Bekijk het origineel

Tjiftjaf slaat de maat in het voorjaarskoor

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Tjiftjaf slaat de maat in het voorjaarskoor

Na een lange reis komt lenteverkondiger terug op dezelfde plaats waar hij vorig jaar leefde

14 minuten leestijd

op 15 maart hoorde ik de tjiftjaf, juist terug uit het verre Zuiden, weer zingen. Rondom de lentedatum is hij altijd present en laat hij ononderbroken zijn simpele zang horen. In april zijn alle broedplaatsen weer bezet. Thijsse noemde de tjiftjafjes met de kwikstaartjes de eerste van de kleine zangvogels van de lente. In de top van een jonge berk hipt een klein vogelgevalletje. Die berk laat kleine, tere blaadjes zien. Het geelgroene vogeltje vertelt duidelijk dat hij de tjiftjaf is, door zijn naam onafgebroken te herhalen. Hij hipt van tak op tak, maakt een sprongetje achter een insekt aan, scharrelt tussen het jonge groen en zingt onafgebroken. Geregeld maakt hij kleine fladderbewegingen met zijn vleugeltjes. Dat is een typische eigenschap. Ook laat hij nu en dan een vragend en gerekt fuu-iet horen. Dat is zijn lokroep. En tussen het herhaald tjif-tjef tjif-tjef klinken steeds heel zachte geluidjes: tsrrr tsrrr.

Verre reis

Deze dreumes heeft juist een reis van minstens 2000 kilometer 'op eigen kracht' achter de rug. Door ringonderzoek is aangetoond dat de tjiftjaf jarenlang op precies dezelfde plek terugkomt waar hij het vorige jaar broedde, of waar hij werd geboren. Dit kleine vogeltje presteert daarmee iets wat de mens grote bewondering afdwingt. De tjiftjaf vergist zich niet, moet heel wat gevaren trotseren, op de heenweg en weer terug, soms een aantal jaren achter elkaar. Hoe vogels dat kunnen en waardoor ze worden geleid, is voor een groot deel duidelijk geworden, maar nog steeds niet geheel verklaard.

Dat de tjiftjaf soms pas laat in maart, een enkele keer pas begin april, bij ons terug is, komt doordat er door lang koud weer nog te weinig insekten wakker zijn. De weersomstandigheden hebben indirect invloed op het tijdstip van aankomst. Wie die eerste kleine vogeltjes op een vaak nog koude maartdag in de kale berken bezig ziet, vraagt zich toch af of ze dan al genoeg voedsel kunnen vinden.

De tjiftjaf komt altijd enkele dagen of weken eerder dan de fitis, het vogeltje dat zo veel op hem lijkt. Dit komt waarschijnKoude rillingen lopen over je rug als je op een nacht het ijselijke gekrijs van de kerkuil hoort. In een dorp of op het platteland klinkt hier en daar zijn kreet soms nog. Wie ernaar luistert, begrijpt waarom de uil niet alleen de wijsheid symboliseert, maar ook onheil en gevaar. Veel is de schreeuw van het dier echter niet meer te horen. Voor de vogel zélf dreigt nu ordieil en gevaar. Een tentoonstelling in het Pieter Vermeulenmuseum in IJmuiden laat alles zien over de geschiedenis en het leven van kerkuilen en over wat er gedaan wordt om deze nachtvogel in Nederland te houden. Doorjeannette Donkersteeg Een "cultuurvolger" wordt de uil wel genoemd; net als huismussen leeft hij dicht bij de mens. Toch hebben de meeste mensen hem nooit gezien. De kerkuil is namelijk een nachtvogel bij uitstek. Overdag slaapt hij op verborgen plaatsen. „Onbekend maakt onbemind, zijn we daarom de kerkuil bijna kwijt?" hebben de makers van de tentoonstelling zich afgevraagd. Zij hopen daarin verandering te brengen door middel van hun expositie, waar een groot aantal opgezette kerkuilen in hun mooi verenpak van dichtbij bekeken kan worden.

Spookachtig

De uil heeft voor veel mensen iets spookachtigs. Jarenlang werd hij gezien als onheilsvogel. „Al in de Bijbel wordt de uil beschreven als boodschapper van verderf en ondergang", leert de tentoonstelling. In Jesaia 34 wordt over het verwoeste Edom gezegcl dat de uil er huist. Dank zij hun geluiddempende veren vliegen uilen 's nachts geruisloos rond. Hun witte onderkant maakt ze tot een spookachrige verschijning en de doordringende kreten maken de vogels nog angstaanjagender. Vroeger dacht men dat de uil een boodschapper van de duivel was. Wie zijn kreet hoorde, was ervan overtuigd dat er iemand in de omgeving sterven zou. Geen wonder dat de vogel de mensen bang maakte. Op de tentoonstelling is een houten schuurdeur te zien waarop een dode uil is gespijkerd. Dit werd vroeger uit bijgelovigheid door veel boeren gedaan. Op deze manier dachten zij het kwaad met lijk doordat ze een verschillend overwinteringsgebied hebben. De fitis trekt over de Sahara naar Zuid-Afrika en verspreidt zich daar. De tjiftjaf gaat volgens onderzoekers niet zo ver, maar overwintert in Noord-Afrika, het nabije Oosten en zelfs in Zuid-Europa. Hij blijft dus veel . dichter bij huis.

Echt lente

Wie jaarlijks de aankomstdatum van de tjiftjaf noteert, krijgt een aardig beeld van de schommelingen. Toch wordt de officiële lentedatum meestal niet ver gemist. De aankomst valt meestal tussen 20 en 24 maart. In 1971 hoorde ik hem pas op 12 april, erg laat dus. Zo'n enkele waarneming is echter niet betrouwbaar; hij kan er al eerder zijn geweest, maar door allerlei oorzaken aan mijn aandacht zijn ontsnapt. Ook zingen de tjiftjafs de eerste dagen na hun aankomst soms nog niet. vooral als het weer niet lenteachtig is.

In 1957 noteerde ik een uitzonderlijk vroege datum: 10 maart. Ik heb hem nooit meer zo vroeg gehoord. De laatste vier jaar arriveerde hij in mijn omgeving steeds rondom de I5e maart. Het is elk jaar een verrassing wanneer je het bekende geluid weer hoort. Daarbij komen meer factoren: het wordt langer licht, de temperatuur is prettiger, de lijsters zingen volop, de leeuweriken ook en de flora en de fauna tonen duidelijk dat de winter definitief voorbij is.

Herkenbaar

Niemand zal moeite hebben om dit vogeltje te herkennen als hij zingt. Een zwijgende tjiftjaf is echter niet zo gemakkelijk te onderscheiden van een fitis, die bijna het evenbeeld van hem is. De zang van de tjiftjaf klinkt inderdaad ongeveer als zijn naam, hoewel men dit niet al te letterlijk

De Tjiftjaf (rechts) en de Fitis (links) lijken veel op elkaar. Aan hun stem zijn ze echter gemakkelijk te herkennen. moet nemen. Niet iedereen hoort er dezelfde fonetische klanken in. Het is een eentonig liedje, maar wie er vaak naar luistert, stemt in met het volgende, dat in het postuum verschenen album "Vbgelzang" van Jac. P. Thijsse staat:

„Een van de eerste (zomergasten), de tjiftjaf maakt het ons niet zo heel moeilijk met zijn gestadige herhaling van twee toontjes, weinig in hoogte,verschillend. Maar als ge hem jaar op jaar nagaat, dan verrast hij u wel eens met verdiibbelingen en triolen, met versnellingen van tempo en met grotere intervallen. Altijd de moeite waard om op te letten".

De ene waarnemer vindt dat het geluid van de tjiftjaf klinkt als "zilp-zalp"; een

Bedreigde kerkuil jarenlang symbool van onheil en gevaar

Onbekend en onbemind
kwaad te bestrijden. Tot ver in deze eeuw kon men zo'n -soms half verganedode vogel aan de boerderijdeuren zien hangen in West- en Oost-Europa.

Er zijn nog meer onsmakelijke, maar interessante, dingen te bekijken in IJmuiden. Braakballen bij voorbeeld, met alle onverteerbare resten van door een kerkuil verorberde veldmuisjes. En een opgezette uil die aan de linkerkant van zijn lijfje z'n verenpak draagt, terwijl van de rechterkant alleen zijn skelet nog zichtbaar is. Twee kerkuilenpoten die ernaast hangen, houden een arm veldmuisje in hun greep. De kerkuil kan zijn voorteen naar achteren draaien om de prooi goed vast te houden.

Slechte reputatie

De officiële naam van de kerkuil is "Tyto alba", wat "witte uil" betekent. Vooral wanneer hij vliegt, lijkt de uil bijna wit door zijn onderkant, maar ook wanneer hij in het donker op een dak van een boerderij zit, ziet hij eruit als een licht spook, zo laat een foto zien.

De naam "kerkuil", die wij in Nederland gebruiken, is niet erg toepasselijk meer. Het Engelse "schuuruil" (barnowl) komt dichter bij de werkelijkheid. Slechts weinig kerktorens in ons land bieden de kerkuil nog onderdak. Er zijn overigens ook andere namen voor de vogel. Opvallend is dat veel daarvan de slechte reputarie van de uil uitdrukken. "Tsjerkhófüle", zeggen de Friezen bij voorbeeld; kerkhofuil, en in Drenthe wordt hij lijkuil genoemd.

Toch werd de uil niet altijd en door iedereen als vijand beschouwd. In de strijd tegen muizen was hij een gewaardeerde bondgenoot van de boeren. De "üleboerden" of "uilenborden" die men in Friesland nog steeds kent, laten dat zien. Op de tentoonstelling hangen er ook een paar. Het zijn de versierselen van de invliegopeningen die boeren in het dak van hun schuur maakten, om de welkome gasten toegang te verschaffen tot hun zolders. Veel openingen zijn later dichtgemaakt; jammer voor de kerkuil, het wordt moeilijk voor hem een veilige nestplaats te vinden. De mensen hebben het hem er niet gemakkelijker op gemaakt. Meer dan de helft van de in de afgelopen jaren gevonden dode kerkuilen bleek slachtoffer van het verkeer te zijn. Kleurenfoto's laten zien hoe langs spoorlijnen en snelwegen regelmatig gesneuvelde kerkuilen worden aangetroffen. Op het moment is het uilenbestand er slecht aan toe.

Ook sneeuwrijke winters en slechte muizenstanden zijn daar debet aan. In de periode 1950-1960 werd het aantal kerkuilenparen geschat op maximaal 3500, na de strenge winter van 1962-'63 waren er nog slechts achttien paren over. Als gevolg van de sneeuw kunnen uilen geen muizen meer vangen, en doordat de vogel oorspronkelijk uit tropische en sub-tropische gebieden komt, heeft hij ook nauwelijks vetreserves, zodat hij het niet lang Boeren spijkerden vroeger uit bijgeloof een uil op hun schuurdeur. Onheilz^u op deze manier uit de buurt kunnen worden gehouden. Foto's RD ander hoort echter "tjip-tjap" of "tjiftjef'. Het geluid is echter wel zo karakteristiek, dat de Duitsers dit vogeltje "Zilpzalp" noemen en de Engelsen hem de naam "Chiff-chaff' gaven. Een gemakkelijk herkenbaar vogeltje krijgt ook volksnamen. De aardigste daarvan zijn "maatslagertje" en "tierentijntje". De eerste naam is toepasselijk, want het lijkt er wel op dat de tjiftjaf in het koor van zangertjes de maat slaat. Hoe men aan tierentijntje is gekomen, weet ik niet.

Achteruitgang

De tjiftjaf houdt zich het liefst op in gemengd DOS of loofbos met een rijke kruiden- en struikenlaag. Zijn nest maakt hij meestal in de randen van loofbossen. Hij wordt echter ook aangetroffen in parken en tuinen, op kerkhoven en boomrijke boerenerven en in boomgaarden.

In de vorige eeuw was de tjiftjaf bij ons zeer algemeen en talrijk. Sinds die tijd is het verspreidingsgebied zelfs groter geworden. In het begin van de jaren zeventig bleek er in West-Europa sprake van enige achteruitgang. De laatste tijd nemen de aantallen ook duidelijk af. Dit komt vooral door de gevolgen van ruilverkaveling. Daardoor verdwijnen veel bosjes en houtwallen met ouder geboomte. Bij de keuze van zijn biotoop is opgaand geboomte van meer belang dan de ondergroei. Oude houtwallen zijn daardoor zeer geliefd, maar helaas zijn die steeds minder in aantal geworden.

Klein leefgebied

Wanneer de tjiftjaf in het voorjaar zijn territorium heeft ingenomen en afgebakend, verdedigt hij dat zingend of desnoods vechtend tegen soortgenoten. Hij heeft dan geen behoefte zich ver buiten zijn terrein te begeven. In een zeer klein gebied speelt zijn leven zich af Daar stoeit hij met rivalen om het verwerven van een vrouwtje, bouwt hij zijn nest in de ruigte en brengt hij zijn jongen groot.

De fijne snavel van de tjiftjaf duidt er op dat hij een insekteneter is. Hij pikt echter nu en dan ook graag van bessen en kersen. In het midden van de zomer heb ik in droge streken gezien hoe slim de kleine vogels 's morgens vroeg baden en drinken. In de grote bladeren van een jonge eik zag ik eens een tjiftjaf baden in de dauw die op dat blad lag en ervan drinken. Dat doet niet alleen de tjiftjaf; in een droge periode is de dauw vaak het enige vocht waarvan ze kunnen drinken en waarin ze kunnen baden. Een toekomstige hraakbal zonder eten uithoudt. Bovendien is dé uil geen roofvogel, al lijkt hij er veel op, hij heeft namelijk geen krop -zoals de roofvoel die heeft- waarin hij zijn voedsel zou unnen opslaan. Dat betekent dat hij vaker op jacht moet.

Overlevingskansen

Op de tentoonstelling hangt een aantal tips die vertellen hoe de uilin ons land gehouden kan worden: „Herstel het leefmilieu; ander weggebruik en -beheer, aanleg van natuurreservaten, graanteelt en instandhouding bermruigtes; Vergroot de overlevingskansen in de winter door tijdelijk bijvoeren in strenge winters; Zorg voor voldoende broedgelegenheid; Verbied chemische bestrijdingsmiddelen, gebruik alternatieve middelen; Neem strenge maatregelen tegen moedwillige vervolging; Leg geen broedgelegenheden aan bij drukke wegen; Motiveer mensen de kerkuil onderdak te verlenen in eigen gebouwen".

Voorbeelden en foto's laten iets zien van de uilennestkasten die door de Kerkuilenwerkgroep geplaatst werden en een belangrijk succes bleken te zijn. De tentoonstelling "De kerkuil in Nederland" is tot 15 mei te bezichtigen in het Pieter Vermeulen Museum, Moerbergplantsoen 20, IJmuiden.

Roze pelikaan
p de meren in Galilea komen geregeld pelikanen als wintergasten. De roze pelikaan leeft steeds in groepen. De kroeskop-pelikaan (Pelecanus crispus) houdt zich vaak alleen op. Deze Europees-Aziatische soorten overwinteren in Egypte en Oost-Afrika. Daar is het heel gewoon dat zij in troepen van honderden en zelfs duizenden bijeen zijn. In de Statenvertaling wordt de pelikaan alleen genoemd in de wetgeving in Leviticus en Deuteronomium.

Pelikanen zijn mooie, maar schuwe vogels, die bij de geringste verstoring opvliegen. Daarom zoeken zij eenzame, liefst onbewoonde plaatsen op. Daarop duidt in de Nieuwe Vertaling Zefanja 2:14. De profeet schrijft dat op de plaats van het verwoeste Ninevé een woestenij zou ontstaan; waar de pelikaan en de roerdomp zouden overnachten. Ninevé, nu een ruïneveld tegenover Mosoel, ligt aan de linkeroever van de Tigris. Bij die rivier zullen deze vogels zich hebben opgehouden.

Slimme tactiek

De vogels vallen vooral op door hun enorme snavel. Die bestaat uit een keelzak, gevormd door de ondersnavel, met een daarop als deksel passende bovensnavel. De ondersnavel en de keelzak zijn zeer rekbaar. Pelikanen leven voornamelijk van vis, vangen slechts zelden een vogel of zoogdier. Zij hebben een zeer wijde slokdarm, waardoor zij grote vissen en eventueel andere prooidieren kunnen doorslikken. Hun taktiek is slim. De roze pelikanen zwemmen in een halve cirkel om een school vissen heen en drijven ze dicht bij elkaar. Daardoor zijn ze gemakkelijker te vangen met hun grote schepnetsnavels.

De roze pelikaan kan niet duiken. Hij ligt, als gevolg van een onderhuids luchtkussen, als een dobber op het water. Pelikanen komen voor in zoet en zout, diep en ondiep water. De vroege ochtend wordt benut voor de jacht. Later op de morgen zoeken zij een zandbank of een groepje bomen om hun maaltijd te verteren, te rusten en hun verenkleed te poetsen en opnieuw in te vetten. Veel watervogels moeten hun verenpak secuur onderhouden om te zorgen dat het steeds goed waterafstotend blijft.

Schepnetsnavel

Pelikanen bemachtigen de vis door hun voedsel uit het water te zeven. De keelzak dient niet als vervoermiddel voor de vis, maar als schepnet. Als een pelikaan onder water zijn enorme snavel opendoet, vormt de ondersnavel een flinke schep. De hoornachtige randen ervan buigen naar buiten en de huid rekt uit tot een diepe zak. De vogel schept vissen en water op. Het water laat hij weglopen, de vis slikt hij in.

De mooie watervogels zijn net iets groter dan zwanen. Daardoor zijn ze de grootste zwemvogels. Toch kunnen zij behendig vliegen en zich tot grote hoogte verheffen. Hun vleugels hebben een groot draagvlak, waardoor zij uitstekend kunnen zweven. Op het land zijn ze niet behendig. De tenen zijn door sterk ontwikkelde zwemvliezen verbonden. Dat vlies omvat bok de naar voren en naar binnen gerichte achterteen. Daardoor wordt een echte roeipoot gevormd, die kenmerkend is voor alle soorten pelikanen.

Legende

Pelikanen nestelen in kolonies. Ze maken hun nest op het aanspoelsel in dichte rietkragen. De nesten liggen dicht bij elkaar en de nestholen zijn erg ondiep. De broedterritoria van de verschillende paren zijn onherkenbaar. Tegen het eind van de broedtijd vormen de nesten een aaneengegroeide laag, waarop de jongen in groepjes dicht bij elkaar staan. Die jongen zijn van verschillende leeftijd en grootte. Bekend is de legende van de zich voor haar jongen opofferende moederpelikaan. Zij zou haar borst openrijten om de jonge pelikanen met haar bloed te laven. De verklaring van deze legende is niet moeilijk. De oude pelikaan bergt in zijn keelzak de vis die voor zijn jongen is bestemd. Tijdens het voeren klapt het dier zijn snavel open. Dan rust de aan de binnenkant rood gekleurde ondersnavel met de keelzak op zijn witte borst. De indruk wordt dan gewekt dat de jongen hun voedsel uit de borst zelf te voorschijn halen. De jongen krijgen voorverteerde vis. Zij steken hun kop diep in de krop van de oudervogel om hun maaltje te bemachtigen. A. Schouten van der Velden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

Tjiftjaf slaat de maat in het voorjaarskoor

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken