Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke liederen op een nukkig instrument

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geestelijke liederen op een nukkig instrument

Herman Drost: „Die trompet is als een kind van me; daar ben je ook heel zuinig op”

8 minuten leestijd

Dit jaar is voor trompettist Herman Drost een jubileumjaar. Veertig jaar geleden kwam hij als jongetje van acht bij de harmonie in Nunspeet. Dat was zo ongeveer een familietraditie. Niet alleen vader en broer, maar ook andere familieleden waren lid van de plaatselijke harmonie. Het was bijna vanzelfsprekend dat ook de jonge Herman zijn partijtje mee ging blazen. Toch heeft hij nog wel wat met andere instrumenten geëxperimenteerd.

We zullen het harmonium niet noemen, hoewel dat bij de familie Drost niet ontbrak. Ook Herman speelde erop, maar het kreeg niet de liefde van zijn hart. Hij probeerde het liever op koper als bugel, cornet of piston. De bugel of saxhoorn staat van die drie het verst van de trompet af. Voor Herman Drost was de bugel wat te zacht, met te weinig glans. De cornet en piston vond hij wat dunner van toon dan de trompet en ze konden hem ook niet bekoren.

„Je kunt met een cornet heel fijntjes spelen, zoals je het vaak hoort bij de brassbands van het Leger des Heils. Dat kan heel mooi zijn, maar de trompet is voor mij toch de koningin van het koper. Als de trompetten erbij komen, dan wordt het massaal, die springen eruit. Neem nou de taptoe: als er een koraal gespeeld wordt en een hele sectie trompetten komt daar signaalachtig doorheen, lopen de koude rillingen over m’n rug”.

Bes-trompet

„De trompet is natuurlijk een beetje een eigenwijs instrument: ze voert vrijwel altijd de boventoon of de melodie. De functie die de Cornet heeft op het orgel, heeft de trompet in het orkest. Dan heb ik het trouwens wel over de bes-trompet. Die is warmer van toon dan de andere trompetten”.

Er volgt een kort college over de diverse trompetten. Op de bas-trompet na is de bes-trompet de grootste van de familie. Elk lid gaat uit van een bepaalde natuurtoon, zoals bes, c, es. Die andere trompetten zijn kleiner dan de bes-trompet, speen daardoor hoger, maar klinken volgens Herman Drost ook minder warm. Drie ventielen geven de mogelijkheid om de buis te verlengen en zo het instrument een halve, een hele, of anderhalve toon lager te laten klinken. Samen met de natuurlijke boventonen levert dat de hele chromatische reeks op.

Het ziet er betrekkelijk simpel uit: mondstuk, buis in een aantal windingen, beker en drie ventielen. Zo’n instrument bespeel je toch sneller dan een klarinet, met al z’n kleppen, of een orgel, met al die registers en klavieren? Dat valt echter tegen, zo blijkt uit het verhaal van Herman Drost.

Embouchure

Trompet spelen staat of valt met de juiste embouchure, de combinatie van mondstand en ademtechniek. Het is niet zomaar een kwestie van blazen, er moet met de lippen een toon gevormd worden. Hard of zacht, schetterend of ingetogen, legato of staccato: het komt allemaal op de lippen aan. Zelfvertrouwen is daarbij heel belangrijk, volgens de trompettist. „De eerste toon is heel belangrijk: als die lukt, groeit je zelfvertrouwen en gaat de rest wel. Hoewel er ook dan nog heel wat onzekere factoren blijven die roet in het eten kunnen gooien, zodat je ’van je toon afvalt’, zoals dat zo mooi heet. Elk foutje is hoorbaar. Eén foutje van een trompettist valt meer op dan tien fouten van een organist.

Je aanzet is heel belangrijk, maar dan ben je er nog niet. Je kunt een toon te hoog of te laag maken en dat moet je tijdens het spelen bij-intoneren. Op elke trompet zitten tonen die iets te hoog of te laag zijn, die moet je kunnen compenseren. Je lippen moeten ook ingespeeld zijn. Daarvoor moet je toch zeker elke dag drie kwartier tot anderhalf uur oefenen, anders kun je geen concert spelen. Maar dan nog kun je niet langer dan dertig minuten onafgebroken spelen. Daarna moet je even een pauze nemen”.

Roken

Lichamelijk vraagt de trompet blijkbaar heel wat van haar bespeler. „Je moet natuurlijk goede longen hebben. En eigenlijk moet je niet roken”, zegt Drost, terwijl hij naar de opkringelende rook van zijn sigaret kijkt. „Voor de rest vraagt de trompet geen bijzondere lichaamsbouw. Er bestaat geen trompettisten-borstkas’ of een typische ‘trompettisten-mond’. Sommigen beweren wel dat musici op den duur fysieke eigenaardigheden gaan vertonen onder invloed van het instrument dat zij bespelen, maar dat is onzin. Mijn zoon is tenger, ik ben wat zwaarder; ik ken vrouwen die trompet spelen; uitmuntend zelfs. Dat heeft met lichaamsbouw of iets dergelijks niet zo veel te maken. In de praktijk blijkt wel dat niet iedereen geschikt is voor de trompet, alleen, het is moeilijk aan te geven waar dat dan aan ligt”.

Samen met zijn zoon Henk Jan speelt Herman Drost regelmatig met koren in allerlei kerken. Dat levert voor hen weer aparte problemen op door de verschillende manieren waarop de orgels gestemd zijn. ,Als er een Batz-orgel staat, weet je al dat de stemming altijd lager is. Of neem de Bovenkerk in Kampen: dat orgel klinkt een halve toon hoger dan normaal. Daar kun je dus eigenlijk niet bij spelen”.

Gelukkig is er wat op gevonden. Drost toont een losse koperen buis, die een van de buizen van de trompet kan vervangen. Door de kortere lengte klinkt de trompet nu hoger. „Alleen zijn de afwijkingen van het instrument dan ook weer anders geworden. Je moet op heel andere dingen letten. Dan heb je echt een lange repetitietijd vooraf nodig om daarop in te spelen. Trouwens, als het orgel te veel zweeft, lukt het ons ook niet om zuiver te spelen. En zelfs als het orgel wel goed gestemd is, is het voor een trompetduo nog heel moeilijk om zo te intoneren dat je maar één trompet hoort als ze dezelfde partij spelen”.

De trompet heeft veel last van temperatuurwisselingen. Als je er een halfuur niet op speelt, klinkt hij gegarandeerd te laag. Tijdens het spelen wordt de trompettoon namelijk hoger door de warmte. „Daarom speel ik ook liever een halfuur achter elkaar dan af en toe een stukje. Dan moeten je lippen ook steeds weer loskomen”.

Eigenwijs

Zo te horen is de trompet niet alleen een eigenwijs instrument, omdat zij altijd de boventoon voert: het lijkt wél of het instrument ook nukken heeft. In feite gaat het om een persoonlijkheid waarmee de trompettist een relatie heeft, maar waarmee hij ook moet leren leven. Herman Drost laat daar geen twijfel over bestaan: „Die trompet is als een kind van me. Daar ben je gek op, daar ben je heel zuinig op. Dat heeft alles te maken met het feit dat de trompettist bij het inspelen van een nieuw instrument in feite het karakter ervan bepaalt. Je kunt dat vergelijken met het inrijden van een auto. Die kun je heel bedeesd inrijden, maar je kunt er ook een scheurijzer van maken. Zoals je de trompet inspeelt, zo zal zij zich haar verdere leven gedragen.

Jij moet dus zorgen dat die trompet doet wat jij wilt. Als je bijvoorbeeld vanaf het begin alle buizen eruit blaast, zoals dat bij een boerenkapel nogal eens de gewoonte is, dan zal die trompet nooit meer een beschaafde toon geven. Daarom kun je ook moeilijk een tweedehands trompet overnemen. Ik heb eens een tweedehandsje gekocht van Henk Brouwer. Een fijn instrument, maar er waren toch bepaalde tonen die bij hem wel stemden en bij mij niet”.

Gemiddeld gaat de trompet bij Herman Drost ongeveer tien jaar mee, dus in die veertig jaar heeft hij al diverse trompetten ‘ingereden’.

Volgens Herman Drost wordt het karakter van de trompet in het algemeen wat verkeerd ingeschat. De meeste mensen kennen de trompet alleen van het signaalwerk. Dirigenten zoeken voor de combinatie met trompet vrolijke muziek, die hard gespeeld moet worden. Hij noemt koorwerken als “King all glorious” en “Glory, glory, hallelujah’. Dat dit instrument ook heel gedragen en zacht kan klinken, wordt daarmee wel eens vergeten. Dat is speciaal belangrijk voor de geestelijke muziek waarmee Herman Drost zich bezighoudt en waarmee hij zich verbonden voelt. De christelijke muziekvereniging Hosanna, waarvan hij lid is, speelt op z’n tijd een koraal van Bach. En de koren die hij begeleidt, brengen ook dat geestelijke repertoire.

„Neem nou het lied “Abba Vader”. Dat klinkt heel mooi als je een tweestemmig voorspel voor trompet maakt. Dan laat je het instrument ook anders klinken. Wanneer je een koor begeleidt dat Psalm 42 zingt, zing je als trompettist wel niet, maar je probeert wel als het ware de woorden te spelen. Daarom ben ik het eens met wat Henk Brouwer zegt over het uitvoeren van geestelijke muziek: Als je er niet achter staat, kun je het niet spelen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Geestelijke liederen op een nukkig instrument

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken