Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De oude schepen van Zwartsluis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De oude schepen van Zwartsluis

Kunstschilder Frederik J. Weijs: „Ik ben Rien Poortvliet niet en ik probeer hem ook niet na te apen”

11 minuten leestijd

Ik hou van het water. Dat blijft boeien. Als het stormt, heb je de golven. Als het vriest, wordt het ijs. Is het warm, dan duik je erin. Water kan heel poëtisch zijn, maar ook levensgevaarlijk. Soms is het je vriend, soms je vijand”. De stranden, de vissersplaatsjes, de waterrijke streken hebben het hart van FrederikJ. Weijs. Maar de kunstschilder houdt ook van de stilte van het bos, de geur van bomen, de nostalgie van het oude ambacht. In zijn platenboeken legde hij al die grote liefdes vast. Een boek over oude schepen is in de maak.

Zwartsluis op een natte winterdag, ’s Morgens om half 10 is liet nóg donker. De regen stort neer in de grijze golven van het Zwarte Water. Een paar kleine boten leunen verlaten tegen de oever. Ook het dorp ligt er stil en donker bij. Achter de gevel van Westeinde 4 schudt Freddy Weijs de kolenkit leeg in zijn oude kachel tegenover de piano. „Hij moet altijd eerst even nadenken”, verontschuldigt hij het zwarte gevaarte, dat even later toch een behaaglijke warmte zal verspreiden.

Nostalgische start

“Frederik J. Weijs, kunstschilder” staat er op het bordje naast de deur. Het huis kijkt zo te zien al heel wat jaren het smalle straatje in. In 1951 wera de bewoner ervan geboren in een omgeving die hem typeert. Zijn wieg stond in Sint Jansklooster. Op een voormalige boerderij, naast de kerk en tegenover de school, groeide hij op. ’s Morgens wekte hem het gehamer van de hoefsmid, die in de andere helft van het huis woonde („Op de piano kan ik nóg de toonhoogte van zijn aambeeld aangeven”). Een nostalgische start, vindt Freddy Weijs zelf.

Zijn vader was timmerman, zijn moeder schippersdochter. Zo werden de hang naar het water en de Uefde voor het oude ambacht gecombineerd in zoon Freddy, die bovendien ook nog een artistieke aanleg had. Uren kon hij kijken hoe een oom op vazen en kruiken landschapjes schilderde. Ik wou dat ik dat ooit ook zou kunnen, dacht hij dan, en hij tekende maar raak, zo gauw hij de kans kreeg. De schoolresultaten vaarden daar niet wel bij.

Dat zat vader en moeder Weijs niet altijd lekker en ook zoonlief zelf kreeg naderhand ook wel een beetje spijt van zijn minder goede inzet. Over de mulo had hij „een behoorlijke tijd” gedaan. Eenmaal van school af, besloot Freddy zich in de avonduren toch maar op de studie te storten. Zo haalde hij zijn diploma voor tekenleraar. Tekenen bleef zijn lust en zijn leven, kunstschilder worden z’n ideaal.

Hout

„Voor de kunstacademie was ik veel te ongeduldig”, vertelt Weiis. „Bovendien werd hetfiguratieveschilderen, dat mij na aan het hart ligt, daar in die tijd helemaal ondergesneeuwddoor het abstracte. Ik ben een “autodidact”. Toen het met de schilderijen steeds beter lukte, wilde ik een boek maken. Ik dacht aan een uitgave over oude schepen, omdat die m’n interesse hebben. Er verscheen in die dagen echter zo veel op dat terrein dat het aanbod veel te groot was en ik ervan afzag.

Toen ontdekte ik iemand die een enorme verzameling oud gereedschap bezat. Daar zag ik al de voorwerpen weer, die m’n vader vroeger ook gebruikte. Ik ging ze natekenen, de schaafjes, de beitels. Ik tekende ook m’n vader in zijn werkplaats. Er ontstond een hele serie over hout en houtbewerking”.

Freddy bladert door de eerste bladzijden van het boek op zijn knieën. “Met beide handen” heet het. „Kijk, ik behandelde allerlei Nederlandse bomen, daarna de houthakker, de zagerij, de timmerman, de klompenmaker, de meubelmaker en de vioolbouwer. Alle ambachten komen aan bod. Zo gauw er een machine aan te pas komt, is voor mij de aardigheid eraf”.

Een uitgever zag brood in het getekende houtverhaal. Freddy schreef er met de hand teksten bij. Ook in Duitsland kwam het boek op de markt.

Riet

Inmiddels was de kunstschilder getrouwd. Hij gaf tekenles, cursussen, maakte schilderijen en zijn vrouw had een handwerkwinkeltje. Freddy had intussen al weer voldoende inspiratie voor een nieuw boek. Dit keer zou het over riet gaan. „Riet en water, dat boeit me”.

Stof tot tekenen vond Weijs genoeg in zijn naaste omgeving. Sloten en grienden, het landschap van “ouwe Bram”, liggen achter zijn huis. De rietsnijder zit even verderop, de borstelmaker woont bij Weijs in de straat. Genemuiden, waar ook dankbaar met riet gewerkt wordt, ligt vlakbij.

Negatieve ervaringen met de uitgever van “Met beide hanoen” deden Freddy Weijs een nieuwe uitgever zoeken. Zuid Boekprodukties bracht het boek over hout opnieuw op de markt. Dit keer onder te titel “Een ambacht met hout”. In een soortgelijk jasje verschenen vervolgens ook “Een ambacht met riet” en “De ambachtelijke visserij”. Nu werkt Freddy toch aan een platenboek over oude schepen, zijn vroegste idee.

De prentenboeken vinden gretig aftreken Freddy noemt het maken ervan „een compleet avontuur”. Uitgerust met fototoestel, notitieblok en schetsboek gaat hij gedurende een jaar of drie regelmatig op pad voor een boek. De ambachtelijke werkzaamheden legt hij vooral vast op foto’s, die hij later voor de tekeningen gebruikt. Nu en dan maakt hij een schets, maar als je op een wiebelend Dootje zit, met je voeten in het water staat of juist een plensbui over je heen krijgt, is tekenen niet echt gemakkelijk. Daarom moet het fototoestel bijspringen. Gereedschappen neemt de schilder vaak mee naar huis om ze daar op het papier vast te leggen.

Freddy: „Je komt tijdens het maken van zo’n boek op plaatsen waarvan je anders niet eens geweten zou hebben dat ze bestaan. Je spreekt vakmensen, je leest de vakbladen. Een tijdlang leef je je helemaal in in het ambacht waarover het hoofdstuk gaat. Ik vind dat heerlijk. Het vervult me met dankbaarheid, om het maar eens plechtig te zeggen. Ik moet veel denken aan de gelijkenis van de talenten. Het komt je zo maar aanwaaien. O nee, dat mag je zo niet zeggen. Maar het wordt je wel gegeven”.

Invalide

Ik heb altijd het liefst alleen maar boeken willen maken en daarvan willen leven. Dat was in feite onmogelijk. Dat het nu toch het geval is, is heel merkwaardig gelopen.

Diep in m’n hart wenste ik dat het boek over het riet zo veel op zou brengen dat ik van het boeken maken zou kunnen leven. Toen het rietboek bijna klaar was, werd ik ziek. Ik kreeg van de ene op de andere dag reuma en was een halfjaar lang totaal invalide. Ik kon geen stoel of bedmeer alleen uitkomen. Van autorijden was al helemaal geen sprake meer. Het zag er donker voor me uit.

Toch heb ik in die tijd maar zelden een moment van echte angst of paniek gevoeld, hoewel verschillende familieleden aan deze kwaal zijn overleden en een neef van mijn leeftijd er definitief invalide door is geworaen. Achterafis gebleken dat alles kwam zoals het wezen moest.

Ik moest namelijk stoppen met het geven van cursussen. Over het maken van grote schilderijen hoefde ik al helemaal niet te denken. Het kon gewoon niet meer. Eén ding bleef over: het kleine werk, de illustraties voor een boek. Na een tijdje lukte dat wel weer. Nu sta ik zelfs weer op de schaatsen.

Op een gegeven moment dacht ik: Hé zeg, het lijkt wel heel ernstig allemaal, maar nu zit ik eigenlijk in de situatie die ik altijd heb gewild. Nu kan ik me alleen nog aan m’nboeken wijden. Dat zie ik toch als Gods leiding in m’n leven. Niet voor niets staat in Matthéüs 6: Wat maak je je toch bezorgd? We zijn maar druk en proberen onze toekornst in te dekken. Maar., alles loopt toch zoals het moet lopen”.

Poortvliet

„Na verloop van tijd ging het zo goed, dat ik zelfs aan het boek over de visserij kon beginnen. Ik belandde soms wel in komische situaties als ik moest overstappen van een kotter op zo’n wiebelend bijbootje, of als ik lopend over het bevroren IJsselmeer ging. Toch kwam in drie jaar tijd m’n boeiendste boek tot stand. Ik heb wel pas een nieuwe elleboog gekregen en er zal nog wel eens iets vervangen moeten worden, maar dat geeft niet.

De plaatsen waar je soms komt, hè”, mijmert de schilder, „in bijna onbereikbare, onbegaanbare gebieden sta je dan alleen op een grote vlakte met niets dan schelpen, vogels en luchten. Dat vind ik heerlijk. Wel voel je op zulke momenten dat je ten diepste niet echt kunt vastleggen. Voor het water geldt dat ook. Ik hou van water”.

Niet zelden hoort Weijs dat zijn werk aan dat van Rien Poortvliet denken doet. Dat heeft twee kanten vindt hij: „Enerzijds is het een eer om met zo’n groot vakman te worden vergeleken. Anderzijds ben ik Poortvliet niet en probeer ik hem ook niet na te apen. Dat wordt wel eens gedacht”.

De overeenkomst in het werk van de beide schilders veroorzaakte één keer een klein stormpje. Weijs: „Dat gebeurde toen m’n eerste boek-over het hout- klaar was. De dummy lag op de Frankfurter Buchmesse. Op het omslag stond in de rechterbovenhoek een molen, net als op Poortvliets “Te hooi en te gras”, maar dat was ik me niet bewust. Poortvliet zag de dummy op de beurs en zou geroepen hebben dat het naaperij was. In feite is er verder niets bijzonders gebeurd, maar de pers dook er natuurlijk meteen op en de kranten stonden vol. „Plagiaat ontdekt...”, ga maar door”.

Broeders

„De volgende morgen werd ik uit bed gebeld. Rien Poortvliet zou op de beurs een rel over mijn boek hebben gemaakt. De telefoon stond roodgloeiend. Krant na krant hing aan de lijn. Ik had het bewuste artikel uit de Telegraaf waarmee alles was begonnen, nog niet eens gezien en gaf zo min mogelijk commentaar.

Een dag later belde Poortvliet. Ook hij was geschrokken van de opschudding. Zijn vrouw had een foto in de krant onze psalmpomp gezien, zo’n oud harmonium. „Die man is vast ook gereformeerd”, zei ze tegen Poortvliet. Ze had nog gelijk ook. „Broeders mogen zulke strijd toch niet voeren. Je moet hem opbellen”, vond ze. Dat deed-ie dus. Het was een aardig gesprek. Poortvliet gaf wel aan dat hij bedenkingen had over de kwaliteit van mijn tekeningen, maar hij zei erbij: „Misschien leer je’ het nog wel eens”. Dat hoop ik dus maar.

De Zwartsluiser schilder voelt zich overigens weinig met collega’s verwant: „Ik ben een Einzelganger. Ik heb nauwelijks contacten binnen het vakgebied. Niet omdat ik geen belangstellingheb, integendeel, maar vaak komt er gewoon niet van bijvoorbeeld een expositie te bezoeken. Natuurlijk neem ik wel kennis van het werk van andere schilders en heb ik heel wat boeken op dit gebied”.

Kunstenaar

Ook abstracte kunst kart Weijs wel waarderen. „Maar alleen wanneer het met hart en ziel geschilderd is. Het meeste noem ik opRchterij. Als ik een stuk boomschors aan de achterkant bekijk, zie ik daar een pracht aan kleuren en vormen. Dat is heel bijzonder, ook om na te schilderen. Er hoeft van mij echt niet altijd een molen op te staan. Zo kun je ook zelf kleuren en vormen bedenken. Persoonlijk heb ik echter m’n handen al vol aan wat ik om me heen zie.

Weijs voelt zich noch kunstenaar, noch ambachtsman. „Waarschijnlijk ben ik in de eerste plaats gewoon een ambachtsman met een vak waarbij dingen om de hoek komen kijken die richting kunst gaan. Ik oefen een vak uit en probeer dat zo goed mogelijk te doen. Wat zou ik ermee opschieten als ik wist of ik mezelf kunstenaar of ambachtsman moest noemen? Ik hoop alleen maar dat de beschouwer genoegen beleeft aan mijn werk, of hij dat nu kunst noemt of juist niet”.

Verwondering

Momenteel gaat Weijs helemaal op in zijn boek over schepen. Hij begint bij het begin: de scheepsarcheologie en probeert zo toch iets origineels op de volle markt te brengen. „Het moet niet weer een vrouwtje op Urk worden, die met een wapperend schort en de hand boven de ogen over het water tuurt”.

Vandaag staat Freddy Weijs misschien wel in een vlakke polder. Nauwlettend volgt hij daar de opgravingen van een eeuwenoud wrak. Nu en dan knipt hij z’n camera af of maakt hij een vluchtige schets. Straks gaat hij aan de slag met zijn waterverf. Daarna schrijft hij teksten. Over een jaar of twee volgen de liefhebbers als het goed is, zijn werkzaamheden weer in een nieuw platenboek, waarin de schilder zijn „bewondering en verwondering” heeft vastgelegd. Want dat wil Frederik J. Weijs graag doorgeven in zijn werk: Liefde en waardering voor het oude, bij alle machteloosheid die hij soms voelt over alles wat verdwijnt. En eerbied voor het geschapene. „Ik ervaar dat God de Schepper is. En of hij alles nu in zes dagen of in zesduizend jaar heeft gemaakt, daarvan lig ik niet wakker”.

Mede n.a.v. “Een ambacht met hout”; “Een ambacht met riet” en “De ambachtelijke visserij”; uitg. Zuid Boekprodukties, Lisse; ƒ 39,95 per deel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

De oude schepen van Zwartsluis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken