Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vervolging van Holman opmerkelijk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vervolging van Holman opmerkelijk

Mr. Den Boef: „Officier kan verwijzen naar uitspraak in zaak-Goerees"

5 minuten leestijd

AMSTERDAM - Dat Justitie in Amsterdam vervolging heeft ingesteld tegen Parool-columnist Theodor Holman, is opmerkelijk. De neiging om voor beledigde christenen in het krijt te treden, was bij het openbaar ministerie de laatste jaren niet zo groot.

De zaak die volgende week dinsdag voor de Amsterdamse politierechter dient, is aanhangig gemaakt door mr. J. Cordia van het Nederlands Dagblad. Hij is abonnee van het Parool en deed aangifte tegen columnist Theodor Holman van genoemde krant naar aanleiding van diens produktie "Het humanisme bestaat niet meer".

Holman schreef op 2 juli vorig jaar over zijn humanistische opvoeding. Zijn ouders waren duidelijk niet op christenen gesteld, sterker nog, zij koesterden een gloeiende haat, die; zij in onversneden vorm op hun kinderen overdroegen.

Holman schreef daarover: „En wij bestreden fel alle godsdiensten en dat vind ik ook nu nog terecht. Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast, hoewel ik niemand het recht wil ontzeggen misdadiger of kinderachtig te zijn of van poppenkast te houden".

Erg bont

Het is lang geleden dat een officier van justitie een zaak aankaartte waarin sprake is van belediging van christenen. ,,Maar Holman heeft het dan ook wel erg bont gemaakt", zegt de Arnhemse advocaat mr. W. J. E. Hendriks. „Wat hij schreef, krenkt christenen tot op het bot".

Het is bijna dertig jaar geleden dat Justitie een enigszins vergelijkbare zaak voor de rechter bracht, zij het dat die veel meer ruchtbaarheid kreeg. Het Parool wordt in christelijke kringen niet druk gelezen en heeft als landelijk dagblad een veel lagere status dan bijvoorbeeld De Volkskrant of NRC-Handelsblad.

Destijds, in 1966, betrof het een publikatie van de auteur G. K. van het Reve. In een "Brief aan mijn Bank", gepubliceerd in het maandblad Dialoog, schreef hij over God in de gedaante van een ezel. Van het Reve uitte het verlangen dat hij met deze ezel de zonde van sodomie zou bedrijven.

Godslastering

De publikatie verwekte grote beroering. In de Eerste Kamer tekenden de senatoren Beerekamp (CHU) en Algra (AR) protest aan bij het ministerie van CRM (het latere WVC) vanwege een aan Van het Reve verstrekte subsidie. Het SGP-Kamerlid ir. C. N. van Dis vroeg aan de minister van justitie of hier niet sprake was van een strafbaar feit.

Ook van theologische zijde werd de publikatie van Van het Reve niet onweersproken gelaten. Gereformeerd predikant A. J. R. Brussaard en pater J. B. F. Gottschalk schreven een vlammend protest aan de redactie van Dialoog dat Van het Reve „de indruk wekt om zo opzettelijk en grievend als maar mogelijk is elk religieus gevoel te kwetsen".

Zelfs in literaire kringen werd vol weerzin gereageerd. De bekende auteur A. den Doolaard noemde de publikaties van Van het Reve „smoezelige smeerpijperij".

Naar aanleiding van de vragen van Van Dis verzocht de minister van justitie aan het openbaar ministerie in Amsterdam een onderzoek in te stellen. Dat leidde uiteindelijk tot het instellen van strafrechtelijke vervolging wegens smadelijke godslastering.

Artikel 147 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht was volgens de Amsterdamse officier mr. Abspoel in het geding. Dat artikel stelt strafbaar hij, die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat".

Goerees

De Amsterdamse rechtbank ging niet met de officier mee. Zij achtte bewezen dat de gewraakte passages een „uitdagende beschrijving" bevatten, die godslasterlijk is en kwetsend, krenkend voor vele gelovigen. Smalend waren de passages evenwel niet, aldus de rechtbank. In haar overweging nam zij op dat drie ter zitting gehoorde hoogleraren geen opzet tot godslastering aanwezig achtten.

In de strafzaak tegen Holman kan dat argument niet (meer) worden gebruikt. Justitie heeft niet artikel 147 uit de kast gehaald maar artikel 137c, dat gaat over opzettelijke belediging van een groep mensen vanwege onder andere hun godsdienst.

De Amersfoortse advocaat mr. P. J. den Boef geeft de officier van justitie in deze zaak een goede kans. Hij was strafpleiter in de zaak van het evangelistenechtpaar Goeree. In hun zaak speelde de vraag of zij met hun uitleg van de vloek over de joden („Zijn bloed kome over ons en onze kinderen") opzettelijk hadden beledigd. Volgens de Hoge Raad gaat het daarbij niet om de vraag of er een oogmerk is om te beledigen maar of de bewuste groep (de joden) zich beledigd voelt. Dat was volgens de Hoge Raad het geval.

„De officier van justitie zal ongetwijfeld naar deze uitspraak verwijzen", verwacht mr. Den Boef. „Holman zal wellicht als verweer aanvoeren dat hij niet de bedoeling had christenen te beledigen maar die vlieger gaat niet op. De vraag is of zijn column beledigend is voor christenen. Hoewel een columnist meer mag van de rechter dan een journalist in een nieuwsbericht, lijkt me dat nog al duidelijk".

Dwingende noodzaak

Zaken zoals deze hebben vaak een schaduwzijde. Holman was uit op provocatie. De rel die hij kennelijk zocht, heeft hij gekregen. Het zal hem geen windeieren leggen. Zo verging het ook Van het Reve. De kritiek van Algra en de zijnen stimuleerde de verkoop van zijn boek dusdanig dat de schrijver zich een nieuw huis kon permitteren. Ironisch noemde hij dat een tijdlang „Huize Algra".

Deze wetenschap kon de bekende prof. dr. G. A. Lindeboom er niet van weerhouden het geschrift "God en ezel" uit te geven, waarin hij de slappe reactie van een aantal gereformeerde theologen in de zaak-Van het Reve aan de kaak stelt. Voor die uitgave was in zijn ogen een dwingende noodzaak aanwezig. Hetzelfde kan worden gezegd van de aangifte die mr. Cordia deed. Wie zwijgt, stemt immers toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Vervolging van Holman opmerkelijk

Bekijk de hele uitgave van woensdag 4 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken