Bekijk het origineel

Koude soep voor een pollepel op één poot

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Koude soep voor een pollepel op één poot

Kwetsbare lepelaar is kieskeurig keurmerk voor schone én veilige leefgebieden in Europa

12 minuten leestijd

De Waddeneilanden worden voor de 'Nederlandse' lepelaars steeds belangrijker. Ruim 1500 jongen werden op Terschelling en Vlieland inmiddels geringd. Het overleven van de kwetsbare vogel hangt echter af van alle schakels op de lange trekroute. Reden om op de Bosplaat een internationale voorlichtingscampagne te starten. En voor zo'n pollepel even je soep te laten staan... Terschelling. De huifkar (vandaag vanwege het zonnetje zonder doek) rolt in een sukkelgang over het met hooi geplaveide pad. Terwijl twee paarden dit tempo van de tocht bepalen, schuift links een tien meter hoge stuifduin voorbij. Een escorte meeuwen houdt met ons gelijke tred, feilloos drijvend op de thermiek. Verbazingwekkend hoe ze hun zwevende lijfjes de juiste koers laten varen. Slechts af en toe is daar die subtiele vleugelslag. Gedwee worden we door golvend rood zwenkgras en een zee van lamsoor (de spinaziachtige, maar oneetbare Limónium vulgare) getrokken. Bij een groene keet roept de koetsier "Ho". We zijn beland in het noordelijkste broedgebied van de lepelaar.

Wapperende kuif

De post van de vogelwachters wordt van april tot september permanent bemand en is daarom voorzien van een stapelbed, een tafel en een keukentje. Het weer zit mee, zodat Jan Bunnink en zijn collega ons in de open lucht ontvangen. De koffie is vers en koppen tomatensoep vinden gretig aftrek.

Verderop in het gebied hebben zich duizenden vogels genesteld. Het kost weinig moeite om mantel- en zilvermeeuwen in beeld te krijgen. Uiteindelijk heeft de kijker het onderwerp te pakken dat ons naar deze plaats trok: een lepelaar. De exotisch ogende vogel -deze staat op één poot- is sneeuwblank en heeft achter op de kop een bleekgele, wapperende kuif. De spatelvormige snavel, glimmend zwart, valt meteen op. De donkere pollepel maait nu niet in brede slagen door het water om driedoornstekelbaarsjes, tiendoornstekeltjes, brakwatersteurgarnalen, kreeftachtige diertjes, slakken en wormen te vaneen, maar geeft veertje na veertje een waterafstotende coating.

De lepelaar schrikt blijkbaar van iets. Met trage vleugelslag gaat hij op de wieken. De hals is gestrekt, de lange steltpoten sleept hij recht achter zich aan. Net een ooievaar. Kom, de soep zal wel koud zijn! Er zijn dieren die voor iedereen vertrouwd zijn en bij de mensen zelfs een zekere voorkeur hebben. Dat komt meestal doordat er in de lectuur voor jonge kinderen reeds aandacht aan wordt gegeven. Onder de vogels is dat bij voorbeeld de roodborst. Van de kleine zoogdieren is de eekhoorn het meest populair geworden. Iedereen geniet van dit beweeglijke dier met zijn mooie pluimstaart. DoorA. Schouten van der Velden De eekhoorn heeft alles mee om door de mens bewonderd en geliefd te worden. Het is opvallend dat hij graag in zijn omgeving leeft. We treffen hem vaker aan in een stadspark dan in uitgestrekte bossen. Op De lepelaar waadt tot aan de buik door ondiep water. Als er een terrein voor deze exotisch ogende vogel geschikt is, komen er ook veel andere en bijzondere vogels voor. Foto T. G. Tuinman

Op de Bosplaat broeden 63 lepelaarparen. De groep is bijzonder vruchtbaar. Vorige week heoben de vogelwachters al 71 jongen geringd. Het grut, herkenbaar aan de vleeskleurige snapelsneb, is bezig met de eerste vlieglessen.

Vroeger moeten er duizenden van deze lepelbekken in ons land hebben gebroed. Het Naardermeer ('s lands eerste natuurmonument) en het Zwanenwater bij Callantsoog waren lange tijd dè kraamkamers. Toen kwam daar de vos en uiteindelijk koos de lepelaar eieren voor zijn geld. De helft van de Nederlandse populatie -driehonderd broedparen- huist thans in de Oostvaardersplassen, waar Reintje zijn watervrees nog niet heeft overwonnen. Mocht het zover zijn, dan moet de lepelaar maar de boom in. „Een lepelaar die zijn nest door een vos laat pakken, verdient het ook niet jongen groot te brengen", zegt Frans Vera in de zojuist verschenen zomereditie van Panda, het donateursblad van het Wereld Natuur Fonds. „Door die klassieke soortbescherming selecteer je op luie, initiatiefloze lepelaars".

Voor de vogels op de Waddeneilanden -dit jaar streken de lepelaars namelijk ook neer op Ameland- speelt dat probleem niet. Vos, bunzing, hermelijn en wezel komen er simpelweg niet voor.

Jachttactiek

Het gekrijs van de meeuwen is niet van de lucht, wanneer we in ganzepas achter Hille van Dijk door hun kolonie lopen. De boswachter van Staatsbosbeheer wil ons het broedgebied van de lepelaar laten ervaren, maar wijkt daarbij niet af van de vaste route. Links en rechts liggen de meeuwe-eieren voor het oprapen. Eén mag er best even het nest uit en gaat de kring rond. Het piept achter de kalkschaal. De lepelaars laten zich tijdens de excursie niet meer zien. Van Dijk vertelt dat de ouderdieren zestig kilometer moeten vliegen om hun buik en die van de jongen vol te krijgen. Het probleem is namelijk dat het voedsel, vooral stekelbaarsjes, op Terschelling niet voor het opscheppen ligt. De meeste prooidieren vinden ze aan de rand van het Wad.

Lepelaars fourageren fraai. In de Oostvaardersplassen konden we ons al eens verbazen over hun jachttactiek. Als groep waadden ze tot aan de buik door het ondiepe water en zwaaiend met hun kop dreven ze de vissen voor zich uit. Op het moment dat de punt van de maaiende slalepels contact maakte met een prooi, ging de vogel op een holletje met opgeheven vleugels zigzaggend achter het visje aan. Het diertje werd tussen de snavelhelften geklemd en met een opgooibeweging naar binnen gewerkt.

Winterkwartieren

Het opbouwen van een behoorlijke vetreserve is van groot belang voor de lepelaar. Begin september staat namelijk een reis van vierduizend kilometer naar Noordwest-Afrika voor de boeg. Daar liggen de belangrijkste winterkwartieren: de waddengebieden voor de kust van Mauretanië en de delta van de Senegal-rivier.

Onderweg benutten lepelaars verschillende locaties in Europa en Marokko om uit te rusten, hun maag te vullen en het verenkleed te ordenen. Juist de situatie in de pleistereebieden bepaalt echter hoeveel vogels de trektocht overleven. „Het lozingsverbod van gechloreerde koolwaterstofien in de Waddenzee heeft een gunstige invloed op de lepelaar

Atletische pluimstaart geheel aangepast aan leven in bomen

De klimreflex van de eekhoorn
goed begroeide campings ontbreekt hij zelden. Dat komt vooral doordat men deze aardige dieren graag voert. Daardoor worden ze spoedig tam. Wanneer ze weten wie pinda's voor hen strooit, komen ze dagelijks hun portie halen. Ze verliezen dan al gauw hun schuwheid en worden zelfs brutaal.

Zijn sierlijke lichaamsvorm met de fraaie staart, de pientere kop met de felle oogjes, de bepluimde oren, die zo parmantig overeind staan, en zijn behendigheid maken de eekhoorn erg aantrekke

Eekhoorns weten precies waar de mensen pinda's voor hen neerleggen. Foto A. Schouten van der Velden lijk. Het is een genot om hem snel langs een dennestam te zien roetsen, zowel omhoog als ondersteboven omlaag. In de boomkruinen springt hij van de ene top naar de andere, vaak in de uiterste punten van de twijgen. Wanneer hij ontdekt wordt, verschuilt hij zich graag achter de stam van de boom. Hij heeft aangeboren klimreflexen, waardoor hij wordt beschermd tegen vallen.

Atletisch

De eekhoorn heeft een scherp gezichtsvermogen en een breed gezichtsveld. Door de bijzondere bouw van het netvlies kan hij uitstekend verticale beelden waarnemen. Dat is belangrijk voor een dier dat vrijwel zijn hele leven in de bomen doorbrengt. Zijn tastgevoel wordt sterk bevorderd door de borstelige haren aan de kop, de hand- en voetwortels, de buitenkant van de armen, het onderlichaam en de staartwortel.

De atletische bosbewoner is geheel aangepast aan het leven in bomen. Hij is slanken lenig. Zijn korte pootjes hebben tenen met vlijmschepe nageltjes; daarmee heeft hij goed houvast in de boomschors. Zijn lange staart doet dienst als roer en evenwichtsorgaan. Met zijn sterk gespierde achterpoten kan hij grote sprongen maken. Het liefst loopt hij van tak op tjik door de boomkruinen. Wanneer die elkaar niet raken, gaat hij tot het uiterste puntje en springt naar de andere tak.

Behendig en vlug rent hij over dikke takken of hangt hij aan dunne twijgen te bengelen. Die takpunten buigen dan ver door en soms denk je dat het mis gaat en de tak zal breken. Hij maakt moeiteloos sprongen van een meter, maar kan ook min of meer glijdend of zeilend afstanden van meer dan drie meter overbruggen. Dan houdt hij zijn ledematen stijf en zo ver mogelijk gespreid en de staart, die dan een belangrijke functie als roer heeft, geheel gestrekt.

De eekhoorn is fraai door zijn roodbruine of soms bijna zwarte vacht. Er zijn veel kleurvariaties. In de winter is zijn vacht meestal iets lichter van kleur dan zijn zomerpels. De onderkant van zijn lichaam is wit. Zijn parmantige oorschelpen dragen sierlijke haarpluimen, die in de winter langer zijn dan in de zomer.

Omnivoor

Eekhoorns leven voornamelijk vegetarisch, maar hun gebit met plooikiezen maakt duidelijk dat ze omnivoren zijn, dus alleseters. Hun voornaamste voedsel bestaat uit zaden, vruchten, knoppen en boomschors. Ze zijn dol op hazelnoten en walnoten, maar ze eten ook graag beukenoten en eikels. Dat menu wisseleti ze af met slakken, insekten, larven en vogcleieren. Ze versmaden ook jonge vogels niet. Die zoeken ze uitsluitend in de tijd dat ze zelf jongen hebben. Ze kunnen bosbouwers schade bezorgen, doordat ze in het voorjaar graag knoppen eten en groeiloten van het naaldnout afbijten om bij de knoppen te kunnen komen.

In de herfst lopen de eekhoorns vaker dan anders op de grond. Dan zoeken ze allerlei zaden als wintervoorraad. Noten en eikels verbergen ze in de grond bij bomen of in boomholten of oude vogelnesten. Veel van die noodvoorraden worden in de winter teruggevonden, maar een deel ervan blijft onvindbaar. De eekhoorns helpen dus door hun hamsterwoede mee aan het verspreiden van die zaaddragende bomen waarvan zij de zaden eten.

Een echte winterslaap houden ze niet, maar als het bar winterweer is, brengen ze die tijd slapend in hun warme en droge nest door. Nu en dan komen ze eruit om stand, maar is niet genoeg", zegt Freek Zwart van Staatsbosbeheer. „De hele trekbaan moet veilig zijn. Verlies van pleisterplaatsen door ontwatering, vervuiling en inpoldering eisen hun tol. Bovendien zien clandestien schietende jagers de fraaie vogel nog steeds als een geliefd doelwit".

Tentoonstelling

Zwart ontwierp een fraaie lepelaarstentoonstelling die afgelopen vrijdag op Terschelling (in het Centrum voor Natuur en Landschap) werd gelanceerd en nu te zien is op ruim 25 plaatsen langs de vliegroute van de lepelaars. De expositie wijst de bevolking van vijf Europse landen op de noodzaak om trekvogels en hun alsmaar afbrokkelende leef- en voedselgebieden te beschermen. Zwart: „De lepelaar fungeert daarbij als een keurmerk voor schoon water, een schone bodem en weinig verstoring door jacht of recreatie". Onder leiding van Staatsbosbeheer kan de broedkolonie op de Bosplaat bezocht worden. Kaarten zijn uitsluitend verkrijgbaar bij VWTerschelling: 05620-3000.

De Bosplaat
Wit zand geselt het ingepote helmgras op de stuifdijk. Korrels waaien omhoog en vormen dan een vluchtige wolk tegen de strakblauwe hemel. Het winderige spel illustreert nog steeds een beetje hoe de Bosplaat zich een halve eeuw geleden aan Terschelling hechtte. Over dit kwelderlandschap, dat zich sinds 1970 het enige Europese natuurmonument in Nederland m^ noemen, is een uitzonderlijk mooi boek verschenen. Auteur George Visser, beheerder van het Biologisch Station Schellingerland, gaat uitgebreid in op de historie, de rol van de eilanders op en de karakteristieke flora en fauna in het gebied. Opvallend is de grote populatie verwilderde huiskatten, prachtig gespierde beesten die in konijneholen leven. Terreinbeheerders schatten de groep op zo'n 125 dieren. Omdat de katten zich ook aan broedvogels vergrijpen, krijgen er elk jaar zo'n vijftig de kogel. Het Bosplaatboek, dat bedoeld is als eerbetoon aan alle Terschellingers die met hun blote handen de stuifdijk hebben aangelegd, staat vol met duidelijke grafieken en tekeningen. Zowel tekst als foto's zuUeTi elke liefhebber van het Waddeneiland aanspreken. N.a.v. "De Bosplaat: Terschellingets scheppen Europees natuurreservaat", door George Visser; uitg. Van Gorcum, Assen, 1994; 114 biz.; prijs 39,95 gulden. wat voedsel te zoeken. Ze eten dan graag zaden van dennekegels. Daarvan is altijd volop voorraad in de bossen, als ander voedsel door sneeuw of ijzel onbereikbaar is. Om de zaden te kunnen bereiken, knagen ze keurig alle schubben van de kegelas af. Op sommige plaatsen liggen vaak honderden kaalgebeten kegels.

Stevige nesten

Eekhoorns bouwen soms zelf een groot, rond en overdekt nest van takken en twijgen in een takvork van oude bomen. Vaak gebruiken ze oude nesten van kraaien of eksters. Die renoveren ze en geven er de gewenste vorm aan. Het nest van een ekster heeft al de ronde en overdekte vorm, zoals de eekhoorn die ook wil. Zo'n nest wordt aan de binnenkant met zacht materiaal bekleed, waardoor een warme en veilige schuilplaats ontstaat. Eekhoorns maken ook speel- of slaapnesten, waaraan ze niet zulke hoge eisen stellen. Als kraamkamer wordt een degelijk en warm nest gebouwd. Dat is noodzakelijk, want de jongen worden vaak al in januari of februari geboren, als het nog vinnig koud kan zijn.

In net kraamnest komen drie of soms acht, maar als regel vijf jongen. Die zijn naakt en blind en volslagen hulpeloos. De moeder zoogt en verzorgt ze. Na twee weken krijgen de jonge dieren zacht donshaar en nog een week later hebben ze al een aardige vacht. Het duurt ongeveer dertig dagen voor hun ogen opengaan. Als ze zes of zeven weken oud zijn, gaan ze het nest uit en een week later trekken ze zelfstandig het bos in.

Wanneer er sneeuw ligt, laten de eekhoorns een duidelijk en gemakkelijk herkenbaar spoor achter. Het begint en eindigt altijcf bij een boom. Tijdens het lopen plaatsen ze hun achterpoten voorbij de voorpoten, precies zoals de haas en het konijn dat doen. De vier prenten staan dicht bij elkaar; die van de achterpoten schuin voor die van de voorpoten. De klauwtjes zijn meestal duidelijk afgetekend; van de voorpoten worden vier en van de achterpoten vijf tenen afgedrukt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1994

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Koude soep voor een pollepel op één poot

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juni 1994

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken