelijkheid. Daar raak je niet over uitgedacht.

„Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten", zegt de Heere God. De mens kan het niet zien, tenzij bij hoger licht. Dan zie je dat de hemel hoger is dan de aarde. De laatste tijd dat ik in Nieuwe-Tonge stond, heb ik er de biddagpredikatieën van Van der Groe behandeld. Die wijst de dingen allemaal aan. Hij heeft de ellende van Nederland voorzegd, hetzij vuur of water. Hij heeft van Godswege moeten zeggen dat bepaalde dingen zouden gebeuren. Daar kun je de watersnoodramp, tweehonderd jaar later, niet bij uitsluiten. We mogen het Goddelijke geduld bewonderen, dat Zijn oordeel nog niet helemaal zijn beslag heeft gekregen".

Als een dief

In de zomer van 1953 bracht ds. Van der Kooij een bezoek aan Nieuwe-Tonge, waar de ramp 85 mensenlevens had geëist. „Een vrouw zei toen tegen mij dat ze in de rampnacht een deur hoorde piepen. Ze dacht dat er een inbreker op het erf was en wilde naar buiten gaan. Ze stond meteen in het opgekomen water. Zat daarin geen aanwijzing om het woord des Heeren te gedenken: „Ziet, Ik kom als een dief"?

Ds. Van der Kooij heeft de lijsten met rampslachtoffers voor zich liggen. Een kind van 4, een vrouw van 80. Omgekomen in het water. „Als je deze dingen overdenkt, komt er nog een soort rouw in je op. Wat toen aan angsten en leed is uitgestaan, is met geen pen te beschrijven. Zou Schouwen ooit nog boven water komen? Je moet op zo'n moment wel aan de zondvloed denken. Maar de Heere heeft toch beloofd dat dat nooit meer zal gebeuren".

Oranjehuis

Het medeleven van het Koninklijk Huis ten tijde van de ramp maakte diepe indruk op ds. Van der Kooij. „Het Oranjehuis heeft altijd deernis betoond met het Nederlandse volk. Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands, bad stervende nog voor het volk. Maar bidden wij nog wel genoeg voor ons Oranjehuis?"

Vier decennia na de watersnood is er veel te gedenken, vindt de emeritus predikant uit Woerden. „Wij mogen de dingen die gebeurd zijn niet aan de vergetelheid prijsgeven. Na veertig jaar komen de herinneringen weer boven. Maar een datum alleen kan ons daar niet bij bepalen. Dat moet de Geest van God inwendig doen. De watersnoodramp heeft ons veel te zeggen. Waakt dus!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1993

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

De boodschap der Zeeuwse golven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1993

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken