Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„We gaan terug naar huis”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„We gaan terug naar huis”

Indianen VS eisen stoffelijke resten voorvaderen op

8 minuten leestijd

Indianen in de Verenigde Staten eisen de stoffelijke resten van hun voorvaderen terug. Jarenlang stalden musea de beenderen en bijbehorende grafgeschenken in vitrines uit of lieten ze deze rusten in dozen ergens in de kelder.

Op plechtige wijze wikkelden de Cheyenne-Indianen de stoffelijke resten van hun achttien stamleden in dekens en huiden en vlijden ze deze in kisten‘van cederhout. Langer dan een eeuw, 125 jaar, hadden de beenderen in kartonnen dozen gelegen, eerst in het Army Medical Museum, daarna in het National Museum‘ of Natural History in Washington. Nu maakten ze hun laatste reis naar een begraafplaats van de stam in Oklahoma.

De Cheyenne-Indianen trokken eind vorig jaar naar Washington. Hun zorgvuldig voorbereide missie is door Amerikaanse musea met argusogen gevolgd en betekent een kleine revolutie voor de betrekkingen tussen de Indianen en de Amerikaanse samenleving. „Repatriëring” is het devies van de Indianen. Amerikaanse musea moeten alle dingen teruggeven die de “native Americans”, in eerste instantie de Indianen dus, als hun culturele erfgoed en eigendom beschouwen.

Bloedbad

„Naevahoo‘ohtseme”, zeiden de Cheyennes: We gaan terug naar huis. Ze wisten wie ze thuisbrachten. Honderddrieëndertig Cheyennes waren in 1864 bij een door het leger aangericht bloedbad in Colorado gedood. Velen werden later uit hun graven gesleurd, omdat de directeur-generaal van de nationale gezondheidsdienst skeletten liet verzamelen en daarvoor zelfs premies uitkeerde.

Antropologen interesseerden zich zeer voor de Indianen, toen nog wilden genoemd. In de meeste gevallen werden de stoffelijke resten met de volledige naam geregistreerd. Een macaber citaat van een Indiaan: „Mijn grootvader ligt bij het Smithsonian in een kartonnen doos”.

Het Smithsonian is het oudste en grootste museum- en onderzoeksinstituut van de Verenigde Staten, waartoe ook het National Museum of National History behoort. Tweeduizend skeletten heeft het Smithsonian de afgelopen jaren aan verschillende Indianenstammen teruggegeven. Het museum heeft er de afgelopen decennia niet minder dan 20.000 verzameld.

Wet

Deze hoeveelheid is op zijn hoogst een kwart van alle in Amerikaanse musea opgeslagen stoffelijke resten. Timothy McKown, als coördinator verantwoordelijk voor de repatriëring, schat het totale aantal op 80.000 tot 90.000. Michael Haney, het opperhoofd van de Seminole, wordt nog ontroerd als hij denkt aan de herbegrafenis van de overblijfselen van zijn voorouders.

De wettelijke basis voor de repatriëring” legde het Congres eind 1990 met de wet “Native American Grave Protection and Repatriation Act” (Nagpra). Volgens de wet moeten door staatsgelden gesteunde musea, universiteiten en instituten die in het bezit zijn van menselijke resten en grafvondsten of door opgravingen hiervan in het bezit zullen komen, deze teruggeven. Aanzienlijke delen van museumcollecties keren dus terug vanwaar ze gekomen zijn: in de aarde. Ook voorwerpen zoals maskers en schilden die bij godsdienstige rituelen gebruikt werden, moeten worden afgestaan.

Dierentuin

„We moeten niet vergeten”, schreef de voormalige directeur van het Smithsonian Robert McAdams voordat Nagpra een feit was, „dat de Amerikaanse Indianen niet uit eigen beweging meegeholpen hebben aan onze verzameling”. De wet doet recht aan dit argument.

Nagpra riep ook het nodige verzet op. Tegenstanders spraken van „boekverbranding” en „gedwongen onteigening”. Onlangs nog beschuldigde de vereniging van museumdirecteuren sommige Indianen ervan de confrontatie te zoeken. In ieder geval gooit de wet het museumconcept omver, dat slechts gericht was op uitbreiding van de collectie zonder dat daarbij rekening werd gehouden met de gevoelens van de oorspronkelijke eigenaars.

In het National Museum of Natural History ligt verloren in een van de vitrines een beschilderde buffelschedel. Een bordje laat weten: “Geheiligde buffelschedel, die bij de zonnedans op een altaar wordt gelegd”. Tegenwoordige tijd. De Cheyennes hebben de schedel al teruggeëist.

Tony Hillerman, erkend deskundige en bestseller-auteur van detectives die zich onder de Indianen afspelen, schreef over de roof van heilige voorwerpen de thriller “Het sprekende masker”. Een curator, van origine een Indiaan, laat hij in het boek zeggen: „In dit museum zijn de goden van veroverde volken tentoongesteld zoals exotische dieren in de dierentuin”.

Onrecht

Het Congres wilde met Nagpra een punt achter tweehonderd jaar onrecht plaatsen. De graven en “human remains” van alle andere Amerikanen waren al eerder beschermd, alleen die van de Indianen niet. Advocaten van de Indianen spraken over „een schending van de mensenrechten”.

Het Congres wilde ook duidelijkheid scheppen over de eigendoms-vraag. Ook hier moest aan het onrecht een eind komen. Waardevolle voorwerpen waren gestolen, voor de aardigheid meegenomen zonder dat de waarde ervan ingezien werd, of door sommige Indianen zonder goedkeuring van de stam aan handelaren en soldaten verkocht.

De aangenomen wet was niet vrijblijvend. Voor 16 november 1993 moesten musea, universiteiten en andere instellingen in een brief aan de Indianenstammen een overzicht geven van wat ze in hun magazijn hadden liggen. De stammen werden uitgenodigd de voorwerpen te bekijken. Ze moesten hun aanspraken doorgeven en bewijzen. Tot 16 november 1995 hebben de Indianen hiervoor gelegenheid.

Haken en ogen

De theorie klinkt goed, maar in de praktijk blijken er nogal wat haken en ogen aan de regeling te kleven. Bij het National Congress of American Indians kritiseert Paul Moorehead vooral de slechte financiering. Vijftig miljoen dpllar is nodig voor de identificatie van de voorwerpen en skeletten, zo schat het rekencentrum van het Congres in. Voor 1994 en 1995 werd echter in totaal vijf miljoen verschaft.

Moorehead klaagt verder dat veel stammen geen archieven hebben bijgehouden. Daarnaast hebben ze niet de beschikking over advocaten of antropologen, die hen bijstaan bij het maken van aanspraken. Sommige Indianen hadden tot voor kort zelfs nog nooit van Nagpra gehoord.

„En ten slotte is het”, aldus Moorehead, „soms moeilijk uit te maken wat van wie is, omdat Indianenstammen elkaar vaak overvallen en beroofd hebben. Daarom maken verschillende stammen aanspraak op dezelfde voorwerpen. Navajo‘s zitten bijvoorbeeld nu in het gebied waar vroeger Hopi‘s woonden”.

„Oermoeder”

Voor de musea zijn de problemen zo mogelijk nog groter. Peter Tirrell van het Museum of Natural History in Oklahoma klaagt dat „men vaak niet precies weet wie bevoegd is voor het in ontvangst nemen van een skelet of een voorwerp”. „Veel kunnen we daarom niet afstaan”, verklaart Tirrell. Dat heeft bij sceptische Indianen de indruk gewekt van bewust dwarsliggen.

Deskundigen wijzen er bovendien op dat niet minder dan 28 overheidsinstellingen bij bouwwerkzaamheden gevonden voorwerpen en masse naar musea hebben gebracht zonder ze vooraf te catalogiseren of de vindplaats aan te geven.

Ook de behandeling van stoffelijke resten die op Indianengebied gevonden werden, levert problemen op. Toen in de staat Idaho een volgens wetenschappers 10675 jaar oud skelet van een vrouw gevonden werd, riepen de Shoshone-Indianen dat dit hun „oermoeder” was. De beenderen werden zonder verder onderzoek weer begraven. Dit tot grote spijt van antropologen.

Ten slotte wijst Peter Tirrell op het simpele maar daarom niet minder belangrijke feit dat niet alle Indianen gelijk zijn. Sommigen willen de skeletten niet terughebben, omdat ze bang zijn voor de doden. Anderen kennen geen begrafenisceremonie. Weer anderen verlangen dat er geen spa in de grond gestoken mag worden zonder dat zij toestemming hebben verleend.

Twijfel

De uitvoering van Nagpra zal de nodige tijd kosten, waarschijnlijk tientallen jaren. Over de meest wezenlijke kwestie bestaat volgens Tirrell geen onduidelijkheid: Amerika hecht aan de erkenning van de culturele rechten van de Indianen meer waarde dan aan het belang van de wetenschap.

In vakkringen heerst de nodige twijfel: hoe groot is het verlies aan wetenschappelijke feiten als alle skeletten en grafvoorwerpen begraven worden? Is het teruggeven van de objecten niet een grote vergissing die niet meer ongedaan gemaakt kan worden? Wat zal de toekomstige generatie antropologen wel niet denken?

Identiteit

Sommige tests kunnen onderzoekers tijdens de opgravingen verrichten. Andere onderzoeken moeten in een laboratorium gebeuren. En dan beginnen vaak de problemen, verklaart Daniela Triadan in Tucson, Arizona. Ze doelt hierbij op Indianen die niet toestaan dat er bij opgravingen stukken bot meengenomen wor den voor laboratorium-onderzoek. Men mag de stoffelijke resten niet eens meer fotograferen.

Dertig jaar lang hebben archeologen van het Arizona State Museum aan opgravingen van de Grasshopper-ruïne in het Indianenreservaat Fort Apache gewerkt. Een grote kiva, woningen en graven uit de 13e en 14e eeuw legden ze bloot. Een belangrijke collectie is het resultaat: de Grasshopper-verzameling, vandaag gezamenlijk bezit van Apache, Hopi en Zuni. Bijna zevenhonderd skeletten werden zorgvuldig uitgegraven. Duizenden schotels, schalen, en andere keramische voorwerpen kwamen naar boven. Twee derde van de verzameling moet weer begraven worden, op zeven meter diepte, om ze tegen grafrovers te beschermen. De marktwaarde van de verzameling beloopt in de miljoenen.

De resterende 30 procent van de verzameling moet dienen als basis voor een Indianenmuseum in het reservaat. Directeur Raymond Thompson van het Arizona State Museum in Tucson heeft ervoor gezorgd dat de universiteit jonge Indianen als medewerker voor het musum opleidt. Thompson: „We moeten de Indianen bij het opzetten van eigen musea helpen. Wat je in het museum tegenkomt, zijn voorwerpen die tot hun identiteit behoren. De Indianen moeten, om hun eigen etnische identiteit te vinden, de zeggenschap over hun erfgoed hebben”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

„We gaan terug naar huis”

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 30 Pagina's

PDF Bekijken