Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Alles’ over poëzie in de 20e eeuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Alles’ over poëzie in de 20e eeuw

Als de dichter een koe is, wat is dan de weide die zij afgraast en hoe wordt de verzenmaker uitgemolken?

8 minuten leestijd

In dit artikel schenken wij aandacht aan de Nederlandse (en Vlaamse) dichtkunst van onze tijd, neergelegd in een bloemlezing, een balans van zes recente literaire jaren, een studie over een dichter van nu en een essaywerk over de wezenlijke, maar nog nimmer goed beantwoorde vraag, wat poëzie eigenlijk precies is en hoe ze haar invloed laat gelden.

Het eerste boek dat we onder handen nemen, is “Dichters van deze tijd”; een dikke bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie na 1960 en nu ingeleid en samengesteld door de Vlaming Hugo Brems, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde te Leuven. Deze uitgave is wat te vergelijken met wat Gerrit Komrij bijeen las voor zijn bloemlezingen over verzen uit vele eeuwen. De Nederlandse dichtkunst na 1960 komt in menige bloemlezing niet zo ruim aan bod. Is dus wie belang stelt in de jongere en jongste poëzie op déze Brems aangewezen? Ja en nee. Om een misverstand te vermijden: zo heel jong zijn Toon Tellegen, H. H. ter Balkt, J. Bernlef, de bejaarde Sybren Polet, de 70-plusser Christine D’haen, Eddy van Vliet, de 65’er Hugo Claus of Frida Vogels nu ook weer niet.

Tijdgenoten

Het gaat niet alleen om Jotie T’Hooft en Benno Barnard, Rob Schouten en Rogi Wieg, Esther Jansma en Tom Lanoye en andere leeftijdgenoten. Het gaat om verzen die na 1960 gebundeld van de persen rolden. De titel van dit boek is ontleend aan mr. J. N. van Hall, die een eeuw geleden, in 1894, zijn bloemlezing “Dichters van dezen tijd” deed uitkomen. Van Hall was redacteur van De Gids en daardoor slachtoffer der aanvallen van de jongeren in De Nieuwe Gids. De eerste negen drukken van deze verzenbundeling nam Van Hall voor zijn rekening.

Heruitgaven werden geredigeerd door dr. J. Prinsen, Jan Greshoff, D. A. M. Binnendijk, Paul Rodenko, Sybren Polet en Gerrit Borgers, en sinds de 24e druk door de in Leuven werkzame Hugo Brems. Deze 25e editie komt vier jaar na de 24e en Brems stelt vast dat het zó goed gaat met de poëzie in onze taal dat veel debuten een grondige herziening nodig maakten. Ook ouderen kwamen volgens Brems weer met bundels van hoog niveau, onder wie Leo Vroman en Jozef Eijckmans.

De boekformule hield in, dat herdrukken van oud goud niet in aanmerking kwamen. Zo werden dichters die na 1960 nauwelijks meer publiceerden, geweerd. Dat hield in afscheid nemen van dichters als Pierre Kemp, Maurice Gilliams, Gerrit Achterberg, Jan Hanlo en Hans Lodeizen. De dichters zijn op geboortejaar gerangschikt. Vandaar dat Ida Gerhardt deze bloemlezing opent. Zij is van 1905, maar haar “De ravenveer” verscheen in 1970, Na Gerhardt, aanwezig met “In memoriam patris” en “Het ploegschrift”, volgen de al overleden Karel Jonckheere en daarna Eijckmans, M. Vasalis, Adriaan Morriën, Vroman en andere poëten.

Sommige dichters zijn met twee verzen aanwezig, anderen met vier, zoals Jos de Haes (met onder andere “Een kus in Ter Kameren”). Guillaume van der Graft is er met “Na Twente weergezien te hebben” en “Ik moest naar Vorden toe”. Anton Ent en Anton Korteweg staan er wel in, Ad den Besten, Muus Jacobse en Jan Wit niet. De Amerikaans-Leidse sinoloog Lloyd Haft wel, J. W. Schulte Nordholt ook (met “De vissen”), Huub Oosterhuis (“De dood van mijn vader”) wel, de dichterlijke christenen Lenze Bouwers en Koos Geerds weer niet. De pastorale poëzie van Nel Benschop of Enny IJskes-Kooger en de Vlaarnse Kofschip- en Koofschep-dichters komen helemaal niet aan bod. Anton van Wilderode gelukkig wel, terecht.

Het aanbod van Vlaamse en Noordnederlandse auteurs lijkt me tamelijk evenredig. Van een overtrokken ‘voortrekken’ van Vlamingen is geen sprake. Nimmer zal echter de keuze van een bloemlezer en die van een literair criticus of recensent samenvallen. Het wordt dus tijd dat zo’n criticus maar eens zelf een stapel verzen bloemleest. Die dan weer door zijn vakgenoten als ondeugdelijk en eenzijdig naar de papiermolen worden verwezen...

Letterenklimaat

Wie literair helemaal ‘bij’ wil zijn -wat nooit echt mogelijk is- kan in deze context ook grijpen naar “Het literair klimaat 1986-1992”, geredigeerd door Nicolaas Matsier, Cyrille Oflfermans, Willem van Toorn en Jacq. Vogelaar. Zij bieden hier eerst een ‘korte literatuurgeschiedenis’ van deze periode. Dat is niet eenvoudig, want een historicus moet afstand kunnen nemen en Matsier c. s. staan er met hun neus boven op, zijn zelf betrokkenen. Toch krijgen we onder meer een summiere balans van de kinderliteratuur door Bregje Boonstra, Maarten van Buuren gaat het essay en de media na, August Hans den Boef de (maar lang niet alle!) literaire tijdschriften. Peter Nijssen de literaire kritiek.

Het stuk “Profielen” bevat vervolgens essays over vijftien auteurs, onder wie Eva Gerlach, Willem Brakman, A. F. Th. van der Heijden, Rudy Kousbroek, Paul de Wispelaere en Bert Schierbeek. Niet de jonge honden van de jaren ’80 en ’90 dus, maar veelal oudere auteurs van wie na 1986 ook nog interessante werken verschenen. Of zij samen het literair klimaat bepalen van dit tijdvak?

Ik geloof er niks van, maar ze maken in het smalle literaire inteeltwereldje wel voor een groot deel de dienst uit, met steun van microfoon en camera. Hun verhaal is slechts een eenzijdig gekozen deel van onze letterenhistorie. De essays over hen zijn soms niet te pruimen zo droog. De analyses bestaan vaak uit egotrips en vertoon van geleerdheid of citeerzucht bij de analisten (die zelf ook vaak dienstdoende literatoren zijn).

Vinkenoog

In de reeks “Dichters van nu” van het Poëziecentrum in Gent (B) verscheen nu een bloemlezing uit de verzen van Simon Vinkenoog samengesteld en ingeleid door Coen de Jonge. Deze dichter en meester-woordkramer is vooral bekend door een beperkt aantal terugkerende, vooral ‘geest-verruimende’ thema’s: drank, drugs, seks en vrouwen, oosterse mystiek, gekte en waanzin ook.

Soms zijn z’n verzen meer gebralde teksten van een ‘high’ geworden losbandig mens dan dicht-kunst. Een enkele keer kom ik regels en teelden tegen die me aanspreken. Daar reken ik woorden als “woordenvoorbroodfestijn” en andere taaibouwsels niet toe. Ik vermoed dat veel gedichten mondeling beter tot hun recht komen dan in boekdruk. Men moet de hese stem van Vinkenoog zelf horen, willen sommige teksten nog enigszins de moeite waard zijn. Dat hebben ze gemeen met de ongein van Jules Deelder. De literaire betekenis van Vinkenoog (anno 1928) -ooit met Lucebert en anderen een jonge “Vijftiger” en samensteller van de bundel Atonaal’ - lijkt me behoorlijk afgenomen, al probeert hij zich soms krampachtig in allerlei manifestaties nog te doen gelden als ‘Jongere’.

Steeds minder ben ik geneigd deze -zo te zien vaak willekeurig aan elkaar geplaktewoorden en zinnen voor zinnige poëzie te houden, althans geen diepzinnige, hooguit onzinnige. Samensteller De Jonge ontwikkelt zich tot Vinkenogoloog. HijTiad ook bemoeienis met het boek “Louter genieten” over Simon V. als beeldend kunstenaar. Ik blijf, als het om die Vijftigers gaat, verre de voorkeur geven aai het werk van zijn generatiegenoot Lucebert, al wilde die ook graag voor z’n retorische taalmuziek zijn kaartenbak met bralwoorden openen.

Dichter is koe

Tot slot noemen we hier het essaybock “De dichter is een koe”, met als ondertitel “Over poëzie”, van de eerder gemelde Hugo Brems. De vrij opmerkelijke titel is ontleend aan een beroemd vers van Gerrit Achterberg, waarvan wel eens gezegd is dat het altijd nog erger gekund had. “De dichter is een ezel” zou soms wellicht meer voor de hand gelegen hebben. Maar Achterberg heeft zijn vakgenoten gecanoniseerd als (vrouwelijke) runderen. Daar bedoelde hij wel wat anders mee dan men bij lezing van deze geïsoleerde versregel zou denken.

Brems gaat in deze essaybundel niet na, hoe en wanneer de koe optreedt in Nederlandse gedichten. Daar zou ook een aardige bloemlezing van te maken zijn zeker uit het werk van dierendichters zoals De Schoolmeester, Kees Stip (alias Trijntje Fop), Cees Buddingh’ en andere lichtvoetige verzenmakers. Bij Brems stonden het gedicht van Achterberg en “De koe” van K. Schippers wel op de achtergrond, maar hij wil in dit boek vooral laten zien hoe poëzie werkt. Een vers lijkt soms op een definitie, dan weer op een verhaal. Wat is de invloed van zo’n gedicht op de lezer: ontroert het? Hoe is een vers verweven met andere teksten? Wat veroorzaken klinken en beelden bij de lezer?

Mooi vinden

Brems’ boek doet wat denken aan hei soortgelijke werk “De glanzende kieme” van Simon Vestdijk. Verder zijn, aldus de uitgever, in ons taalgebied na Vestdij niet of nauwelijks meer grote essays ove wezen en raadsel, aard en achtergrond vn de poëzie verschenen. Ten diepste gaat het om de niet eenduidig te beantwoordn vraag: wat is poëzie?

In zijn, na voltooiing van het boek ge schreven, voorwoord zegt Brems: „Een jdicht is er om het mooi te vinden en ervan te houden. Een goed gedicht leer je vn buiten”. Of dat “mooi vinden” en “houden van” door essaybundels zoals deze erj wordt bevorderd, vraag ik me af Het is interessant voor wie zich als vakmensen ntt poëtica en taalwetenschap of, zoals Umberto Eco, met semiotiek bezighouden. Voor wie een eenvoudige handleiding zoekt in de trant van “Hoe leer ik poëzie lzen en ervan genieten?” zijn er andere werkjes in omloop. Dat doet niets af van ag kwaliteiten van Brems, die naast hoogleraar ook redacteur is van Dietsche Warande & Belfort en van Het Kritisch Literatuurlexicon.

N.a.v, “Dichters van deze tijd”, samengesteld door Hugo Brems, uitgave Poëziecentrum, Hoornstraat 11 te B-9000 Gent, paperbaclc, 25e druk, 414 blz., ƒ 34,90. “Het literair klimaat 1986-1992” door Nicolaas Matsier e.a. paperback, De Bezige Bij, 370 pagina’s, ƒ 39,50. Reeks “Dichters van nu”, band 4: Simon Vinkenoog. Bloemlezing en inleiding door Coen de Jonge, uitgave Poëziecentrum, Gent. Paperback, 230 blz., foto’s, ƒ 29,90. “De dichter is een koe” door Hugo Brens, paperback. De Arbeiderspers, 180 blz., ƒ26,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

‘Alles’ over poëzie in de 20e eeuw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken