Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Waterink en zijn mislukte missie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Waterink en zijn mislukte missie

„Het ontwikkelen van een gereformeerde pedagogiek is onmogelijk"

12 minuten leestijd

Waterink. Geregeld duikt zijn naam op in discussies over gereformeerde pedagogiek. Juist de reformatorische zuil heeft soms opmerkelijk veel belangstelling voor het pedagogische gedachtengoed van de neo-gereformeerde Waterink. Terecht? Daarover discussiëren drs. E. Blaauwendraat, drs. L. D. van Klinken en dr. J. C. Sturm. Een trio-interview met pedagogen over een pedagoog.

Jan Waterink

Prof. dr. jan Waterink (1890-1966) was pedagoog psycholoog en theoloog. Gedurende 35 jaar bepaalde hij het gezicht van de menswetenschappen aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij schreef talloze boeken, zoals het bekende "Aan moeders hand tot Jezus", en was lange tijd hoofdredacteur van het gezaghebbende onderwijsblod "Paedagogisch Tijdschrift voor het Christelijk Onderwijs". In het maandblad "Moeder" ging Waterink heel praktisch in op opvoedingsvragen. Hij oogstte daarmee veel waardering.

Waterink was een groot voorstander van normatieve gezinspedagogiek. Daarin vertoonde hij overeenkomst met pedagogen van de Nadere Reformatie, zoals Koelman, Wittewrongel en De Swaef Theologisch gezien was Waterink echter sterk beïnvloed door de neogereformeerde Abraham Kuyper met zijn leer van, de veronderstelde wedergeboorte.

Toen de neo-calvinistische zuil steeds verder afbrokkelde, verloor Waterink zijn gezag. Hij heeft ondanks zijn vele publikaties nooit school gemaakt Bij zijn emeritaat als hoogleraar in 1961 werd zijn leeropdracht verdeeld over vijf opvolgers. Tegenwoordig is Waterink voor veel wetenschappers slechts interessant als historisch fenomeen

Drs. L D. van Klinken, schoolbegeleider bij het Ds. G. H. Kerstenonderwijscentrum in Veenendaal, pleitte in oktober op de najaarsvergadering van de Kontaktvereniging van Leerkrachten en Studerenden (KLS) voor een kritische herwaardering van Waterink. Zijn lezing was de aanleiding tot het gesprek op deze pagina. Drs. E. Blaauwendraat is docent pedagogiek aan Hogeschool De Driestar in Gouda. Hij geeft les aan zowel de pabo als de mo-opleidingen. Dr. J. C. Sturm doceert pedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij was eindredacteur van een herdenkingsboek over Waterink dat honderd jaar na diens geboorte verscheen. 


Sturm opent de 'aanval'. „Het verbaast mij als buitenstaander dat juist in reformatorische kring steeds weer zo'n hollewaai als Waterink van stal wordt gehaald. Heel curieus. Ik vind dat een teken van verlegenheid. Die verwantschap tussen jullie en Waterink zie ik helemaal niet. Draai de vraag eens om: Zou Waterink zich thuis voelen in reformatorische kring? Ik denk het niet". 

Blaauwendraat: „Toen De Driestar begin jaren tachtig startte met de mo-opleiding pedagogiek, heb ik een openbaar college gegeven over de taak van onze school in verband met de Nederlandse pedagogiek. Ik heb toen lijnen getrokken vanuit de Reformatie en de Nadere Reformatie via het neo-calvinisme naar nu. Er zijn overeenkomsten, maar die zijn behoorlijk globaal. Ze gaan vooral over de plaats van de gezinsopvoeding in relatie tot kerk en school, over het normatieve van de opvoeding, over waarden en normen, gezag en tucht. Die bezinning daarop kom je tegen bij Waterink, maar ook bij Langeveld en Kohnstamm. Eind jaren vijftig verdwijnt dat. Waterink is een van de laatste vertegenwoordigers van de normatieve pedagogiek".

Van Klinken: „Ik ben het grotendeels met Sturm eens. Wat Blaauwendraat opsomt, zijn voor mij overeenkomsten van formele aard. Er zijn tussen de pedagogen van de Nadere Reformatie en Waterink wezenlijke verschillen. Met name over het opvoedingsdoel. Dat van de Nadere Reformatie kun je samenvatten met de begrippen godzaligheid en dienstbaarheid. In het opvoedingsdoel van Waterink kun je die begrippen ook wel ontdekken, maar het is niet meer dan een overeenkomst in woorden. Ze hebben bij Waterink een totaal andere betekenis. Het gaat bij hem om opvoeding tot volwassenheid. Ik zie, net als Sturm, geen doorgaande lijn tussen Nadere Reformatie en Waterink".

Het wonder

Sturm: „Mag ik een vraag opwerpen? We hebben het over gereformeerde pedagogiek, maar bestaat die wel? Gereformeerde pedagogie, gereformeerde opvoeding dus, bestaat. Je kunt erover praten. Ik denk aan het EO-programma "Galg en rad". Daarin worden verstandige dingen gezegd over opvoedingsproblemen. Dat deed Waterink ook in het tijdschrift "Moeder". Heel praktisch. Maar nu de vraag of er zo iets bestaat als gereformeerde pedagogiek, gereformeerde wetenschap van de opvoeding? Ik kan me dat niet voorstellen".

Van Klinken: „Ik ben het met Sturm eens dat gereformeerde pedagogiek niet bestaat. De pedagogen van de Nadere Reformatie belijden dat er een wonder van wedergeboorte in een mensenleven moet gebeuren. Dat wonder kun je nooit rationaiseren. Waterink worstelde niet met die vraagstelling, omdat hij het kind als wedergeboren beschouwde. Daarom kon hij proberen een opvoedingswetenschap te formuleren. Vanuit de traditie van de Reformatie en de Nadere Reformatie kan dat niet. We kunnen wèl proberen pedagogische beginselen te formuleren. Niet meer, maar ook niet minder".

Aan moeders hand

Sturm: „In de wetenschap gaat het om twee dingen: logisch redeneren en de feiten. Iedereen, gelovig of niet, kan aan een wetenschappelijke discussie meedoen. Dat heeft Waterink ook gedaan, in de marge. Maar als je mij vraagt: „Kun je nu nog iets met Waterink?", dan zeg ik: Hooguit drie dingen. Je kunt leren van wat hij heeft geschreven over religieuze opvoeding, al is het misschien te veel hollewaai voor de reformatorische kring. Neem zijn boek "Aan moeders hand tot Jezus", dat is nogal halleluja-achtig. Verder kun je Waterink gebruiken voor de fundering van je mensbeeld, van waarden en normen, maar dat is eigenlijk meer theologie. En als laatste is Waterink gewoon interessant als historisch fenomeen. Waar gaat het in de opvoedingswetenschap om? Om heel concrete problemen; een meisje heeft anorexia, een jongetje is meervoudig gehandicapt, hoe presenteer je leerstof in de klas? Specifiek vanuit gereformeerd standpunt kun je daar niks over zeggen".

Van Klinken: „Ik bestrijd dat. Je kunt vanuit gereformeerd standpunt pedagogische beginselen formuleren".

Niet schuldig

Blaauwendraat: „Misschien is er een misverstand bij Sturm. Neemt Waterink wel zo'n grote plaats in bij het theoretiseren over pedagogiek? Op De Driestar hebben we nog nooit geprobeerd zijn ideeën te actualiseren. Er staat geen boek van hem op de literatuurlijst van de pabo-studenten. Ook bij de mo-opleiding is er marginaal aandacht voor Waterink". 

Dat lijkt in tegenspraak met wat Sturm eerder opmerkte over de steeds terugkerende belangstelling in reformatorische kring voor Waterink. 

Blaauwendraat: „Ik ben daar niet schuldig aan. Waar het over gaat, is dit: Augustinus vindt de studie van de heidense wetenschappen belangrijk, omdat je daar waarheidselementen uit kunt halen, die je kunt kerstenen en integreren in je denken. Dat zelfde vind je bij Calvijn ten aanzien van de studie van de klassieken. Die lijn zie ik ook. De Driestar heeft zich afgevraagd: Wat voor nieuws hebben wij als mo-opleiding te brengen? Daarom onderzoeken wij wat op eigen erf is gebeurd. In dat kader komt ook Waterink aan de orde, maar hij wordt even kritisch bekeken en beoordeeld als welke andere pedagoog ook. Persoonlijk vind ik dat Langeveld Èils wetenschapper veel meer heeft gepresteerd dan Waterink".

Didactiek

Sturm: „Je plaatst je toch een beetje buiten de wetenschap door Calvijn en Augustinus te citeren, ik geloof er niet in om stukjes gouden vaten uit de heidense wetenscnap te plukken en die te integreren in je eigen christelijke wetenschap. Gereformeerde wetenschap bestaat gewoon niet".

Blaauwendraat: „Dat heb ik ook niet ontkend. Er is op dit punt overigens wel verdeeldheid in eigen kring. Er zijn mensen die menen datje gereformeerde wetenschap wel kunt formuleren".

Van Klinken: „Ik kom terug op het formuleren van christelijke pedagogische beginselen. Die zijn in mijn opvatting bepalend voor je didactiek". Sturm: „Eén voorbeeld". Van Klinken: „Voor mij is het de vraag of je de aanschouwelijkheid als grondslag voor je onderwijs mag nemen. Waterink heeft ook gewezen op de plaats van het woord in de didactiek. Daar zit een levensbeschouwelijk aspect aan".

Sturm: ,Als je kijkt naar het christelijk onderwijs van de laatste honderd jaar, zie je grote verlegenheid over de vraag wat christelijk onderwijs onderscheidt van ander onderwijs. Het komt altijd neer op de plaats van de Bijbel in de school, een aantal kenmerkende rituelen, zoals bidden, het vieren van bepaalde feestdagen, en een aantal schibbolets van de gereformeerden, zoals cultuur, kleding, niet dansen op schoolfeestjes en dergelijke. Het is nooit anders geweest en het zal ook nooit anders worden'.

Wolf in schaapskleren

Van Klinken: „Kunt u zich voorstellen dat twee mensen hetzelfde zeggen en iets verschillends bedoelen?" Sturm: „Ja, uiteraard". Van Klinken: „Als u dat erkent, is voor mij het bestaansrecht van de christelijke school bewezen".

Sturm: „O, maar dat is het punt helemaal niet. Ik ben een groot voorstander van vrijheid van onderwijs. Ik werk zelf aan een christelijke instelling. Maar waar het mij om gaat, is: Bestaat er zo iets als gereformeerde pedagogiek, gereformeerde wetenschap? En als de reformatorischen in zee gaan met Waterink om die gereformeerde pedagogiek te ontwikkelen, dan halen ze de wolfin schaapskleren binnen". Blaauwendraat: „Dat doen ze dus niet. Sturm: „Dat is een hele opluchting". 

U bent het er allemaal over eens dat gereformeerde pedagogiek niet bestaat. Is dat de reden waarom Waterink het niet heejt gered aan de VU en zijn leeropdracht bij zijn afscheid in 1961 werd verdeeld over maar liefst vijf opvolgers?

Blaauwendraat: „Dat heeft een andere oorzaak. Waterink was pionier aan de VU op het gebied van pedagogiek. De faculteit moest zich ontwikkelen en had grote moeite om een volwaardige plaats in de wetenschap te krijgen. Dat kost enkele tientallen jaren. Als zo n faculteit dan eenmaal geaccepteerd is, ontstaan er allemaal disciplines. Dat geeft alleen maar aan dat Waterink een heel breed terrein bestreek, waar je je petje voor kunt afnemen".

Verval

Sturm: „Er is meer. Waarom is er geen enkele opvolger in het voetspoor van Waterink getreden? Heel simpel. Waterink heeft zijn positie, zijn gezag, 35 jaar ontleend aan het feit dat hij pionier van de neo-calvinistische zuil was. Daardoor heeft hij gebloeid. Met de afbraak van de zuil verloor hij zijn gezag. Ik vind Waterink een heel interessant figuur en ik heb veel waardering voor hem, maar in de wetenschap heb je op het ogenblik niet veel aan hem".

Blaauwendraat: „Het verval van Waterink liep parallel met het verval binnen de Gereformeerde Kerken".

Sturm: „Je moet natuurlijk nooit de confrontatie met de tijd aangaan. De Rooms-Katholieke Kerk doet het wat dat betreft een stuk beter. Die gaat gewoon achterover zitten en heeft: 2000 jaar waarheid. De tijd komt een keer voorbijschieten. Dan loopt ze voor, dan achter, dan parallel. Het maakt allemaal niks uit, want ze heeft de waarheid in pacht. Ondertussen wordt er toch wat aan wetenschap gedaan, maar gescheiden van het geloof Het curieuze van de kuyperianen is dat ze geloof en wetenschap in confrontatie hebben gebracht. Dat is een verloren zaak. Als je dat op elkaar gaat betrekken, hol je je geloof uit". 

Gaat de reformatorische zuil ook die weg?

Van Klinken: „Ik zie inderdaad een sterke parallel. De discussie in de SGP over de positie van de vrouw speelde in de jaren dertig bij de neo-gereformeerden. De roep om een eigen reformatorische pedagogiek, zoals ook Blaauwendraat dat probeert, en de vlucht in eigen organisaties zie ik tevens als parallellen".

Zorgen

Blaauwendraat: „Ik zou niet weten waar de gereformeerde pedagogiek op dit moment uit bestaat. Ik weet ook niet welke bijdrage ik daaraan heb geleverd. Wel probeer ik de wetenschap praktisch te vertalen. Je hebt een probfeem en je kijkt welke wetenschappelijke inzichten er bruikbaar zijn om dat probleem te lijf te gaan. Daarbij spelen waarden en normen altijd een rol. Niet alles is bruikbaar. Ik maak me zorgen over het klimaat in onze scholen. Niet omdat ze onvoldoende onderwijskundige identiteit uitstralen, maar ik zou willen dat ze zich veel sterker bezighouden met de vraag: Wat zijn onze uitgangspunten, wat bezielt ons, wat willen we bereiken? Mijn zorg is dat onze scholen de kinderen volstrekt onvoldoende toerusten voor het leven in een samenleving die sterk seculariseert".

Zedelijke opvoeding

Sturm: „Dat is toch geen discussie specifiek voor een christelijke school? Dat is een kernkwestie van de pedagogiek waar we op de VU al meer dan tien jaar mee bezig zijn".

Blaauwendraat: „De kern van de zedelijke opvoeding vind je al bij mensen van de Nadere Reformatie". 

Wat is uw advies aan de gereformeerde gezindte?

Blaauwendraat: „Laten we ons eerst bezighouden met heel praktische zaken. Er zijn veel bedreigingen die ingrijpen op het hart van de opvoeding. We moeten andere prioriteiten leggen en steeds proberen bijbelse noties concreet te vertalen in eigentijdse situaties. Het onderwijs doet nu een ander appel op leerkrachten en kinderen dan dertig jaar geleden. Daar zouden we ons druk over moeten maken. De nadere reformatoren hebben niet geprobeerd een gereformeerde pedagogiek te ontwikkelen, maar hebben vanuit de Bijbel lijnen getrokken naar vragen die toen actueel waren. Ze hebben het over spel, straf, de rol van geheugen en inzicht en het aansluiten bij de beginsituatie van het kind. Ze kenden geen complete doelstellingen. Wij leven in een tijd dat alles in doelen wordt uitgedrukt, maar dat kom je bij hen niet tegen".

Hulpeloos

Smrm: „Ik zou zeggen: Probeer als christen een goede vader, goede moeder of zelfs goede wetenschapper te zijn. Laten we ophouden met de illusie van het zoeken naar een eigen wetenschap van de opvoeding. Dat heeft het gevaar in zich dat je jezelf buiten de kritiek plaatst. Dat is ook bij Waterink gebeurd. Hij kon zich gewichtig maken, omdat hij voor een eigen zuil stond. Maar het was zo voos als wat. Bavinck is veel meer de discussie met de heidenen aangegaan. Maar goed, hij is aan het eind van z n leven dan ook volstrekt losgekomen van zijn vroegere werk". 

Van Klinken: „Het is een van mijn wensen dat we binnen de reformatorische kring eens gingen proberen christelijke pedagogische beginselen te ontwikkelen, zodat we een instrument hebben om veranderingen in het onderwijs te toetsen. We staan nu vaak zo hulpeloos en we accepteren soms dingen die we niet zouden mogen accepteren". 

Zou u, meneer Sturm, daaraan mee willen werken?

Sturm: „Van Klinken zou toch dol zijn om mij als gesprekspartner te vragen. Dan kan hij heel wat verstandiger mensen vinden. Trouwens, ik zou hem aanraden veel in de Bijbel te lezen, maar dat doet hij waarschijnlijk al".

Van Klinken: „En in de geschriften van Reformatie en Nadere Reformatie. Maar ik wil ook kennis nemen van Waterink, Kohnstamm en Langeveld. Wel kritisch".

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Waterink en zijn mislukte missie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1994

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken