Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Muizen in een kinderboek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Muizen in een kinderboek

Op reis met een speelgoedbeer en het konijntje Hangoor

6 minuten leestijd

In heel veel jeugdboeken spelen dieren een voorname rol. Soms zijn ze de hoofdpersonen, soms vormen ze alleen een ondersteunend element in het verhaal. De ene keer is het dier gewoon zichzelf, een andere keer wordt het door de schrijver voorzien van, dikwijls overladen mét menselijke eigenschappen. In het laatste geval worden de dieren zo ondierlijk, dat ze net zo goed, of beter: gewoon mensen hadden kunnen zijn.

De laatste gedachte drong zich bij me op, toen ik begon te lezen in de drie delen van “De Roodburcht” van de Engelse schrijver Brian Jacques. De Roodburcht is een abdij, die bevolkt wordt door in monnikspijen rondlopende vreedzame muizen, onder leiding van de zeer oude, zeer eerwaard(ig)e Vader Abt. Ook een muis dus. Maar deze vreedzame samenleving wordt bedreigd door Cluny de Gesel.

Cluny is een grote, bloeddorstige rat in roofridderskostuum. Hij heeft maar één oog en een vreselijk lange, krachtige staart (de gesel), die hij kan voorzien van een geniepige giftige pijl. Hij heeft zich omringd met een leger van ook bloeddorsrige maar nogal domme gehoorzame mede-ratten en aanverwante dieren zoals wezels. En dat legertje trekt op tegen de Roodburcht. Tevergeefs natuurlijk:, want het recht overwint in dat soort verhalen.

Boeiend

Het ziet er allemaal nogal cliché-achtig uit, denk je. En dan ga ie toch maar lezen. Op een gegeven ogenblik merk je dat het verhaal je toch te pakken krijgt en je dwingt te blijven lezen. Hoe komt dat? In de eerste plaats door de snel op elkaar volgende spannende gebeurtenissen. OOK door de humor van de getekende situaties, waarbij het steeds duidelijk blijft dat kwaad en dom het moeten afleggen tegen goed en slim. Het komt door de karaktertekening, waardoor personen hun specifieke dierlijke eigenschappen blijven behouden.

En het komt vooral door dat ene slimme, moedige, goedhartige muisje Matthijs, dat als vanzelfsprekend de strijd leidt en altijd opduikt op de plaats waar en het moment waarop hij nodig is. Daardoor is de trilogie meer geworden dan zo’n standaard aangeklede-dierenverhaal.

Het valt dan ook niet te verwonderen dat het eerst in Engeland, later in Amerika een bestseller is geworden. Een licht parodiërend gebed en een namaak-doopplechtigheid zal bij ons wat minder goed vallen.

Bijbels geënt

Nog minder gewaardeerd zal het worden als in een andere trilogie (“De woudstoksaga” van Michael Tod) de schrijver ‘zijn’ dieren laat debatteren over de oorsprong van het heelal (“de Groete Oerexplosie”) of hen een op de Bijbel geënt geloof laat belijden: “Vertrouw op de Zon, al zijn Zijn wegen Duister. Gelooft velt bomen”.

Kenners zien onmiddellijk dat dit een haiku is, een gedichtje bestaande uit drie regels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergrepen. Het eerste deel van de trilogie (“De zilveren horde”) is ermee doorspekt: wijze spreuken, die van generatie op generatie door de rode eekhoorns aan elkaar worden doorgegeven.

Over deze dieren gaat het. Ze worden belaagd door een horde uit Amerika overgekomen grijze soortgenoten, die groter en sterker zijn. Boom na boom, bos na bos worden ze teruggedreven. Ze kunnen zich op den duur alleen nog handhaven op een eilandje, dat ze Onsland noemen. Tót een geheimzinnige ziekte de grijze eekhoorns treft, en de rode weer naar hun plaatsen kunnen terugkeren.

Het verhaal berust gedeeltelijk op de werkelijkheid. Inderdaad zijn aan het eind van de vorige eeuw vanuit Amerika grijze eekhoorns in Engeland geïmporteerd, die het hun rode broeders knap lastig maakten. En het verhaal speelt zich af in Tods geboortestreek, Dorset, in het zuiden van Engeland, waar hij elk bosje, elk stukje hei, elke rots en elk meertje kent. De lezer kan dat alles met het boek als reisgids in de hand gaan bekijken, en zien dat alles klopt. Behalve natuurlijk het gedrag en gepraat van de eekhoorns, dat soms nogal filosofisch overkomt. Niet echt iets voor de jeugd van de basisschool. Misschien vanaf veertien jaar.

Logische onzin

Wel op de jonge jeugd gericht is “Nachtreis met kapitein Bimse” van de veelzijdige Deense auteur Bjarne Reuter. Het is het verhaal van het meisje Anna, dat met haar speelgoedbeer in haar droom op zoek gaat naar haar pop zwarte Sophie, waarbij ze mee kan vliegen met kapitein Bimse en diens tweede piloot, het Konijn Hangoor. Net zoals in sprookjes praten de dieren en de pop, en dat vindt Anna, en ook de jonge lezer, niets bijzonders. Zo doen dieren in sprookjes nu eenmaal.

Het is een geestig verhaal, vol logische onzin, maar om zelf te lezen voor kinderen van zeven, acht jaar toch wel erg moeilijk. De schrijver gebruikt soms lange zinnen en heel moeilijke woorden (gigant, temperament enzovoorts) en daarnaast ook nogal wat bastaardvloeken. Dat wordt dus (selectief) voorlezen.

Gier

Veel merkwaardiger is het dier dat voorkomt in “Het land achter de tijd” van de Noorse schrijver Klaus Hagerup, en dat achteraf niet blijkt te bestaan. Het boek is trouwens helemaal wat merkwaardig. Lise, van dertien, treurt om de dood van haar beste vriendin Margrete. „Margrete is niets meer, dacht ze. En ze zal in de oneindige eeuwigheid niets meer zijn” (sic). Ze wil niet meer volwassen worden; het liefst zou ze de tijd stilzetten. En dat gebeurt óp de een of andere manier ook, als de gier Govert haar in de kraag pakt en naar een andere gespiegelde wereld overbrengt. Daar gaat ze de mensen bevrijden uit de macht van de tijdbewakers. Waarvan ze er zelf een blijkt te zijn. En als Govert haar terugbrengt naar de aarde, blijkt hij helemaal geen vogel te wezen. „Mijn vleugels zijn slechts... de vleugels tot jouw eigen hart”.

Het is een goed beschreven, wat verwarrend boek. Waarbij je veel moet nadenken. Vanaf veertien jaar, denk ik.

N.a.v. “De Roodburcht”, deel 1 De aanval, deel 2 De zoektocht, deel 3 De Krijger, door Brian Jacques (vert. Annemarie Hormann); uitg. Kluitman, Alkmaar; ƒ 14,95 per deel.

“De Zilveren Horde” (boek één van de Woudstok saga), door Michael Tod (vert. Tjalling Bos); uitg. Piramide, Amsterdam; ƒ 29,90.

“Nachtreis met kapitein Bimse”, door Bjarne Reuter (vert. Emmy Weehuizen); uitg. Lemniscaat, Rotterdam; ƒ 22,50.

“Het land achter de tijd”, door Klaus Hagerup (vert. Emmy Weehuizen); uitg. Lemniscaat, Rotterdam; ƒ 24,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Muizen in een kinderboek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken