Bekijk het origineel

„Gelukkig geen eenheidsworst

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Gelukkig geen eenheidsworst"

Vernieuwing vbo/mavo dwingt tot regionale samenwerking

10 minuten leestijd

Het is geen revolutionair voorstel, toch rekent het af met een taboe. De commissie-Van Veen presenteerde vorige week haar visie op de toekomst van het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) en het mavo. Drs. D. Vogelaar, rector van de Pieter Zandtscholengemeenschap in Kampen/IJsselmuiden, vindt de ideeën „weldadig" aandoen. Hij heeft één groot bezwaar. De veelgeprezen regionalisering in het onderwijs -„een reële dreiging voor reformatorische scholen"is ook nu weer hét uitgangspunt. Een reactie.

Het gaat bepaald niet over een 'restgroep'. Ruim een half miljoen leerlingen in ons land zitten op een vbo- of mavoschool. Dat is maar liefst 60 procent van het totale aantal scholieren in het voortgezet onderwijs. Er is ook geen reden om schamper te doen over hun toekomstmogelijkheden. Een groot deel stroomt na vier jaar door naar een beroepsopleiding. Daarna zijn ze gewild op de arbeidsmarkt. „Zonder veel overdrijving kan gesteld worden dat de Nederlandse economie voor een groot deel afhankelijk is van deze leerlingen", schrijft de commissie-Van Veen in haar rapport "Recht doen aan verscheidenheid".

Waarom dan toch een compleet nieuwe structuur voor het vbo en mavo? „Dat heeft te maken met de aansluiting van het vbo/mavo op het vervolgonderwijs", verklaart drs. Vogelaar. Lang niet iedereen verlaat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) of het leerlingwezen (een combinatie van leren en werken) met een diploma. „Het aantal uitvallers onderweg is groot. Het mbo heeft een rendement van 60 procent, het leerlingwezen van 50 procent. Kortom, leerlingen die hun opleiding afmaken, doen het goed op de arbeidsmarkt. Er zijn er echter te weinig die de eindstreep' halen", aldus Vogelaar.

Devaluatie
Er is volgens de commissie-Van Veen sprake van een aansluitingsprobleem. Vogelaar deelt die mening. „Je kunt echter niet per definitie de oorzaak van dat probleem bij het vbo/mavo zoeken. Het is wel wijs geweest van de commissie om aan de kant van het vbo/mavo te beginnen en te kijken hoe de aansluiting met het vervolgonderwijs verbeterd kan worden".

De invoering van vier examenniveaus (A, B, C en D) om recht te doen aan verschillen tussen vbo-/mavo-leerlingen, is volgens de Kampense rector haar doel voorbij geschoten. „Het aantal uitvallers is weliswaar verminderd, maar er is een enorme devaluatie van het diploma opgetreden. Er gaan zelfs geruchten dat het Aniveau op de ene school gelijk is aan het C-niveau op de andere. Ik betwijfel dat, maar het is wel een feit dat er steeds meer leerlingen examen doen op B- of A-niveau. Zij hebben na vier jaar een diploma dat maatschappelijk gezien zeer geringe waarde heeft. Wat kunnen ze ermee? Alleen ongeschoold werk".

De commissie-Van Veen stelt voor de vrije vakkenpakketkeuze, zoals die nu mogelijk is, te vervangen door vijf leerwegen:

• een theoretische leerweg, die opleidt voor het lang-mbo of het havo en die wordt gegeven door mavo-scholen;

• een beroepsgerichte leerweg, die opleidt voor het lang-mbo of het kort-mbo/leerlingwezen, verzorgd door vbo-scholen;

• een gemengde leerweg met een combinatie van een theorie- en een beroepsgerichte aanpak, die wordt gegeven door scholen met ten minste mavo en vbo;

• een individuele leerweg, te vergelijken met het huidige individueel voorbereidend beroepsonderwijs (ivbo), voor leerlingen die moeite hebben met de drie andere leerwegen;

• een arbeidsmarktgerichte leerweg, speciaal bedoeld voor leerlingen die niet zijn gemotiveerd om lang te leren, daar ook vaak de capaciteiten voor missen en na hun schooltijd zo snel mogelijk aan het werk willen. Zij volgen een op maat gesneden onderwijsprogramma.

Wildgroei

Vogelaar vindt het goed dat de vrije vakkenpakketkeuze beperkt wordt. „Er is nu wildgroei, vooral in het mavo. Vrijwel alles is mogelijk, hoewel decanen er natuurlijk steeds op wijzen dat je voor bepaalde vervolgopleidingen bijvoorbeeld wiskunde of juist talen nodig hebt. Maar toch is het goed dat die keuzevrijheid wordt beperkt. De nieuwe stnictuur brengt het aantal mogelijkheden met 25 procent terug".

De vijf leerwegen bieden voldoende variatie, constateert Vogelaar. „Er wordt duidelijk gemikt op bestaande leerlingenstromen en leerstijlen. De theoretische leerweg is zo ongeveer het huidige mavo met zes vakken op D-niveau en de beroepsgerichte leerweg mikt op leerlingen die nu examen doen op B-niveau. De gemengde leerweg is er onder meer voor zwakkere mavo-leerlingen, bijvoorbeeld met drie keer C- en drie keer D-niveau. De individuele leerweg is het huidige ivbo. Bij de arbeidsmarktgerichte variant kun je onder meer denken aan leerlingen die nu in het voortgezet speciaal onderwijs zitten. Er is dus sprake van zorgverbreding. Dat is een goede ontwikkeling".

Verbreding

Het huidige vbo telt achttien verschillende afdelingen, variërend van motorvoertuigentechniek tot uiterlijke verzorging. Deze afdelingen worden allemaal opnieuw gegroepeerd in vier sectoren: techniek, dienstverlening, economie en landbouw. In principe worden alle leerwegen in elke sector aangeboden. Het uitgangspunt is wel dat er in elke regio zogenaamde kemafdelingen komen, maar dat slechts een beperkt aantal scholen specifieke afdelingen krijgt.

De commissie-Van Veen heeft per leerweg en per sector vakkenpakketten vastgesteld, die uit de volgende onderdelen bestaan: verplichte algemene examenvakken (Nederlands en Engels), verplichte algemene vakken (maatschappijleer, tekenen, handvaardigheid en gymnastiek), doorstroomverplichte examenvakken (nodig om toegelaten te kunnen worden voor een bepaalde vervolgopleiding), doorstroomrelevante examenvakken (verplichte keuzevakken om het pakket te verdiepen) en vrije vakken (door de school nader in te vullen).

Is het accent verschoven van praktijk naar theorie? Vogelaar: „Door de clustering van afdelingen treedt er inderdaad enige verbreding op of, zo je wilt, veralgemenisering. Maar bij de beroepsgerichte leerweg is het aantal uren voor de praktijkvakken juist vergroot. Deze leerweg houdt voldoende rekening met een herkenbare groep leerlingen in het vbo, namelijk die kinderen die meer praktisch dan theoretisch zijn aangelegd. Ook klinkt in het hele voorstel de didactische roep door om meer aandacht te besteden aan algemene vaardigheden, zoals dat ook in de basisvorming gebeurt".

Meer samenwerking

De indeling in sectoren is ontleend aan het mbo. Ook de tweede fase in het havo/vwo wordt volgens dergelijke profielen opgezet. „Het is een logische indeling", vindt Vogelaar. „Motorvoertuigentechniek en mechanische techniek worden samengevoegd. Datzelfde geldt voor handel en verkoop en voor elektrotechniek en installatietechniek. Die koppeling zie ik wel zitten. Aan de andere kant blijven afdelingen als bouw en administratie terecht zelfstandig".

Vogelaar zet grote vraagtekens bij de uitwerking van die clustering in de praktijk. „Kun je als school straJcs delen van een cluster blijven geven? Gaat de minister clusters aanvullen of raak je bepaalde afdelingen gewoon kwijt? Dat vind ik nergens terug in het rapport. Wel wordt er geschreven over de noodzaak om regionaal meer samen te werken. Letterlijk staat er dat regionalisering de hoeksteen is van het advies. Er zal geen dwang worden toegepast, schrijft de commissie-Van Veen, maar er is toch in ieder geval sprake van drang".

Voor het reformatorisch onderwijs is de clustering van afdelingen helemaal een probleem, stelt Vogelaar nadrukkelijk. „Stel dat de Pieter Zandt geen motorvoertuigentechniek heeft en de Jacobus Fruytier in Apeldoorn ook niet, moeten onze leerlingen dan naar de Udemans in Hoevelaken? Hoe doe je dat met leerlingen uit Friesland? Achter het voorstel zit natuurlijk de gedachte dat er te veel vbo-afdelingen zijn met soms heel geringe leerlingenaantallen. Dat is waar. Maar deze oplossing roept allerlei vragen op waar het rapport geen antwoord op geeft. Waarschijnlijk heeft de commissie gedacht: Dat is een zaak van de minister".

Gevaarlijk

Het verbaast Vogelaar dat het rapport „geen letter" wijdt aan de verschillende denominaties in het onderwijs en de problemen die daaruit voortvloeien als het gaat om regionale samenwerking. „Dat is een tendens. In de regio Zwolle hebben we een platform van alle scholen voor voortgezet onderwijs. Een van onze directieleden is daar de eerste keer naar toe geweest, maar kwam teleurgesteld terug. Er werd absoluut geen rekening gehouden met identiteitsverschillen. In een aantal gevallen was de grens tussen openbaar en bijzonder onderwijs al moeilijk te trekken, maar het lijkt er tegenwoordig veel op dat alle scholen over één kam worden geschoren, of ze nu openbaar, rooms-katholiek of protestants zijn".

De Pieter Zandt-rector houdt er rekening mee dat vbo-/mavoscholen straks bepaalde afdelingen kwijt kunnen raken. Toch ziet hij lichtpuntjes. „Bij de toewijzing van nieuwe afdelingen heeft de minister altijd rekening gehouden met de afstand naar de dichtstbijzijnde school van dezelfde signatuur. Dat blijft hopelijk zo". Risico's zijn echter niet uitgesloten. „Je zou zelfs plaatselijk een doorstroming van protestants-christelijk onderwijs naar reformatorisch onderwijs of andersom kunnen krijgen, omdat leerlingen anders een bepaalde opleiding niet kunnen volgen. Natuurlijk heb je als school je eigen toelatingsbeleid, maar ik vind dit een manco in het voorstel van de commissie-Van Veen met gevaarlijke tendenzen".

Fusie?

Vogelaar wordt gesterkt in die overtuiging door twee andere schaalvergrotingsoperaties. „Er is in het mbo iets dergelijks aan de hand met de vorming van Regionale Onderwijs Centra (ROC's), waarbij zelfs een reformatorisch college als het Saldenus in Amersfoort het moeilijk kan krijgen. Een ander voorbeeld is het streven naar de vorming van zeven educatieve faculteiten in het hbo, waarin de plaats van de Driestar-pabo onduidelijk is".

Problemen kunnen er ook ontstaan bij scholengemeenschappen die een nevenvestiging hebben, zoals de Rehobothmavo in Lekkerkerk, die deel uitmaakt van het Driestar College. „Wat mag en kan zo'n nevenvestiging straks aanbieden?" Diezelfde vraag duikt op bij scholen die alleen vbo óf alleen mavo/havo/vwo hebben. „Zij kunnen geen gemengde leerweg aanbieden, tenzij ze fuseren".

Concreet voorbeeld in dit verband is het Van Lodensteincollege (avo) in Amersfoort en de Udemansscholengemeenschap (vbo) in Hoevelaken. De scholen vallen onder één bestuur, maar bestaan onafhankelijk van elkaar. In de huidige situatie zouden zij geen gemengde leerweg kunnen aanbieden. „Dat is misschien een extra prikkel om toch eens te gaan denken aan een fusie", reageert Vogelaar. „Ik verwacht namelijk dat die gemengde leerweg best zal aanslaan. De kritiek van het vervolgonderwijs is nu vaak dat mavo-leerlingen een achterstand in de praktijk en vbo-leerlingen in de theorie hebben. Dat probleem wordt opgevangen door die gemengde leerweg".

Weinig deining

De commissie-Van Veen dringt er op aan om de nieuwe structuur in het vbo/mavo zo snel mogelijk in te voeren. Het liefst met ingang van augustus 1995. „Dan zijn de eerste leerlingen klaar met de basisvorming", verduidelijkt Vogelaar. „Het is natuurlijk prachtig als de vbo- en mavo-kandidaten gelijk door kunnen gaan in de nieuwe structuur".

Hoewel het koortsachtig werken zal worden, ziet Vogelaar die datum wel zitten. "Er liggen al voorstellen klaar om dat traject snel af te werken. De voorgestelde leerwegen sluiten behoorlijk aan bij bestaande stromen in het vbo/mavo. Dat maakt het alleen maar makkelijker". Er zal in de politiek weinig deinig ontstaan over het rapport "Recht doen aan verscheidenheid", verwacht de Kampense rector. „Het is geen revolutionair voorstel".

Vogelaars eindoordeel over het werk van de commissie-Van Veen valt positief uit. ,,Het doet weldadig aan dat de commissie rekening heeft gehouden met leerlingen die zo snel mogelijk aan het werk willen. Er is altijd gezegd dat vbo/mavo geen eindstation mag zijn, maar dat taboe wordt nu doorbroken. Door die arbeidsmarktgerichte leerweg komen ook deze leerlingen aan hun trekken, alle verhalen over stigmatisering ten spijt. De commissie heeft beslist geen eenheidsworst van het vbo/mavo gemaakt".

Geen paniek

Het onderwijsveld krijgt het druk de komende tijd. Allereerst zal staatssecretaris Netelenbos op landelijke en regionale bijeenkomsten het rapport van de commissie-Van Veen bespreken met besturen, directies en leerkrachten. In januari geeft zij de Tweede Kamer advies. Als de Kamer positief beslist, moet er in korte tijd een berg werk verzet worden.

Vogelaar: „Er zullen nieuwe onderwijsprogramma's geschreven moeten worden. Dan kom je als reformatorische school natuurlijk voor de vraag: Welke eigenheid houden we? Ook wordt er een zware wissel getrokken op de directies, die een steeds grotere rol krijgen toebedeeld in onderwijsvemieuwingsprocessen. Docenten moeten bijgeschoold worden op het gebied van didactiek en het omgaan met deelcertificaten". De Kampense rector wil echter geen paniek zaaien en maakt een vergelijking met de invoering van de basisvorming. „Dat moest ook snel. Je kunt wel een datum prikken waarop de structuur van het onderwijs officieel veranderd moet zijn, maar inhoudelijke vernieuwing is altijd een proces van jaren"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 september 1994

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

„Gelukkig geen eenheidsworst

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 september 1994

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken