Bekijk het origineel

Van fabrieksmeisje tot zendelinge

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van fabrieksmeisje tot zendelinge

Mary Slessor nam de tijd voor twee dingen: bijbelonderzoek en brieven schrijven

18 minuten leestijd

Mary Mitchell Slessor was een vrouwelijke pendant van de veel bekendere David Livingstone. Haar naam roept in Engeland en Schotland onmiddellijk weerklank op. Zij was het Schotse fabrieksmeisje dat als zendelinge naar Afrika ging. Haar biografie is een boeiend relaas van zelfverloochening, geloofsmoed en trouw.

Wie was Mary Mitchell Slessor? Ze werd op 2 december 1848 geboren in Gilcomston, een buitenwijk van de stad Aberdeen aan de Schotse oostkust. Mary was het tweede kind van de zeven kinderen van Robert Slessor en zijn vrouw, Slessor was schoenmaker. Het schijnt dat hij kerkelijk niet meeleefde; dit in tegenstelling tot zijn vrouw, die lid was van de United Presbyterian Church aan de Belmont Street.

Ongeveer gelijktijdig met de geboorte van Mary vatte de United Presbyterian Church het zendingswerk aan de Calabarkust aan. Dat is een gebied in wat nu Nigeria is, helemaal in het oosten dichtbij de grens van Kameroen. Moeder Slessor, die heel sterk meeleefde met het zendingswerk, heeft wel niet vermoed dat haar pasgeboren dochtertje later een heel belangrijke plaats zou innemen in dat werk.

In het gezin Slessor ging het niet goed. Vader Slessor raakte aan de drank, en hij kon de kost niet meer verdienen voor zijn gezin. In een poging om „een nieuw leven te beginnen" verhuisde het gezin in 1859 van Aberdeen naar Dundee, dat toen sterk opkwam. Ze hebben het daar heel arm gehad, en zelfs hun meubels moeten verkopen.

Wild, vrolijk en gevat

Slessor werkte daar tegen een karig loon in een fabriek. Moeder Slessor was in het gezin een bron van warmte en liefde. Bovenal: ze ging haar kinderen voor in de dienst des Heeren. Maar dit scheen althans op Mary weinig indruk te maken. Ze was een wild, luidruchtig kind, vrolijk en gevat, dat vrijwel nooit dacht aan haar eeuwige belangen.

Een oude weduwe die daar in de buurt woonde, was begaan met de kinderen uit de buurt. Voor het merendeel groeiden ze helemaal op zonder de dienst en het Woord van God. Ze riep de kinderen dikwijls binnen om met ze te spreken en ze te vermanen.

Eens, op een winterdag, brandde er in haar woning een groot vuur in de haard, en ze zat met een aantal kinderen rond dat vuur. Ze wilde de kinderen de ernst van het onbekeerd zijn duidelijk maken, en daarom greep ze naar een wel heel drastisch middel. Ze zei: „Kinderen, zien jullie dat vuur? Als je je hand erin zou steken, zou dat heel pijnlijk zijn. Je zou je verschrikkelijk branden. Maar wie zich niet bekeert en in de Heere Jezus Christus gelooft, zal voor eeuwig branden!"

Die woorden drongen als een pijl in Mary's hart. Ze gevoelde er iets van wat het is verloren te gaan... Ze kon er niet van slapen, en ze vond geen rust, tot ze rust vond in de grote Rustaanbrenger. „Ik ben door het helse vuur het koninkrijk der hemelen binnengejaagd!" zei ze later dikwijls.

In de weverij

Doordat Mary's moeder gedwongen was de hele dag in een fabriek te werken, kwam het huishoudelijke werk grotendeels op Mary neer. Maar toen ze elf jaar geworden was, moest ook Mary gaan werken. Ze werd aangenomen bij de textielfabriek van Baxter Brother & Co., eerst als "half-timer". Dat betekende dat ze een halve dag werkte, en een halve dag naar school ging.

Maar al gauw ging ze hele dagen werken, en bezocht ze in de avonduren een school. In de fabriek van Baxter werd gewerkt van 6 uur in de morgen tot 6 uur in de avond, met een pauze van een uur voor het ontbijt en een uur voor het middagmaal.

In haar schooljaren had Mary maar weinig geleerd, ook al door haar speelse aard. Maar ze leerde rekenen, lezen en schrijven. Toch had ze een grote dorst naar kennis, en al spoedig nam ze een boek mee naar de weefstoel. Die boeken leende ze uit de bibliotheek van de kerk en van de zondagsschool. De zondagsschool dooriiep ze geheel, en daarna ging ze naar de "Bible Class", wij zouden nu zeggen een vereniging. Maar dan wel een vereniging die ambtelijk door de kerk werd geleid, en waarvoor een leerplan was vastgesteld.

Echte dronkaard

Vader Slessor was in die jaren een echte dronkaard geworden. Als hij nuchter was, was hij een vriendelijk man, maar hij was volledig in de macht van de drankduivel ge-, raakt. Soms moesten er kledingstukken naar de Bank van Lening worden gebracht, omdat hij elk geldstukje dat hij maar kon bemachtigen direct omzette in sterke drank.

Moeder en dochter stonden in dat grote verdriet dicht bij elkaar. In Mary's leven kwam de vreze des Heeren steeds meer openbaar. Toen een vriendin haar eens vroeg, waardoor ze zo veranderd was, pakte ze haar Bijbel en zei: „Dit boek heeft een ander meisje van me gemaakt!"

Ze begon kinderen uit de sloppen te verzamelen om ze enig onderricht te geven in Gods Woord. In de buurt sprak men over "Mary Slessor's Meeting", het zaaltje van Mary Slessor. Zo kwam ze ook in de allerarmste gezinnen, waar ze altijd een vriendelijk woord sprak en een helpende hand bood.

Ze las in die jaren heel veel. Soms werd ze door dat lezen opgebeurd, soms ook terneergeslagen. Zo had ze eens het boek van Philip Doddrigde gelezen, over "Het ontstaan en de voortgang van de religie in de ziel", een boek dat bij velen in Schotland in hoog aanzien stond. Maar ze kon er niet mee overweg: Doddridge schreef dat mediteren noodzakelijk is voor het welzijn van de ziel. En Mary kon niet mediteren!

Roeping

Mary had altijd, net als haar moeder, grote belangstelling gehad voor het werk van de zending. De United Presbyterian Church waarvan ze lid waren, had zendingsterreinen in India, China, Japan, Zuid-Afrika en aan de Calabarkust. Elke maand kon men in de "Missionary Record" lezen over de voortgang van het werk. De kerkleden leefden over het algemeen heel sterk mee met de zending, en als er zendelingen met verlof waren en dan kwamen spreken over hun arbeid was de belangstelling doorgaans overweldigend.

Toen ds. William Anderson eens een beroep had gedaan op de jonge mensen met het oog op de zendingsvelden, werd er in het gezin gesproken over zoon John. Maar John had daar geen roeping voor. Zijn gezondheid maakte het nodig naar een milder klimaat te verhuizen. Dat gebeurde, maar toen hij nog maar een week in zijn nieuwe vaderland -Nieuw-Zeeland- was, stierf hij.

Toen kwam voor het eerst bij Mary de gedachte op: Zou hier mogelijk een taak voor mij liggen? Zou ik mogen doen wat John niet kon doen? Roept de Heere mij? Langzaamaan rijpten die gedachten tot een sterk roepingsbesef Ze sprak daar met geen mens over, zelfs niet met haar moeder, met wie ze overigens zo'n sterke geestelijke band had. Mary wilde in deze zaak niet met vlees en bloed te rade gaan.

Livingstone's dood

In 1874 stierf David Livingstone. Zijn dood maakte misschien nóg meer indruk dan zijn werkzame leven. Mary Slessor overdacht alles nogeens biddend: het schijnt dat vader Slessor toen al gestorven was, en het gezin was er financieel wat beter aan toe. Wat dat betreft, zou Mary gemist kunnen worden.

Mary besprak haar roeping met haar moeder, die blij verrast haar toestemming gaf, en zo bood Mary in mei 1875 haar diensten aan voor het zendingsveld. Ze heeft het later verteld, hoe „haar hart al in Calabar was, eer haar lichaam daar was". In dat moeilijke gebied konden vrouwen heel belangrijk werk doen, omdat ze konden komen op plaatsen waar mannen geen toegang hadden. Miss Miller, later mevrouw Sutherland, had daar een uitstekende reputatie opgebouwd als een trouwe werkster. De deputaten, de Foreign Mission Board, namen Mary gaarne aan. Ze moest eerst in Dundee bepaalde studies volbrengen en vanaf maart 1876 naar Edinburgh gaan om daar een speciale voorbereiding te krijgen. Toen ze uit het "hofje", waar ze in Dundee woonde, vertrok, was ze in tranen. Tegen een vriendin zei ze: „Tot ziens, en bid voor me!"

In Edinburgh

In Edinburgh vond ze een kamer ten huize van Robert Martin, een evangelist. Ze sloot vriendschap met diens dochter Mary, en ook met Mary Doig. Ze stonden bekend als de "drie Mary's". Heel sterk was de vriendschapsband met een getrouwde zuster van Mary Doig, mevrouw M'Crindle. Die vriendschap heeft hun leven lang geduurd. Wanneer Mary met verlof naar Schotland kwam, verbleef ze meestal bij de M'Crindle's.

Ook Mary Martin en Mary Doig voelden zich gedrongen om zich aan te melden voor het zendingswerk. Ze zijn samen naar China gegaan. In juli 1876 besloot men Mary Slessor naar de Calabarkust te sturen. Haar salaris werd vastgesteld op 60 pond per jaar. Op 5 augustus 1876 vertrok ze met het stoomschip "Ethiopia" uit Liverpool. Het schip vervoerde onder meer een grote lading sterke drank, wat aan Mary de opmerking ontlokte: „Een heleboel kisten drank, en maar één zendelinge!"

Mary genoot van de zeereis, die op 11 september eindigde toen de "Ethiopia" aan de Calabarkust de Cross River opvoer. Wat haar aan boord echter sterk hinderde, was dat er totaal geen rekening werd gehouden met de dag des Heeren. Er werd ook geen kerkdienst gehouden. Ze was daarom blij eindelijk op haar bestemming te zijn.

Zendingspost

De zendingspost maakte indruk op haar. Alles was goed geregeld: er was een kerk en een school, de kerkgangers waren netjes gekleed en gedroegen zich eerbiedig, de zwarte voorgangers waren zuiver en krachtig in hun preken. Het werk was daar bijna 30 jaar geleden begonnen en voorspoedig uitgegroeid.

Toen Mary daar aankwam, waren er in het hele Calabargebied vier zendingspredikanten, acht onderwijzers en onderwijzeressen, en achttien zwarte helpers. Op zondag kwamen er ongeveer duizend mensen naar de kerkdiensten. Men was heel voorzichtig met het dopen van Afrikanen, omdat men een oppervlakkige "volksovergang" tot het christendom wilde vermijden. Er waren toen in Calabar 174 gedoopte Afrikanen.

Calabar, in de bocht van Guinee, geldt als een van de ongezondste streken van de hele wereld, althans voor een blanke. De zwarte bevolking was geruïneerd door de slavernij -toen de vloek van Afrika- en dit had geleid tot een laag moreel peil.

Bloeddorstig

Reizigers die deze stammen beschreven, kwamen woorden tekort om hun afkeer uit te drukken. Ze noemden deze mensen bloeddorstig, wild, sluw, wreed, verraderlijk, wellustig, duivels, diefachtig, afgodisch en moordlustig! Daar, in dat land, werd Mary al spoedig bij het zendigswerk betrokken als onderwijzeres. Zo leerde ze het leven van de Afrikanen kennen, met hun bijgeloof, slavernij, ziekte en wreedheid. Ze deed haar uiterste best om de stamtalen te leren, en dat waren er heel wat. Gelukkig waren de verschillen meestal klein.

Er bestond toen in Calabar nog geen centraal gezag, hoewel Engeland het gebied tot zijn invloedssfeer rekende. Stamhoofden oefenden, bijgestaan door een raad van oude mannen, een onbeperkt gezag uit over hun onderdanen. Ze konden beschikken over leven en dood...

De mensen leefden voortdurend in angst voor de boze geesten, de Juju's, en voor de Egbomannen. Van die mannen geloofde men dat ze afgezanten waren van Egbo, een afgod die diep in het oerwoud woonde. Zulke mannen kwamen soms plotseling uit het bos rennen, gemaskerd en angstaanjagend uitgedost, met zwepen in hun hand. Ze stalen en vernielden van alles. Alle vrouwen verstopten zich bij hun nadering, want als de Egbomannen een vrouw aantroffen, ontkleedden en geselden ze haar.

Heimwee

Na een tijd van ernstige ziekte en geestelijke beproevingen werd het Mary tijdelijk bijna te machtig. Een arts constateerde heimwee, en men besloot haar met verlof naar Schotland te zenden.

In juni 1879 vertrok ze uit Calabar naar Dundee, waar ze haeu' moeder en zusters in goede welstand aantrof. Het was goed weer in Schotland te zijn, en toch: haar hart was in Afrika. En'toen haar gezondheid dat weer toeliet, kon ze teruggaan naar Afrika, genezen van haar heimwee.

In oktober 1880 was ze weer op weg naar Calabar. Daar aangekomen kreeg ze een eigen post toegewezen: Old Town. Dat was een nog zeer heidense streek: tweelingen werden daar vermoord of in het oerwoud achtergelaten, af en toe werden er nog mensenoffers gebracht, en wanneer een rijke man stierf, werden niet alleen zijn vrouwen, maar ook slaven en slavinnen gedood om in het "hiernamaals" als zijn gevolg te dienen.

In oktober 1886 kreeg Mary een nieuw arbeidsterrein aangewezen, het gebied waar de Okoyong woonden. Dat was een stam van trotse, krijgshaftige Bantoe-negers. Ze kenden nog vele barbaarse praktijken. Schuld of onschuld in rechtszaken werd 'aangetoond' door kokende olie over de handen van een verdachte te gieten, of hem een giftige eseré-boon te laten opeten. Wanneer de kokende olie pijn deed en brandblaren veroorzaakte, of wanneer de verdachte stierf aan het vergif, was zijn schuld bewezen. Mary deed al haar best om biddend en vermanend een einde te maken aan zulke gebruiken. Vooral in die streek heeft ze kennis gemaakt met de duivelse macht en wreedheid van de toverdokters. Hier was de troon van satan...

En toch moesten ook de vorsten van de Okoyong het erkennen dat de God die de zendelingen verkondigden, machtiger was dan de krachten der duisternis. In die jaren in Okoyong werd ze ten huwelijk gevraagd door de veel jongere onderwijzer aan een zendingsschool, Charles W. Morrison. Ze nam dat aanzoek aan. Maar toen de zendingsdeputaten niet toestonden dat Morrison werd overgeplaatst naar het Okoyong-gebied, zag Mary van dit huwelijk af.

Mary Kingsley

In 1893 bracht de avontuurlijke reizigster Mary Kingsley een bezoek aan West-Afrika. Hoewel Mary Kingsley een totaal ongelovige vrouw was, kreeg ze toch diep respect voor Mary Slessor. In miss Kingsley's boek "Reizen in West-Afrika" (Travels in West-Africa) beschrijft ze haar bezoek aan Mary Slessor.

Intussen bleef de arbeid van Mary Slessor en anderen in Schotland niet onbekend. Dit leidde ertoe dat zendingsverenigingen, zondagsscholen en kerken allerlei gaven naar Afrika stuurden. Soms zaten ze in zware kisten, die onder gezang en tromgeroffel door sterke mannen naar de woning van Mary Slessor werden gedragen. Het hele dorp was aanwezig wanneer zo'n kist werd geopend, en Mary nam de tijd voor het uitpakken.

Tijd betekent immers niets voor een Afrikaan... Vrouwen en meisjes kregen jurken, rokken en schorten. Een nogal bonte jurk werd aan een dorpshoofd gegeven, die hem aantrok wanneer hij recht moest spreken, tot bewondering van de dorpsbewoners. Gereedschappen waren bij de mannen zeer welkom, evenals snoepjes en bijbelse teksten. Poppen kregen de Afrikaanse meisjes niet: meer dan eens had Mary gemerkt dat ze werden beschouwd als afgoden.

Verplicht verlof

Dag in dag uit verrichtte deze niet sterke, maar biddende en wilskrachtige vrouw onnoemelijk veel werk, en dat onder omstandigheden die dikwijls moedbenemend waren. In 1898 verplichtten de zendingsdeputaten haar tot het opnemen van verlof, omdat haar gezondheid zeer geleden had.

Mary zag er tegen op „terug te moeten naar de beschaving", en bovendien wilde ze de negerkinderen die ze bij zich in huis genomen had niet achterlaten. Ze wist een aantal van hen in vertrouwde handen te brengen. Vier meisjes nam de zendingswerkster mee. Zo ging ze op reis. Ze was echter zo uitgeput dat ze aan boord van het schip moest worden gedragen.

Toen ze op het Waverley Station in Edinburgh mevrouw M'Crindle ontmoette, gaf ze haar één voor één haar negermeisjes aan, wat tot enige opschudding bij het spoorwegpersoneel aanleiding gaf... Mary Slessor werd heel dikwijls gevraagd om over haar werk te spreken. Dat viel haar nooit, mee, want ze was bepaald afkerig van publiciteit, vooral als er mannen onder haar gehoor waren. Het maakte echter wel indruk als ze vertelde dat ze 25 tweelingen, dus vijftig kinderen van de dood had kunnen redden. In 1900 kreeg ze in Calabar weer een andere standplaats. Creek Town.

Engels gezag

In die jaren begonnen de Engelsen hun gezag in Nigeria daadwerkelijk te vestigen, wat enerzijds wel meer bescherming bood, maar toch ook zorgde voor vele spanningen. Mary ondervond in dit alles toch Gods leiding, en aan een van haar vriendinnen schreef ze daarover: „Wat heeft de Heere toch kennelijk in alles geleid. Er zijn dingen gebeurd waar ik nooit over had kunnen denken, die niet waren volgens mijn gedachten, maar naar Zijn voornemen in dit land".

Haar afgebeulde lichaam begon het ten slotte te begeven. Begin 1907 kon ze nog maar een paar stappen zetten. Toen werd het zelfs haar duidelijk dat ze zo niet verder kon werken. In mei van dat jaar vertrok ze naar Schotland.

Toen haar trouwe vriendin mevrouw M'Crindle haar op het station in Edinburgh afhaalde, kon Mary Slessor niet uitstappen. Uiterst vermoeid zat ze in een hoekje in de wagon, niet bij machte nog een stap te zetten. Ze werd naar het huis van de M'Crindle's gebracht, waar ze tot rust kon komen.

Toen ze wat was opgeknapt, bezocht ze verschillende bekenden, op de fiets. Hoewel ze van alle kanten hartelijkheid ondervond, was het toch duidelijk dat ze eigenlijk niet meer paste in Schotland. „Alles is me hier te vol, te druk, te ingewikkeld", was haar verzuchting. Men wilde haar overhalen in Schodand te blijven, maar ze was niet te vermurwen: ze ging terug, nu voor het laatst.

Twee zendingsposten

In Creek Town, waar ze weer aan het werk ging, waren toen twee zendingsposten, Okpo en Akani Obio, met in totaal 85 leden in "full communion". Dat waren dus mensen die verslag konden doen van hun geloof en bekering, en die op die belijdenis waren gedoopt.

Die laatste jaren had ze veel te kampen met een slechte gezondheid. Midden op een drukke werkdag is ze eens in elkaar gezakt, zodat ze met een auto van de regering naar de kliniek van dr. Robertson gebracht moest worden. Ze kwam weer wat bij, maar ze is nooit meer de oude geworden. Vrienden zorgden ervoor dat ze voor het eerst van haar leven een echte vakantie kreeg, in een hotel op de Canarische Eilanden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, greep haar sterk aan. Men vreesde zelfs voor haar leven. Nog even veerde ze op, maar haar sterke geest kon haar uitgeputte lichaam niet langer sterken. Op woensdag 13 februari 1915 stierf ze, om half 4 in de morgen. Kort voor haar sterven had ze nog gezegd: „De zangtijd is daar, waar Christus is". Nog diezelfde dag werd haar lichaam overgebracht naar Duke Town, waar op alle overheidsgebouwen de vlag halfstok hing. Op 14 februari werd ze begraven op het kerkhof op Mission Hill. Aan een werkzaam leven vol zelfverloochening was een einde gekomen.

Aparte vrouw

Mary Mitchell Slessor was een bijzonder, aparte vrouw, zakelijk, met een brede belangstelling. Toch was ze verlegen en teruggetrokken, en tevens gekenmerkt door grote eenvoud in haar persoonlijke leven. Ze beschikte over grote morele moed, maar ze kon ook bang zijn voor een kleinigheid.

Ook leefde ze dicht bij het Woord. Ze was eigenlijk nooit zonder haar Bijbel. Om voldoende tijd te hebben voor haar persoonlijke bijbelonderzoek stond ze zo gauw het licht genoeg was om te kunnen lezen op. Meestal was dat ongeveer half zes in de morgen. Dan ging ze met de Bijbel vóór zich aan een tafel zitten, met een fijnschrijvende pen in haar hand. Na gebeden te hebben om licht, begon ze daarna te lezen, te herlezen en te overdenken. Ze onderstreepte woorden en zinsdelen die bijzonder haar aandacht trokken.

In de kantlijn schreef ze de lessen die een hoofdstuk bevatte op. Soms deed ze wel drie dagen over een hoofdstuk. Op die manier las ze biddend en studerend alle bijbelboeken door. Als ze de hele Bijbel had doorgelezen en heel de marge had volgeschreven, begon ze opnieuw.

Enkele van haar aantekeningen op de rand van de bladzijden laten we hier volgen: „God is nooit te laat, al denken wij dat weleens"; „Gaven bewaren niet voor de zonde, alleen genade"; „De zonde brengt verlies mee voor tijd en eeuwigheid"; „Wie speelt met de verzoekingen mag niet verwachten dat de Heere hem bewaart"; „Een vleselijke arm verschaft nooit sterkte"; „In de natuur en in de genade zijn de allerkleinste zaken net zo noodzakelijk als de allergrootste".

Geestelijke duisternis

Ze kende ook tijden van geestelijke duisternis. In al haar Afrikaanse jaren is ze geplaagd door malaria. Tegen het einde van haar leven, toen ze een onderscheiding kreeg, vroeg men haar om haar leven te beschrijven. Ze keek daar vreemd van op: Ze had toch niets bijzonders gedaan? Ten slotte zwichtte ze voor de aandrang die op haar werd uitgeoefend, en beloofde ze een en ander te zullen opschrijven.

Maar voor er een letter op papier stond, stierf ze. Toch was er voldoende materiaal voorhanden voor het schrijven van haar levensverhaal. Vooral haar uitgebreide brieven waren een belangrijke bron daarvoor. Want voor twee dingen nam Mary Slessor de tijd: voor het persoonlijke bijbelonderzoek en voor haar briefwisseling.

Ze vond haar eigen leven heel gewoon en alledaags, maar, zoals ze het neerschreef in een van haar brieven: „Er is niets zo klein of zo gewoon, of God kan erdoor werken". Die overtuiging heeft haar in staat gesteld om onder zeer moeilijke omstandigheden te werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

Van fabrieksmeisje tot zendelinge

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1994

Reformatorisch Dagblad | 24 Pagina's

PDF Bekijken