Bekijk het origineel

De zwarte huid van een zoon van Noach

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De zwarte huid van een zoon van Noach

Het lijden in de Derde Wereld staat niet in verband met de vloek op Cham

12 minuten leestijd

De vraag of er een mogelijke relatie bestaat tussen Noachs zoon Cham en de Derde Wereld klinkt een tikkeltje suggestief. Voor mij is het de vraag of je die vraag zo stellen mag. In het licht van een eeuwenlang gangbare Cham-ideologie kan ik enig begrip voor deze vraag wel opbrengen. Ik denk zelfs dat we niet om haar heen kunnen. Op grond van een bijbels verantwoorde exegese van Genesis 9:25-27 moet opgemerkt worden dat het onbegrijpelijk is hoe men ooit tot een dergelijke vraagstelling heeft kunnen komen. Zij hangt naar mijn smaak ongetwijfeld samen met een onbijbelse, hautaine en arrogante interpretatie van de bijbeltekst zelf.

Genesis 9 beschrijft vanaf vers 18 een donkere bladzijde uit het leven van de patriarch Noach. Door overmatig gebruik van de wijn verkeert hij in staat van dronkenschap. „Vergeet op een schandelijke en schaamteloze wijze zichzelf, en werpt zich naakt ter aarde, zodat hij tot een schouwspel voor allen strekt' (Calvijn). Hierop wordt Noach door zijn eigen zoon Cham, de vader van Kanaan, bespot. Het valt buiten zijn berekening als hij zijn beide broers, Sem en Jafeth, niet meekrijgt. Zij bedekken, zonder naar hun vader te kijken, de naakte Noach met een kleed. Medelijden wint het van Chams leedvermaak.

Slavenpositie

Er is geen reden om Noachs zonde te verdoezelen, ook niet om deze te vergoelijken. Niettemin wordt de daad van Cham, zodra Noach uit zijn roes is ontwaakt, hem door zijn eigen vader zwaar aangerekend. Het gebrek aan liefde tot zijn vader wordt gestraft met de vloek die Noach uitspreekt. Wel zullen we daarbij moeten verdisconteren dat „Noachs zonde occasie (aanleiding) gaf van het oneerbiedig spreken van zijn zoon Cham" (Jacobus Koelman). In de tijd van Koelman een weinig voorkomende, maar wel een eerlijke uitspraak. Het opmerkelijke is evenwel, dat niet Cham vervloekt werd, maar zijn jongste zoon Kanaan. Daar heeft de exegese, die te sterk beïnvloed was door de Cham-ideologie, doorgaans geen of te weinig rekening mee gehouden. Het gaat beslist te ver om nu meteen maar te stellen dat Cham en zijn gehele nageslacht voor eeuwig vervloekt zijn.'Want in de eerste plaats wordt de vloek nadrukkelijk tot Kanaan beperkt. In de tweede plaats is hier van een eeuwigdurende vloek helemaal geen sprake. Je kunt dus niet zeggen dat het hele geslacht van Cham, dus al zijn zonen en diens nakomelingen, onder Noachs vloek zijn besloten. De Chamieten zijn in hun totaliteit door die vloek niet getroffen.

Verder wordt alleen gezegd dat Kanaan een dienstknecht van Sem en Jafeth zou worden. De allergeringste slavenpositie, „knecht der knechten", ten opzichte van Chams beide broers zou innemen. Het gaat op exegetische gronden niet aan om de vloek die Noach over Kanaan uitsprak, ongeoorloofd uit te strekken over alle nakomelingen van Cham. Noch minder om die vloek zo te radicaliseren dat hij voor eeuwig onophefbaar is bedoeld.

Waarom Kanaan?

De vraag ligt voor de hand waarom Noach niet Cham, maar diens zoon Kanaan de vloek deed toekomen. Op het eerste horen klopt dit allerminst, ethisch noch juridisch gezien. Het antwoord hierop hangt af van de interpretatie van de woorden van Noach.

Zo is er gezegd dat het vrijwel vast moet staan dat Kanaan dezelfde geest als zijn vader Cham ademde. Je kunt dat op grond van Genesis 9 niet hard maken. Het staat er niet en het wordt er ook niet bij vermeld. Die bewering berust echter op een interpretatie waarbij men de latere geschiedenis van de afstammelingen van Kanaan als bewijsmateriaal te hulp roept. „De latere bewoners van het land Kanaïn werden wegens hun zondige, onzedelijke praktijken door het goddelijk oordeel getroffen... de kiem van hun zonden ligt in hun voorvaderen: Cham, Kanaan" (dr. W. H. Gispen). Op die manier kan het niet. Dan maken we exegetisch dezelfde fout als degene die Cham vanuit de taaie traditie als de voor eeuwig vervloekte beschouwt. Calvijn legt de vloek op Kanaan meer uit vanuit de rechtvaardigheid Gods, die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen. „Intussen wordt Cham zelf niet uitgezonderd, daar God, door zijn zoon mede in te sluiten, zijn oordeel verzwaart". Deze verklaring is op zichzelf mogelijk. Minder bevredigend is zijn dogmatische onderbouwing als hij zegt dat Gods oordelen een diepe afgrond zijn en wij ons geen nieuwsgierigheid aan moeten matigen om die afgronden te peilen. Op zichzelf helemaal juist. Maar zo n opmertdng zwakt de objectieve exegese wel enigszins af.

Wens

Weer anderen zijn van mening dat we het woord vloek niet in zijn volle zwaarte moeten nemen, maar dat we van Noachs vloekwens moeten spreken. Hij zou slechts wensen dat de vloek over Kanaan kwam. Het is meer een wens dan een vonnis. Ook deze 'oplossing' bevredigt niet. Het lijkt mij het meest voor de hand liggend om te denken aan een profetie. Dat sluit ook min of meer aan bij Calviins gedachte dat Cham wordt gestraft in zijn jongste zoon, en dan houden we tegelijk de beperking van die straf in het oog, omdat ze alleen de Kanaanieten geldt.

Schrift met Schrift vergelijkend mogen we dan zeggen dat deze profetie later is vervuld, omdat de Kanaanieten dienstknechten van Israël geworden zijn. Een profetie dat eens de nakomelingen van Sem onder leiding van Jozua het nakroost van Kanaan zouden overwinnen.

En als er meer niet aan de hand is -en op grond waarvan zou er meer aan de hand moeten zijn.- dan kan men op bijbelse gronden al de onzin die in de loop der eeuwen over Cham en diens vloek is gespuid, naar het rijk der fabelen verwijzen.

Voorbeelden

Ik wil het laatste met enkele voorbeelden uit de geschiedenis van de Cham-ideologie nader toelichten. Er is beweerd dat de vloek van Cham hierin zou bestaan dat al zijn nakomelingen tot de Negroïden zouden behoren. Een eeuwenoude traditie, in de Oude Kerk al opgekomen, wees ,Afrika ten zuiden van de Sahara" als woongebied voor alle Chamieten aan. Cham en de Derde Wereld voor zover wij Afrika er bij betrekken, horen dan op grond van de vloek van Noach bij elkaar.

Het is nog niet zo lang geleden -ik herinner het me nog uit mijn lagere-schooljaren- dat dit de algemeen gangbare gedachte was onder de christenen nota bene. Als kind geloofde je 'op gezag' natuurlijk; Sem, dat waren de ioden, het uitverkoren volk van God; Jafeth, wonende in de tenten van Sem, waren de Europeanen, het 'gekerstende heidendom, en Cham zou stamvader van de negers zijn. Puur voedsel voor het racisme en zijn onmenselijke gevolgen.

De zwarte huidskleur die Cham zou moeten dragen, is een bedacht sprookje. Etnisch heeft op zogenaamde bijbelse grond de Cham-ideologie Cham zwart ingekleurd. Bijbels onhoudbaar gewoonweg.

De dienstbare

Ook de Midrasj-schrijvende rabbijnen legden het wangedrag van Cham, dat al begonnen was in de Ark, door tegen het verbod in seksuele gemeenschap met zijn vrouw te hebben, en na de zondvloed zich voortzette in de spot met Noach, de vloek van Noach, in die zin uit. Cham moest voortaan een zwarte huidskleur dragen. Cham is de verdoemde, de eeuwig dienstbare, de slaaf Augustinus betrok de vloek op Cham hoofdzakelijk op de slavernij en de ketterij. Voor hem is de ketterij dè zonde van Cham.

Hij bewoonde het hete Afrika, en hitte is verwarring en zo werd Cham leider van de ketters. Eerlijkheidshalve moet gezegd dat Augustinus ook oog heeft gehad voor het herstel van de verstrooiing der volken, te beginnen op het eerste Pinksterfeest, waarmee de opheffing van de vele talen gegeven is. Ook de moslims noemden Cham de verwekker van alle zwarte mensen met kroeshaar. In de Middeleeuwen kregen vanuit de christelijke kerk de joden de vloek van Cham toebedeeld. De afvallige joden zijn niet meer kinderen van Sem, maar ze horen voortaan bij Cham.

Het zou te ver voeren op de diverse Cham-interpretaties in de loop der eeuwen te wijzen. Daarom denken we ten slotte met meer dan gewone huiver en verontwaardiging aan de tijd van het kolonialisme en de slavenhandel, die met een beroep op de vloek van Cham en ten behoeve van koloniale planters, zonder enige scrupules gerechtvaardigd werd. Goddeloos!

Waterputters

Dat deze Cham-ideologie op een ontstellende wijze de rassendiscriminatie, vooral in Zuid-Afrika, maar ook wel elders ter wereld, negatief heeft beïnvloed, is bekend. Het dient als aanklacht tegen velen die zich christenen noemen aangemerkt te worden. Ik zou dit met vele citaten kunnen illustreren, ik kies er één. „Die swartes is nou eenmaal geen mense nie, maar vervloekte afstammelinge van Gam, wat daar deur bestem is om vir goed houthakkers en waterputters te blijk, hulle dra die merk van Kaïn, en is daarom anders".

Wat een geknoei met de uitleg van Genesis 9! Noch Genesis 9, noch de 'volkerentafel' van Genesis 10, noch de verstrooiing der volken rondom de torenbouw van Babel, Genesis 11, geeft bijbels houvast om de volkeren der wereld te onderscheiden in Semieten, Europeanen, en negers als nakomelingen van Cham.

Het beroep voor blijvende slavernij van Cham is bijbels onhoudbaar. De vloek op Cham bestaat niet, wel de vloek op Kanaan - en was een profetie van tijdelijke aard, hoewel Cham daarin persoonlijk werd gestraft. Het lijden, de honger en de armoede in de Derde Wereld staan allerminst in verband met de vloek op Cham. Dan zouden we ons met een onjuist beroep op die vloek van onze christelijke verantwoordelijkheid kunnen afmaken. Zolang we vanuit het Westen en vanuit onze christelijke levensovertuiging nalatig blijven om die nood te lenigen, hebben we Christus zelf tegen. Die ons gezegd heeft: „De armen hebt gij altijd met u".

De Bijbel leert ons wèl te doen aan alle mensen.

Geneologie

Wij kunnen als westerlingen niet zonder meer beweren afstammelingen te zijn van Jafeth. Een geneologich onderzoek met betrekking tot het bestaan en het ontstaan van de verscheidenheid van volkeren en rassen ligt buiten het bestek van dit artikel. Antropologische, etnische of geneologische vraagstukken kunnen niet rechtstreeks uit de Bijbel worden afgeleid. We moeten breken met elke vorm van Cham-ideologie. En al zijn volken en rassen zeker niet ontstaan buiten Gods leiding in de wereldgeschiedenis om, zo moeten wij bedenken wat Paulus zegt in Handelingen 17:26 : „God heeft uit enen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op de hele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden tevoren geordineerd en de bepalingen van hun woning".

In het licht van het bovengenoemde bestaat er derhalve geen schriftuurlijke grond om de ondergeschikte positie die sommige hedendaagse volken als gevolg van allerlei historische en culturele factoren innemen, met de vloek van Kanaan in verband te brengen, en om zodoende deze positie ook voor de verre toekomst te willen bestendigen. Ik stem in met wat ik ergens las; „De volkerenverscheidenheid wortelt in de primaire eenheid van het menselijk geslacht: daarin zijn alle volken en rassen principieel gelijkwaardig in hun verhouding en verantwoordelijkheid tegenover God". En tegenover elkaar.

Heil en verlossing

Dit laatste krijgt te meer klem, als we daarbij als christenen leven uit het Woord. „In Christus is noch jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije". Geen westerling en geen neger. Tenslotte is de vloek in de Bijbel nooit het laatste woord. De boodschap van heil en verlossing richt zich tot alle mensen en volken. Jezus heeft een Kananese vrouw geprezen en geholpen in haar nood om haar geloof (Matthéüs 15:28).

Beschouwen we Noachs vloek als een profetie, dan heeft deze profetie uiteraard een voorwaardelijke strekking. Zij wil niet zeggen dat de nakomelingen van Cham (wie dat ook mogen zijn) voor eeuwig van de voorrechten van de bijzondere genade uitgesloten zijn. Als de Chamieten zich bekeren, delen ook zij in de zegen die aan Abraham en door hem aan alle geslachten beloofd is. „Er is ook voor de Chamietische volken een plaats bij Jezus' kruis..." (Aalders, Korte Verklaring, Genesis I, blz. 262 e.v.). Had de kerk dat maar meer bedacht!

Ds. H. Visser, schrijver van dit artikel, was van 1974 tot 1979 voorzitter van de reformatorische hulpaktie Woord en Daad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

De zwarte huid van een zoon van Noach

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1993

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken