Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een bedje in de tuin van de Jireh-Chapel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een bedje in de tuin van de Jireh-Chapel

In de voetsporen van kolensjouwer/dominee William Huntington (3)

11 minuten leestijd

Velen zagen in Huntington de grote raadgever, hun geestelijke dokter. Hij verschafte hen teerkost op de weg. Maar niet altijd was de dominee daarvoor in de juiste stemming. Vooral als naar zijn eigen woorden „de dokter bijna niet van de duivel te onderscheiden was” liet hij niemand toe tot zijn studeervertrek. En dan waren er natuurlijk ook “naarlingen” en “kletskousen” die wel eens met de kolensjouwer een praatje wilde hebben. Hij joeg ze wreed van zijn erf. Maar tegen een oprecht zoekende ziel zei hij: „Wel man, ga jij eens zitten”.

William Huntington was een man van stemmingen. Zijn vele brieven vormen er een klare neerslag van. Zo schreef hij in eeji_briefvan 5 mei 1801: „De laatste tijd heb ik zelf zeer in duisternis en verwarring verkeerd, een tastbare duisternis, alsof mijn hoofd verward en bedolven was onder een berg wol”. Hij ondertekende zijn brieven al naar gelang zijn stemming: “W. H. S. S.” (William Huntington, gezaligde zondaar), “De Dokter”, “De Antinomiaan”, “Ds. Kolenzak”, “De Kolensjouwer”. Een andere brief ondertekende hij met “De Kolenhandelaar”, en hij voegde eraan toe: „Ge kunt zien dat ik, vooruit ga in de wereld”.

Brand

Op 13 juli 1810, op klaarlichte dag, brandde Huntingtons Providence Chapel tot de grond toe af. „Blijf rustig en kalm”, sprak Huntington toen hij het droeve nieuws hoorde, „wij zijn niet failliet en onze God evenmin”. De vijand was in de wolken. Zeilen, kiel en wimpel, kortom het hele schip der Voorzienigheid was in rook opgegaan. Ook de kleine kajuit op de achterplecht waar de kapitein zo veel gelukkige uren had doorgebracht en vanwaaruit zo veel gebeden naar de hemel waren opgezonden, was verwoest. De kapitein was echter veilig en de bemanning ongedeerd.

Aan de Grays Inn Lane, dichtbij het einde van de Guildfordstreet, verrees spoedig de nieuwe Voorzienigheidskerk. Op 20 juni 1811 werd in een bijzondere dienst de kerk geopend. Huntington hield toen de later uitgegeven preek De heerlijkheid van Gods huis”.

Er kwam geen orgel in de kerk. „Hoogdravende schijn”, meende Huntington, „en publieke vertoning om mensen te trekken en de nieuwsgierigheid der menigte te prikkelen met behulp van een orgel, en dergelijke waardeloze rammelkasten, zijn misschien aantrekkelijk voor de mens in zijn doodstaat, om de vleselijke begeerten in vervoering te brengen en de kerk te vullen met huichelaars; maar bekering tot God is een gans andere zaak. Wanneer Christus alles in allen is, is verder niets nodig”.

„De heerlijkheid van dit tweede huis”, schrijft hij later, „gaat die van het eerste ver te boven. Het staat voor mij vast dat, wanneer de dag zal aanbreken, waarop God Zijn volk zal opschrijven, gezegd zal worden: Deze en die is aldaar geboren”.

De Grays Inn Lane is er nog, maar heet nu Grays Inn Road. Van Huntingtons tweede Voorzienigheidskerk in hartje Londen ontbreekt elk spoor. Op de plaats waar de kerk ongeveer gestaan moet hebben, vinden we sinds ongeveer 1980 het hoofdgebouwvan het Engelse dagblad The Times.

In die nieuwe Providence Chapel zaten ze weer trouw onder zijn gehoor: arbeiders, berooide zwervers, eenvoudige kooplieden. Maar ook de koetsier van de koning etl de graaf van Liverpool. Als Huntington preekte, was de Grays Inn Lane geheel verstopt met wagens en koetsen en een halfuur voor de tijd stonden de mensen in rijen dik voor de ingang te wachten.

Hier zongen ze de liederen van Hart. „Komt, gij zondaars, arm en ellendig, zwak, gewond, en ziek van hart”. De dominee verbleef dan nog in de consistorie, veelal verkerend in Egyptische duisternis: „Duizenden zijn gekomen om naar mij te luisteren, en ik sta daar, zonder dat ik weet wat ik moet zeggen, als een lichaam zonder ziel, als een stomme, die geen enkele boodschap te brengen heeft en zelfs geen enkele hemelse gedachte bij zich voelt opkomen. Maar dan plotseling is er een tekst in mijn geest gekomen in al zijn natuurlijke glans, kracht en betekenis; zijn betekenis is voor mij opengegaan en ik zie de wonderlijke samenhang ervan, en tekst na tekst komt mij voor de geest om de bedoeling en de betekenis daarvan te verduidelijken; en in één ogenblik heb ik stof om twee uur te prediken. Dan spreekt door mij de Heilige Geest over de gangen van de Koning, en de verheven schoonheid des Heeren verschijnt in het heiligdom; liefde en leven spreken uit mijn woorden, terwijl de blijdschap die zich aftekent op het gelaat van al degenen die een waarachtig innerlijk leven bezitten, getuigt, dat de Heere der heirscharen m ons midden is. Dan ziet ds. Kolenzak toe, terwijl de Engel des Heeren wonderen werkt”.

Geboortedorp

Huntington was veel op reis. Waar hij maar kon, preekte hij. En wanneer de gelegenheid zich maar voordeed, richtte hij kerken op. Zo deed Huntington ook een kerk verrijzen in Cranbrook, zijn geboortedorp. De kerk staat er nog: Trovidence Chapel” staat er boven de ingang van het godshuis aan de Stone Street. “Baptist Strict Communion”. De kerk is echter buiten gebruik, de deur hermetisch vergrendeld. Mos, onkruid en brandnetels ontsieren de hele boel. In de kerkeraadskamer moet het grote schilderij van Huntington nog hangen van de Italiaan Pellegrini. Een buurvrouw wil wel even uitleggen dat de Providence Chapel sinds 1989 buiten gebruik is. „Diensten worden nu gehouden in de Baptist Chapel bij de molen”.

Hier in Cranbrook preekte dus William Huntington. Zelf schrijft hij over die diensten in Cranbrook: „Hij, die eens hoorde tot het uitschot en uitvaagsel van Cranbrook, is nu de hoogste ambtenaar van die plaats, een ambassadeur des hemels en een zoon des vredes”.

My lady’s cottage

In Cranbrook vindt men ook nog “My Lady’s Cottage”, het riante landhuisje dat Huntington in 1809 liet bouwen voor Lady Sanderson, zijn tweede vrouw. Lady Sanderson moet in 1817 in de achtertuin van dit huis begraven zijn. De cottage staat aan de weg naar Maidstone, ongeveer in het midden tussen de Providence Chapel en The Four Wents, Huntingtons geboortehuis. Achter een messcherp gesnoeide heg koestert het buitenverblijf zich in de stralen van de zon. “My Lady’s Cottage” ligt er werkelijk perfect bij.

Er lijkt niemand thuis te zijn. Achter het huis vinden we de tuinman aan de arbeid. Met zijn schoffel wijst hij naar het achterste deel van het huis. Daar ligt Lady Sandersons graf. Het is keurig gerestaureerd. Vreemd eigenlijk, een graf in een achtertuin. Het zou nu niet meer mogen. Misschien mocht het toen ook al niet.

„In dit gewelf”, zegt het goed leesbare grafschrift, „ligt het stoffelijk overschot van Lady Sanderson. I will never leave thee, nor forsake thee” (ontleend aan Hebr. 13:5: “Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten”).

Een half uurtje gaans van Cranbrook ligt, even oostelijk van de grotere plaats Tonbridge, het dorpje Five Oak Green. In de boerderij van mevrouw Grace Buggs staat nog Huntingtons studeertafel, een ronde mahoniehouten tafel met een kleine koperen inscriptie. In een van de laatjes zouden nog brieven van Huntington moeten liggen. Er ligt van alles, maar geen brieven. Wel verhalen over Huntington uit het Reformatorisch Dagblad en uit de Gezinsgids. De wereld wordt echt steeds kleiner.

Vooruitzicht

1813 werd voor Huntington zijn sterfjaar. Hij zag ernaar uit. „Waarom vertoeft de wagen des Heeren zo lang om te komen? (...) Wat een gezegend vooruitzicht staat mij nu te wachten, om met Hem te verkeren, naar Wie nu al veertig jaar al mijn hoop is uitgegaan”.

Op 6 juni leidde Huntington zijn laatste zondagse kerkdienst. „Ge zult de kolensjouwer niet lang meer bij u hebben en wanneer ik heengegaan zal zijn, zal er geen ander in mijn plaats komen”. Die woorden gingen ook in vervulling want de gemeente van de Providence Chapel viel na zijn overlijden in stukken en brokken uiteen. Op woensdagavond 9 juni betrad hij de kansel voor de laatste maal. Hij preekte over Openbaring 3:3. „Wat mij aangaat, ik heb niers voor u verborgen willen houden, maar ik heb u steeds de volle raad Gods willen verkondigen. Daarom” -en hier sloeg hij met grote kracht op de preekstoel, iets wat niet zijn gewoonte was-, „ben ik vrij van het bloed van u allen”.

Nachtmuts

In zijn laatste dagen sprak hij: ,Alles is vlak voor mij. Er zijn geen “indrens” en geen “maren”. Ik ben zo zeker van de hemel alsof ik er al in verkeerde. (...) De dood heeft in deze veertig jaar zijn-prikkel voor mij verloren. Ik ben niet banger voor de dood dan voor mijn nachtmuts”.

In een brief aan een vriend (gepubliceerd in het boekje “Roofgoed”), schreef Huntington: „Deze aarde is onze beproevingsplaats, de engelen onze wachters, wedegeboorte onze loopbaan, Christus ons einde en de hemel ons huis”.

Op 1 juli 1813, ’s avonds oijj half negen, kwam zijn einde. William Huntington was 68 jaar oud geworden.

In zijn testament was bepaald dat hij naast zijn ambtsbroeder en vriend J. Jenkins begraven zou worden op het kerkhofje achter de Jireh-Chapel te Lewes. Op donderdag 8 juli vond ciaar de begrafenis plaats. Vanuit Londen vertrok de stoet. De lijkkoets met zes paarden, zeven rouwkoetsen en een groot aantal andere vervoermiddelen, een stoet van meer dan een mijl lang.

Treurend volk

Uit “Het leven van William Huntington”, door Thomas Wright (uitg. De Banier): „Van tijd tot tijd, terwijl de trage, enorme, kronkelende stoet zich voortbewoog langs de stoffige weg, tussen de tuinheggen en onder de stralen van de brandende julizon, hoorde men telkens weer de zachte klank van oude geestelijke liederen, die op oude wijzen werden gezongen, aanheffen en weer wegsterven, als een geïmproviseerde en spontane lijkzang. In ieder dorp stonden rijen verwonderde toeschouwers. En zo werd het stoffelijk overschot van de onbuigzame, oude evangeliedienaar door een treurend volk, dat evenwel heel goed wist, dat er geen reden tot treuren bestond, behalve dan over hun eigen verlies, naar zijn laatste rustplaats gebracht”.

De begrafenis vond op Huntingtons uitdrukkelijke wens plaats in volstrekte stilte, ’s Avonas preekte ds. Joseph Chamberlain in de Jireh-Chapel over Jesaja 57:2: „Hij zal ingaan in vrede”. Op de daaropvolgende zondag preekte ds. Chamberlain in Huntingtons Voorzienigheidskerk in Londen. De verlaten en bedroefde kudde bedreef rouw, „met een zeer grote weeklage”.

De Jireh-Chapel in Lewes ligt in de richting van het plaatsje Ringbe. De kerk is met een groot hek omgeven. De boel is afgesloten. Vreemd eigenlijk. In 1989 was men de Jireh-Chapel aan het restaureren, nu ligt de kapel er wel gerestaureerd maar ook eenzaam bij.

Tot in de jaren tachtig hielden de “Calvinistic Independents” hier diensten. In de consistorie moeten portretten han- gen van Huntington, John Vinall, Matthew Welland en Herbert Moore, de laatste dominee die hier zijn werk mocht doen. Hier zijn ook preken gelezen, van Philpot, van Rutherford en van Gray.

In de tuin achter de kerk rusten de doden. Een vogel fluit een lied uit een oud verleden. Hier ligt ook de grafkelder die Huntingtons vriend Jenkins voor zichzelf had laten maken. In “dat bedje in de tuin van de Jireh-Chapel”, zoals hij het zelf noemde, wilde Jenkins begraven worden. Huntington, die eerst in Petersham (bij zijn eerste vrouw), begraven wilde worden, wenste naast zijn vriend aan de schoot der aarde te worden toevertrouwd. Op de grafsteen staat „Hier rust de Kolensjouwer, van God bemind, maar gehaat door de mens. De alwetende rechter zal dit op de dag des oordeels bekrachtigen en bevestigen tot ontsteltenis van duizenden. Want Engeland en zijn hoofdstad zullen weten dat een profeet onder hen heeft verkeerd”.

Vaarwel

Een laatste citaat (uit de brief “Roofgoed”) van de Kolensjouwer: „Het is beter met een goede hoop door genade dicht bij den Toren te wonen, dan onze woonplaats gevestigd te hebben in het BoekverkopershofTwaar men de Formulierlaan van achteren, de Pater-nosterstraat van voren, de Ave Marialaan ter rechter- en de Amenhoek ter linkerhand heeft. Ik had liever de zegeningen van één kapittel uit de Bijbel in mijn hart, dan dat ik heel het Kapittelhuis in bezit had. Het is beter de God van Paulus deelachtig te zijn, dan deken van de St. Pauluskerk te wezen. Ik was liever goed gezond en welvarend, dan de wijsheid, de graad of het college der geneesheren te hebben. Een nuttig dokter in de godgeleerdheid is beter dan een dokter in de geneeskunde. Eens mans geest zal zijn krankheid ondersteunen, maar wie zal een verslagen geest oprichten?

Vaarwel! Verschoon mijn haast en geloof mij steeds uw dienstwillige dienaar te zijn, om u te dienen met hetgeen ik heb. W. H”.

Dit was het laatste artikel van een driedelige serie over William Huntington.

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Een bedje in de tuin van de Jireh-Chapel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken