Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het prille begin: niet als wij, net als wij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het prille begin: niet als wij, net als wij

7 minuten leestijd

Het prille begin van het leven van mensen blijft boeien. Het vroege menselijke embryo: het is in de waarneming met behulp van een microscoop nog zo heel anders dan wij, dan mensen na de geboorte. Een bespreking van het cahier "Pre-embryo, het prille begin".

Het is goed om te beseffen dat wij allen zo begonnen zijn, en dat de identiteit van dat vroege menselijke embryo de identiteit is van een mens. Maar omdat het biologisch gezien nog maar om enkele cellen gaat, is het zo veel meer toegankelijk voor biologisch wetenschappelijk onderzoek dan de mens in latere fasen van zijn leven. Het menselijke embryo: niet als wij, net als wij. Hier ligt de uitdaging en de spanning van het onderzoek met menselijke embryo's. De discussie over de toelaatbaarheid ervan heeft weer een impuls gekregen door het voorstel voor een wettelijke regeling dat het kabinet in februari van dit jaar naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het kabinet wil allerlei vormen van ingrijpend onderzoek met menselijke embryo's verbieden en stelt een moratorium voor (dat is een tijdelijke stop) voor andere vormen van onderzoek. Gedurende deze moratorium-periode wil het kabinet in overleg met de beroepsgroep komen tot het vaststellen van die vormen van onderzoek die nog wel toegelaten zullen worden. Het was dan ook verrassend dat in oktober onderzoekers uit Maastricht meedeelden dat zij actief zoeken naar patiënten (ze staan dus kennelijk niet dringen) die gebruik zouden willen maken van de zogenaamde pre-implantatie-diagnostiek (PID). Hierbij wordt één cel afgenomen van het acht-cellige embryo dat met behulp van reageerbuisbevruchting tot stand is gekomen. Doel is, te bepalen of het embryo een erfelijke afwijking heeft. Als dit het geval blijkt, wordt het desbetreffende embryo gedood in plaats van overgebracht naar de baarmoeder en wordt voorkomen dat het zou komen tot de geboorte van een kind met een afwijking. De Memorie van Toelichting bij bovengenoemd wetsvoorstel maakt duidelijk dat de ontwikkeling van PID valt onder het moratorium, omdat daarbij embryo's tot stand gebracht zouden worden om als proefmateriaal verbruikt te worden. Uit uitlatingen van de Maastrichtse onderzoeker Geraedts valt mijns inziens op te maken dat ervaring met deze techniek is opgedaan in Engeland, zodat men nu in Nederland direct aan de klinische toepassing wil beginnen. Hiervoor zou van de ministeries van WVC en justitie mondelinge toestemming zijn verkregen.

Dat is bevreemdend, want het zou betekenen dat het standpunt van de betrokken bewindslieden is veranderd. Zelfs als dit zo zou zijn, dan zou eerst de volksvertegenwoordiging zich moeten uitspreken over de nieuwe regeling alvorens de Maastrichtse plannen kunnen worden uitgevoerd. Het is immers moeilijk voor te stellen dat het kabinet in deze uiterst gevoelige materie onderzoekers feitelijk al groen licht geeft voordat parlementaire behandeling heeft plaatsgevonden.

Cahier

Dit uitstapje naar aanleiding van recente ontwikkelingen geeft al aan dat het cahier "Pre-embryo, het prille begin", uitgegeven door de stichting Biowetenschappen en Maatschappij, inspeelt op een actueel probleem. Het cahier bestaat uit drie biomedische hoofdstukken, een ethisch en een juridisch hoofdstuk, met daartussen enkele korte informatieve kaders.

Het eerste hoofdstuk bespreekt kort de eerste veertien dagen van de ontwikkeling van een bevruchte eicel. Het tweede hoofdstuk behandelt de reageerbuisbevruchting. Dit betreft in Nederland thans reeds zo'n duizend kinderen per jaar. De auteur, G. H. Zeilmaker, wijst ook op mogelijke complicaties van de techniek, onder andere de verhoogde kans op de geboorte van drielingen. Dit moet zo veel mogelijk voorkomen worden, vindt Zeilmaker. Een technische mogelijkheid, waarbij „ethische aspecten in het geding zijn", is de zogenaamde partiële abortus, waarbij een van de drie menselijke vruchten wordt 'weggehaald'. Experimenten met menselijke embryo's zijn volgens Zeilmaker nodig ter verbetering van de IVF-behandeling.

Onderzoek

Over wetenschappelijk onderzoek met het vroege menselijke embryo schrijft J. P. M. Geraedts uit Maastricht een hoofdstuk. Hij zou voor dit soort onderzoek graag toestemming ontvangen. Redenen waarom hij dit onderzoek zou willen uitvoeren zijn:
• verbetering van de onvruchtbaarheidsbehandeling (bij voorbeeld IVF).
• kennis over de oorzaken van miskramen.
• kennis van aangeboren afwijkingen.
• ontwikkeling van betere methoden van anti-conceptie.
• ontwikkeling van methoden voor het onderzoek van gen- en chromosoomafwijkingen voor de innesteling.

De laatstgenoemde doelstelling betreft vooral de ontwikkeling van de zogenaamde pre-implantatiediagnostiek, waarbij onderzoek aan het embryo, voordat het bij de vrouw wordt ingebracht, uit moet wijzen of het wel of niet 'gezond' is.

Evaluatie

Het hoofdstuk over de ethische beoordeling van experimenten met vroege embryo's is geschreven door Th. Boer. Hij geeft een helder overzicht van de verschillende opvattingen die opgeld doen over de status van het vroege menselijke embryo. Dat wil zeggen, wat is het: mens in wording, mens in ontwikkeling, potentieel mens, of nog wat anders? De vraag naar de status van het menselijk embryo komt in de praktijk neer op de vraag op welk moment in de ontwikkeling het embryo volledig beschermwaardig is.

Enkele veel voorkomende opvattingen zijn: vanaf de bevruchting, vanaf veertien dagen na de bevruchting (daarna kan uit dit embryo niet meer een meerling ontstaan), vanaf de aanleg van het centrale zenuwstelsel, vanaf levensvatbaarheid. Een opvatting die momenteel onder ethici en medici populair is, is de opvatting van de toenemende beschermwaardigheid. Dit wil zeggen dat de beschermwaardigheid van het embryo vanaf het moment van ontstaan, de bevruchting, tot het moment van levensvatbaarheid of van geboorte geleidelijk aan toeneemt, naarmate het embryo zich verder ontwikkelt. Tegen deze opvatting zijn allerlei bezwaren aan te voeren. Het voert te ver hierop nu nader in te gaan. Wel kunnen we vaststellen dat deze opvatting in feite de vraag naar wat of wie het embryo is, uit de weg gaat.

Onderzoeksdoelen

Naast de vraag naar de status van het embryo spelen ook andere kwesties een rol bij de bezinning op de toelaatbaarheid van embryo-onderzoek. Boer noemt in dit verband de beoogde onderzoeksresultaten: wat denkt men met dit onderzoek te bereiken? Verder noemt hij het hellend-vlak-argument: het gevaar dat het toestaan van bepaalde experimenten met menselijke embryo's zal leiden tot verdergaande manipulaties, eventueel zelfs tot pogingen de mens te 'verbeteren'. Aan het slot van zijn verhaal vermeldt Boer zijn eigen standpunt in deze kwestie. Hij pleit ervoor met embryo's alleen experimenten uit te voeren die verenigbaar zijn met de normale ontwikkeling van het embryo zelf. Het is duidelijk dat dit standpunt botst met de wensen van de onderzoekers. Maar het strookt met de intentie van het wetsvoorstel dat nu bij de Tweede Kamer ligt.

Het laatste hoofdstuk gaat in op juridische aspecten van onderzoek met embryo's. De auteur meent dat bepaalde vormen van onderzoek met menselijke embryo's onder bepaalde voorwaarden niet in strijd zijn met het huidige geldende recht in Nederland. Zij plaatst dan ook bij het huidige wetsvoorstel enkele kritische kanttekeningen.

Geestelijke inspiratie

Dit cahier biedt een goed leesbare, informatieve inleiding in de discussie over embryo-onderzoek. Het onbevredigende, maar tegelijkertijd realistische is dat geen eenduidig standpunt wordt ingenomen over de toelaatbaarheid van zulk onderzoek. Het is dan ook begrijpelijk dat de recensent van dit cahier in NRC Handelsblad spreekt over de machteloosheid van de beroepsgroep van de ethici, omdat die niet met een eensluidende conclusie kunnen komen omtrent de beschermwaardigheid van het menselijke embryo.

Maar vanwaar komt de machteloosheid van de ethici? Het denken in onze samenleving over dit soort medisch-ethische vragen wordt in sterke mate bepaald door het medisch-wetenschappelijke, materialistische mensbeeld en door het medisch-technische perspectief van een zo volledig mogelijke beheersing van het leven. In deze denktrant is embryo-onderzoek vanzelfsprekend. Pas als men van dit denken afstand neemt -en daarvoor is een andere geestelijke inspiratie nodig- kan men inzien dat verbruikend embryo-onderzoek niet mag.

N.a.v. "Pre-embryo, het prille begin", cahier uitgegeven door de stichting Biowetenschappen en Maatschappij, postbus 19301, 3501 DH Utrecht. Prijs ƒ 10,00 incl. portokosten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 1993

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Het prille begin: niet als wij, net als wij

Bekijk de hele uitgave van woensdag 22 december 1993

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken