Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De neonlichtjes van Wolfgang Rübsam

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De neonlichtjes van Wolfgang Rübsam

5 minuten leestijd

Bach schreef bijna 250 orgelwerken. Wie ze allemaal op cd wil zetten, moet weten wat hij doet. Want als je ze allemaal op één orgel uitvoert, alle praeludiums en fuga's bij elkaar zet en ze ook nog eens op een zelfde manier ten gehore brengt, is het niet denkbeeldig dat het geheel wat eenvormig, voorspelbaar en saai gaat klinken.

Wolfgang Rübsam zette al in 1977 Bachs orgelwerken op de plaat. Philips heeft deze opnamen nu in een doosje met zestien glimmende cd's op de markt gebracht. Goed voor bijna twintig uur orgelmuziek. Voor zijn Bach-vertolkingen koos Rübsam twee moderne orgels uit: het Metzler-orgel van het Munster uit Freiburg, en dat van de St. Nicolauskirche in Frauenfeld (een zusje van het Metzler-orgel in de Haagse Jacobskerk). Het zijn twee onmiskenbaar neo-barokke instrumenten, met strakke wind en weinig grondtoon. Maar ook stralen ze frisheid en helderheid uit, zodat Bach hier, mede dank zij Rübsams afwisselende registraties, beslist niet onaangenaam klinkt.

Samenstelling

De samenstelling van de cd's vind ik minder geslaagd. De preludiums en fuga's, de concerto's, de triosonates en de koraalbewerkingen (Orgelbüchlein, Schübler, Leipziger Koralen, Grote Orgelmis), ze zijn allemaal achter elkaar op de schijfjes gezet, en ik vraag me af of dat nodig is. Het Orgelbüchlein bij voorbeeld heeft Bach nooit geschreven om integraal uit te voeren, maar om het te gebruiken in lespraktijk en liturgie. Je zou koralen hieruit dan ook goed kunnen combineren met koralen die in andere verzamelingen zijn overgeleverd. Bij voorbeeld de canon "In duTci jubilo" (uit Orgelbüchlein) met de majestueus versierde bewerking ervan (Peters Bd. V - Anh. Nr. 3). Of de fughctta en het koraal "Gelobetseistdujesu Christ" (BWV 697/723) met de bewerking ervan uit het Orgelbüchlein (BWV 604). Zet je er nog wat preludiums en fuga's, een concerto of een triosonate omheen, dan wordt zo'n cd direct een stuk interessanter. Ook de ordening van de overige koraalbewerkingen vind ik weinig creatief. De twee "Liebster Jesu"-bewerkingen bij voorbeeld (Peters Bd. V - Anh. Nr. 4+5) kunnen samen zo'n schitterend geheel vormen. Bij Rübsam staan ze echter over twee cd's verspreid. En om de koralen van de Kleine- achter die van de Grote Orgelmis te spelen, vind ik ook meer musicologisch dan muzikaal interessant.

Authentiek

Mag de keuze van de orgels en de programmering wat eenvormig zijn, de uitvoering is dat zeker niet. Sommige smkken klinken echt authentiek, zoals de Toccata in E, de partita "O Gott du frommer Gott" en de Legrenzi-fuga in c (BWV 566/767/574). Maar in andere stukken is goed te horen dat Rübsam zijn opleiding bepaald niet bij Leonhardt en Harnoncourt heeft genoten. De Trio's in G en in d (BWV 571/583) speelt Rübsam net zo zoetgevooisd als Helmut Walcha dat kon. En in de koraalfughetta "Vom Himmel hoch" en in het Trio "Allein Gott" in A (BWV 701/664) lijkt het wel alsof Ma-» rie-Claire Alain achter de speeltafel zit, zo prikkerig èn prikkelend weet Rübsam ze ten gehore te brengen.

Helaas worden niet alle werken op dit niveau uitgevoerd. Veel koralen uit net Orgelbüchlein zijn vanuit de begeleiding gedacht in plaats vanuit de melodie. En in koralen waar de melodie wel de leiding heeft, houdt Rübsam geen rekening met de voorgeschreven maatsoort (3/2 i.p.v. 3/4: 'O Lamm Gottes") danwei de inhoud van de tekst ("Nun danket alle Gott"), zodat het "AfFekt" (de sfeer) van de koralen niet tot uitdrukking komt. In veel praeludia geeft Rübsam de versierde en omspeelde akkoorden nauwelijks de kans om tot klinken te komen, en waar dit wel gebeurt (Praeludium in D), worden ze niet met elkaar in verband gebracht.

Fuga's

Veel fuga's ratelen maar door, zonder dat er reliëf in het thema is aangebracht. Waar dat reliefer wel is (fuga's van de Toccata's in C en in F), speelt Rübsam zonder aandacht voor de grote lijn, zodat ze als geheel stilstaan. Hetzelfde geldt voor veel Contrapunten uit "Die Kunst der Fuge" (met uitzondering van Cp. 5 en 9, Cp. ^ 3 en de Slotfiiga). Bovendien kUnken de Kyrië-fuga's uit de Grote Orgelmis niet zangerig en de Concerto's (met uitzonderingvan dat in d) allesbehalve concertant. De Triosonates dansen niet (doordat Rübsam te slap articuleert en te weinig speelt vanuit de puls van het pedaal), en ook de concertante Schübler-koralen zijn verre van interessant. Bij "Wachet auP', vallen bijna je ogen dicht...

Zeer overtuigend daarentegen is Rübsam in stukken waar hij de Marie-ClaireAlain-stijl tot in het extreme doortrekt, zoals in de Fantasie in G (Piece d'Orgue), het Praeludium in A, en in "Jesus Christus unser Heiland" uit de Grote Orgelmis. Het heeft allemaal niets meer met een 'authentieke Bach' te maken, maar het klinkt uitstekend. Het slot van de Fantasie in G (razendsnel en enorm precies uitgevoerd op een Holfluit 8') klinkt bij Rübsam als knipperende neonlichtjes in een donkere stad.

Asma en Koopman

Je kunt je afvragen of het niet aardiger is om Bachs orgelwerken uit te brengen door verschillende organisten. Waarbij een ieder zich op zijn/haar best laat horen en het uitgevoerde werk als een spijker op de kop slaat. Ik zou er Leonhardt op zetten met het Praeludium in C en Koopman met de "Dorische Toccata" in d (Waalse/Westerkerk Amsterdam), Kee met Bachs Praeludium in f en Kooiman met "Wie schön leuchtet der Morgenstern" (Weingarten/Maassluis), Winsemius met "Ein feste Burg" en De Klerk met "Vater unser" uit de Orgelmis (Nieuwe Kerk Amsterdam/Haarlem). Maar ook Vierne (Fantasie in g, Notre Dame Parijs), Schweitzer, Dupré en, uiteraard, Feike Asma met de Passacaglia in c (Oude kerk Amsterdam). Walcha zou ik erop zetten met de Triosonate Nr. 2, en Marie-Claire Alain met Triosonate 5 in C. En Rübsam: met "Jesus Christus unser Heiland" uit de Grote Orgelmis. Ik houd me aanbevolen! 

N.a.v. "Bach, Das Orgelwerk"; Wolfgang Rübsami 16 cd'sj 438 170-2; Philips.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

De neonlichtjes van Wolfgang Rübsam

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 40 Pagina's

PDF Bekijken