Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Refrein:
de mafia rukt op

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Refrein: de mafia rukt op

10 minuten leestijd

Wat Justitie en politie terechtbrengen van de strijd tegen de georganiseerde misdaad is onduidelijk. We gaan naar de absolute top van de misdaadwereld, klinkt de ronkende oorlogsverklaring van hoge politiechefs. Maar wat is er echt aan de hand? „Als je die vraag stelt, komt de overheid in ademnood", zegt prof. dr. C. Fijnaut, hoogleraar criminologie in Rotterdam en Leuven.

Zijn we in ons land werkelijk in de greep gekomen van de zware, georganiseerde misdaad? Staan we oog in oog met mafia-achtige organisaties, misschien wel met de mafia zelf? Hoofdschuddend zegt criminoloog drs. H. F. Vegter: „Er wordt van mafia gesproken omdat we niet onder woorden weten te brengen waar het echt om gaat".

We worden opgejaagd. De informatiekanalen zijn verstopt. Het is een illusie dat we weten waar we het over hebben. We weten wat we toevallig weten. Dat zijn de ontnuchterende conclusies van een gezelschap misdaadbestrijders op een besloten bijeenkomst over de aanpak van georganiseerde criminaliteit. „Niemand weet hoe het precies zit", zegt J. H. M. Cloïn, hoofd vap de dienst zware criminaliteit in de politieregio BrabantNoord. Hij wordt bijgevallen door zijn collega F. E. Jansen in Enschede: „Tot op de dag van vandaag is er geen antwoord op de vraag wat de omvang is van de georganiseerde criminaliteit in ons land". In juli wilden de ministers Hhsch Ballin (Justitie) en Dales (Binnenlandse Zaken) de Tweede Kamer niet in het openbaar op de hoogte brengen van de „mate vraarin de georganiseerde misdaad actief is in ons land". De bewindslieden vroegen de Kamer daarvoor begrip en wezen op het „vertrouwelijke" karakter van de informatie. De Kamer werd vervolgens zoetgehouden met de klinkende arrestaties van enkele groepen drugshandelaren. De ministersbrief was een voortgangsrapportage als vervolg op een kabinetsnota over georganiseerde misdaad. Daarin werd een jaar geleden een huiveringwekkend dreigingsbeeld geschetst van oprukkende misdaadorganisaties. Toch bestond er geen goed inzicht in de omvang van de georganiseerde misdaad. Buiten de regeringsnota circuleerde een schrikbarend aantal van 599 criminele organisaties die in ons land actief zouden zijn. Alhoewel dat giswerk was, gingen politiechefs, justitiële autoriteiten en politici met dit aantal voor eigen gebruik aan de haal.

Retoriek
Inmiddels is georganiseerde misdaad zaterdag 9 oktober 1993 - 23e jaargang nr. 1 G2 een onderwerp dat zich leent voor politieke retoriek, vooral met het oog op de verkiezingen. Dr. P. C. van Duyne, wetenschappelijk onderzoeker op het ministerie van justitie, spreekt van „golven van morele paniek, steeds weer opgeroepen door georganiseerde drugshandel, die politici aanzet om harde maatregelen te treffen". Van Duyne houdt zich verre van het populaire koor dat in paniek geraakt het refrein zingt van „de mafia rukt op" of „de overname door de georganiseerde misdaad".

In het kleurloze districtsbureau in Breda van de politie in Brabant-West zegt D. van Dop, hoofd van de divisie georganiseerde criminaliteit: „Het dreigingsbeeld van de regering gaf een veel te simpele voorstelling van onder- en bovenwereld. Ik denk dat de onderwereld maar zeer sporadisch de bovenwereld nodig heeft. Wel zie ik een enorme normvervaging in de bovenwereld. Je kunt geen milieuzaak aanpakken of je loopt aan tegen negatieve betrokkenheid van ambtenaren en bestuurders. Een realistischer verhaal over de georganiseerde misdaad is veel ingewikkelder en zeker zo bedreigend".

De hoogleraar Fijnaut zegt: „Het beeld was gebaseerd op een harde dreiging. De overheid bleef in gebreke om dat te concretiseren. De buitenwacht moet op goed geloof alles maar slikken. Waar hebben ze het eigenlijk over? Men moet af van het domme onderscheid tusen onder- en bovenwereld. Je kunt er geen kant mee op. Het slaat nergens op, anders kon je de onderwereld isoleren en in de pan hakken".

Tot drie keer toe heeft de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) geprobeerd de georganiseerde misdaad in kaart te brengen. De jongste inventarisatie komt uit op 321 misdaadorganisaties, waaronder 98 hoog georganiseerde groepen. De uitkomsten van de drie misdaadanalyses hebben veel weg van een getallenspel. Het lijkt alsof er maar een gooi wordt gedaan naar de omvang van de georganiseerde misdaad.

Zinloos

Volgens de Rotterdamse recherchechef H. A. Jansen heeft het geen zin om zo door te gaan met het verzamelen van informatie over criminele organisaties. „De analyses geven geen beeld van de omvang van de georganiseerde misdaad. Er is geen zicht op geldstromen en op de ingroei van de onderwereld in de bovenwereld".

In Breda zegt Van Dop zich niet thuis te voelen bij de analyses van de CRI. „Wij hebben redelijk zicht op een grote i)rij van zaken die niet door de beugel kunnen. Het gaat om netwerken van mensen die alle soorten drugs verkopen, met wapens te maken hebben en zich ook met gestolen auto's bezig houden. Maar dit is niet het complete beeld. Er is toch veel meer narigheid in deze wereld dan drugs, drugs en drugs en wat gestolen auto's".

De politiechefs menen dat de criminele inlichtingendiensten uit een ander vaatje moeten tappen. Jansen (Rotterdam): „Met onze informatiepositie is het mager gesteld. Overal waar je prikt en goed informeert, worden complexe criminele groeperingen zichtbaar. Sommige informatie van de CID is niet te toetsen en misschien wel bewust verkeerd aangeleverd om de politie te misleiden".

En Jansen (Enschede): „Het moet anders. Wanneer we praten over verwevenheid van onder- en bovenwereld moet je informatieposities in de bovenwereld zoeken. Je hebt altijd mensen nodig die in de kroeg informatie halen, maar je hebt ook mensen nodig die je na£ir recepties kunt sturen om met advocaten, notarissen en bankdirecteuren te praten". Volgens Van Dop leeft de CID bij de gratie van toevallige tipgevers. ,Jnformatie over fraude en milieu zit niet in de onderwereld, maar gewoon in de bovenwereld. Maar je kunt niet de eerste de beste CID'er met een ringetje in z'n oor uit de kroeg halen en naar de directie van een middelgroot bedrijf sturen".

Onzeker over wat er echt aan de hand is, zoeken Justitie, politie en wetenschap naar een definitie van georganiseerde misdaad. Inmiddels zijn acht door de CRI gehanteerde kenmerken die criminele groeperingen moesten vertonen om te worden opgenomen in de inventarisaties, omstreden. Om de zwaarte van een criminele groepering te beoordelen, is steeds gekeken of een organisatie een hiërarchische stuctuur heeft, intern een sanctiesysteem met beloningen en straffen hanteert, geld witwast, ambtenaren of werknemers van legale bedrijven omkoopt, gebruik maakt van dekmantelfirma's, geweld toepast in het criminele milieu, verschillende soorten misdrijven pleegt en over een langere periode actief is. Hoe meer kenmerken van toepassing zijn op een groep, hoe hoger de organisatiegraad. Het is simpelweg een optelsom. Voor de hoogleraar Fijnaut is geweld van beslissende betekenis bij het vaststellen van georganiseerde misdaad. „Alle andere kenmerken bestempelen een groepering niet tot een criminele organisatie. Ook corruptie niet, zolang de Nederlandse overheid nog accepteert dat het bedrijfsleven steekpenningen betaalt in het buitenland en die zelfs als fiscale aftrekpost mag opvoeren. Witwassen van geld hoeft naar mijn gevoel ook niet zo slecht te zijn. Het hangt ervan af hoe men zich in de legale economie gedraagt. Geweld of de dreiging met geweld is het meest ruïneus, waardoor alle andere praktijken mogelijk worden".

Volgens Fijnaut laat de georganiseerde misdaad zich niet vangen in een definitie. „Je zult nooit veel vastheid en zekerheid kunnen geven. Je moet ook niet proberen de discussies te bevriezen in een definitie. Het zal altijd een zeer voorlopig en betrekkelijk beeld opleveren. Om te voorkomen dat we in spookachtige discussies geraken, moeten we praktijkgevallen beschrijven en gedetailleerde analyses maken over de gevolgen van georganiseerde misdaad voor de maatschappij". De wetenschapper wordt bijgevallen door recherchechef Cloïn in Brabant-Noord, die zegt op zoek te zijn naar een „thermometer" om een diagnose te kunnen stellen.

Greep

Af en toe maakt de politie triomfantelijk melding van de beschadiging van een criminele groepering. Daarbij worden steevast glanzende Icleurenfoto's uitgedeeld van kostbare auto's, dure vaartuigen en stapels bankbiljetten die in beslag zijn genomen. Op het oog indrukwekkend, maar wat brengen Justitie en politie werkelijk terecht van de strijd tegen de georganiseerde misdaad?

Begin vorig jaar deed het openbaar ministerie een poging landelijk greep te krijgen op de bestrijding van misdaadorganisaties. De justitiële top onder minister Hirsch Ballin richtte een Coördinerend Beleidsoverleg (CBO) op, want het mocht niet aan de politie worden overgelaten welke criminele organisaties werden aangepakt. Pas veel later werden ook enkele recherchechefs aan de CBO-tafel genodigd. Onder grote tijdsdruk, erkent mr. G. P. van de Beek, projectleider georganiseerde criminaliteit op het ministerie van justitie, is toen door de CRI de derde inventarisatie van de georganiseerde misdaad gemaakt. Het stuk was bedoeld om te beslissen in welke volgorde de hoog georganiseerde criminele organisaties moet worden aangepakt.

Tot een echte landelijke prioriteitsstelling is het nooit gekomen. „Van een prioriteitsstelling door het CBO heb ik niets gemerkt", zegt Van Dop in Brabant-West en voegt er aan toe: „Uit de oude top-tien heb ik één drugszaak overgenomen". De Twentse recherchechef Jansen zegt: „Plat gezegd was die top bedoeld om politiek te scoren. En ik onderken er een sterke centralistische neiging in van het ministerie van justitie om het geld en de aandacht te verdelen".

In Rotterdam zegt zijn collega Jansen, als recherchechef tevens lid van het CBO: „Aanvankelijk bestond het gevoel dat de aanpak van criminele organisaties via de inventarisatie van het CBO zou worden geregeld. Daar is afstand van genomen". Volgens de Rotterdamse recherchechef baseert het openbaar ministerie zich op oude denkbeelden en gaat het dirigistisch te werk. „Het gezag ligt plaatselijk. Het kan toch niet zo zijn dat een orgaan zoals het CBO verantwoordelijk is voor het aansturen van rechercheteams. Er is geen echt landelijke sturing. Ik heb het gevoel dat het CBO z'n langste tijd heeft gehad".

De vraag "Wie stelt welke prioriteiten?" houdt ook CBO-secretaris mr. Van de Beek voortdurend bezig. „De CBOinventarisatie moest aangeven welke de zwaarste en ernstige groepen zijn. Het is niet eenvoudig om nummer 1 te kiezen. Je moet het met elkaar eens zien te worden. Er kunnen veel redenen zijn om aan een zaak te beginnen. Dat maaJct het wel eens moeilijk voor het CBO. Wie stelt dan welke prioriteiten?"

Ambitieus

Met vijf landelijke opsporingsteams, zogenaamde kernteams, heeft Justitie begin september de strijd tegen de georganiseerde misdaad een impuls willen geven. De leider van het kernteam in Den Haag, A. L. Driessen, staat voor de opgave de cocaïne-connectie met Zuid-Amerika, inclusief Suriname en de Nederlandse Antillen, aan te pakken. Dat is nog niet alles. Het team moet zich ook bezighouden met de invloed van de Italiaanse mafia in ons Jand. Driessen is ambitieus en wil op een zo hoog mogelijk niveau 'strafzaken draaien'. „We gaan voor de top". Optimistisch kondigt Driessen aan: „We proberen op ons terrein de georganiseerde criminaliteit in kaart te brengen. Waar praten we eigenlijk over? Daarna zullen we afsteken naar de diepte. Het gaat niet alleen om de lui die de coke binnenbrengen. Er is een grotere dreiging"

Bijna filosofisch voegt de Haagse politiechef toe: „Je kunt het probleem pas bestrijden als je het hebt doorgrond. Het aantal criminele organisaties vind ik niet zo van belang. We zullen zoveel mogelijk boeven voor de rechter brengen en hun geld zien af te pakken, maar ook op een andere manier naar het probleem kijken om politieke en bestuurlijke maatregelen te treffen. Want raak je deze organisaties nou wel zo hard door steeds maar weer hun cellen in Nederland weg te nemen?"

De Rotterdamse recherchechef Jansen is voorzitter van het landelijk overleg kernteams. „We zullen de maatschappij niet hervormen", stelt hij vast. „Maar het gaat om de integriteit van de maatschappij. Criminele netwerken breiden zich verder uit en gaan gevechten om monopolies aan. Op den duur onderhandel je als overheid met een criminele macht. Ons uitgangspunt is deze netwerken in het ongerede te brengen, de criminele top te pakken, hun vermogen te ontnemen en barrières op te werpen tegen deze georganiseerde misdaad".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 9 October 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Refrein:
de mafia rukt op

Bekijk de hele uitgave van Saturday 9 October 1993

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken