Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ontwrichting en ontberingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ontwrichting en ontberingen

„Als iedereen zich had gehouden aan de wetgeving uit ’81, had Kobe er nu anders uitgezien”

51 minuten leestijd

Drie dagen na de aardbeving in het Japanse Kobe zit de schrik er bij de burgers nog goed in en is het bestaan vol ontberingen. Mensen leven en slapen op straat, in hun auto of in de schoollokalen. En zo af en toe wordt er nog een levende vanonder het puin gehaald.

Op bromfietsen en zelfs op fietsen zijn ze de afgelopen dagen naar Kobe gekomen: journalisten van heinde en ver die niet wensten te buigen voor de grote ravage van de aardbeving. Maar uiteengereten autowegen maakten auto’s nutteloos. Spoorlijnen werden als nylondraad, jes weggeschoven, zodat treinreizigers met bestemming Kobe voortijdig moeten uitstappen - om te voet of per brommer r verder te gaan.

Er bleek nóg een mogelijkheid te zijn: over zee per boot, met als startpunt de splinternieuwe luchthaven Kansai. Onl: danks de onzekere vertrektijden leek me deze route nog het handigst. De passagiers voor Kobe zijn er zó uit te halen. Al in de trein naar Kansai torsen ze ladingen brood en andere levensmiddelen mee, bestemd voor familie, vrienden, of voor henzelf, want in Kobe valt weinig meer aan te schaffen.

Kermis

Als we na een halfuurtje onstuimig varen -er staat een pittige wind- de haven van de rampstad bereiken, lijkt er zo op het eerste gezicht niets aan de hand. Achter de stad rijst het gebergte omhoog, maar daarvóór doen dat hier en daar ook glimmende wolkenkrabbers. Als toonbeelden van standvastigheid zetten ze de bezoeker gemakkelijk op het verkeerde been. Kobe zat midden in de kermis toen de beving toesloeg, getuige het reuzenrad en andere kermisattracties, vlak bij de aanlegsteiger. Maar in de verte vliegen helikopters af en aan en hier en daar stijgen rookkolommen op: signalen dat Kobe wel wat anders te doen heeft dan kermis vieren.

Eenmaal aan land vervolgen we -drie Braziliaanse journalisten en ik- onze tocht te voet in de richting van het centrum. Al snel wordt alle schijn ontmaskerd en toont zich de ontwrichting in volle gedaante: enorme scheuren in het wegdek, en hier en daar stukken asfalt die als borstplaat zijn verbrokkeld.

De omvang van de aardbeving dringt pas echt tot me door als we het centraal gelegen gemeentehuis binnenlopen. De grote hal beneden ligt namelijk bezaaid met dekens, huisraad, kleren en… dik ingepakte mensen. Honderden zijn er de afgelopen dagen toegestroomd, wég van de plaats des onheils, die eerst hun thuis was, om de angst voor nieuwe schokken te delen en elkaar vooral ook letterlijk te warmen. De bonte verzameling mensen strekt zich vanuit de zaal uit tot op de trappen van het zestien verdiepingen tellende gebouw. Wie omhoog moet en geen lift wenst te gebruiken (nieuwe aardschokken zouden het systeem plat kunnen leggen) die klautere dus over hoofden en tussen benen door.

Schoorsteen

Op een hoekje in een van de gangen staart Reko Tenada (57) wat voor zich uit. Ze vertelt dat de zolder van haar huisde tijdens de beving naar beneden kwam vallen en dat ze vanwege de vele naschokken (zo’n 500 de laatste dagen) geen voet meer tussen het achtergelaten huisraad durft te zetten. Hoe het allemaal verder moet? Mevrouw Terada kijkt me vragend aan en zegt voorlopig genoeg te hebben aan het verwerken van de schok.

Een verdieping hoger heeft Masaru Okasaka (52) zich met zijn vrouw tussen een stapel dekens genesteld. Hij huivert nog als hij vertelt wat hij enkele dagen geleden heeft meegemaakt. De betonnen pilaren van een spoorwegviaduct dat dertig meter van hun huisje staat, beukten tijdens de beving keihard tegen hun buitenmuur. Okasaka wist nog maar net te ontsnappen aan de in elkaar stortende schoorsteen in het huis.

De handgebaren die Okasaka bij zijn verhaal maakt, laten aan duidelijkheid weinig te wensen over. Toch is zijn verhaal nog ‘peanuts’ vergeleken met wat de honderden bewoners van de wijk Nagata hebben meegemaakt (en vele van hen niet hebben overleefd). Wie het 50 hectare tellende gebied nu bezoekt, treft er een nasmeulende asvlakte aan: alle huizen zijn er verdwenen.

Rollende funderingen

Die ashopen van Nagata zullen wel altijd het beeld van de ramp blijven bepalen. Niet alleen dat: ‘Nagata’ verklaart ook veel van de vraag waarom het aantal doden in Kobe zo hoog is uitgevallen. „In het noorden van ons land vindt er wel iedere dertig tot veertig jaar een aardbeving plaats, daar zijn dan ook alle vooroorlogse huizen verdwenen. Maar in Kobe en omgeving hebben ze nog nooit zoiets meegemaakt: veel stokoude, houten huizen zoals die in Nagata konden blijven staan, totdat…”

Aan het woord is Akiva Wada, hoogleraar bouwkunde in Tokio. Ik ontmoet hem in de straten van Kobe, waar hij net als andere bezoekers de gevolgen van de ramp bekijkt. Er is een groot verschil: terwijl de meeste blikken gericht zijn op de gruzelementen voor hun voeten, tuurt Wada voortdurend omhoog, richting wolkenkrabbers en andere hoogvliegers van steen en glas. „De pers heeft het altijd over wat verwoest is. Maar ik zou zeggen: Kijk ook eens naar wat is blijven staan!” aldus Wada met een ietwat verwijtend toontje.

En inderdaad, gebouwd volgens de modernste principes -met rollende funderingen en bewegende verbindingenvormen de hoge kantoorgebouwen van Kobe een sterk contrast met de rest. „Als iedereen zich had gehouden aan de wetgeving uit ’81, waarin strikte bouwregels zijn voorgeschreven, dan had ook Kobe er nu anders uitgezien”, meent Wada stellig.

Het probleem is dat juist in een gebied als dit, waar aardbevingen zeldzaam zijn, huizenbezitters en de overheid snel verleid worden tot uitstel van (deze) aanpas singen. Dat juist gewone burgers in hun primitieve huisjes daarvan de dupe worden, in een geval als nü, waarbij het dus wél mis gaat, maakt de laksheid van de overheid tot een grove vorm van sociaal wanbeleid.

Aan het einde van de middag besluiten we tot een fikse wandeling door de stad, om dat vertekende beeld van een ‘onaantastbaar’ zakeneentrum te ontlopen. Jaist in de wijken rondom, waar de ‘gewone’ burgers wonen, woedden immers de afgelopen dagen de meeste branden (als gevolg van gaslekkages en kortsluitingen) en daar vielen de meeste doden.

De autoriteiten wijzen ons de weg: lange rijen brandweerwagens staan met loeiende sirenes te dringen om de woonwijken in te gaan, maar in plaats van voort te maken, staan de wagens elkaar op te jagen in een lange brandauto-file.

Op onze tocht passeren we talloze woningen die volledig zijn uitgebrand, of in puin zijn gezakt. We trotseren diepe scheuren in het wegdek. Kortom, alles lijkt te zijn ontwricht en afgebroken, ingestort of omgebogen. Een stenen gebouw helt zo zwaar over het voetpad, dat ik aarzel om eronderdoor te gaan. Met een gevoel van ‘vooral niet aanraken’ doe ik het toch maar.

Het begint intussen te schemeren, en dat levert weer een nieuwe ervaring op: de straatverlichting blijft (vrijwel geheel) uit. Na een uur lopen hebben we de schaarse neonverlichting van de kantoren achter ons gelaten en is het op straat pikdonker.

Als zwervers

Mensen zoeken met zaklantaarns hun weg en samen met vele zwaailichten van de politie en brandweer zorgen al die lichtbundels voor een macaber schouwspel. Als af en toe een weggezakt pand of een platgedrukte auto in de bundel wordt meegenomen, is het effect nóg sterker.

Boven ons hangen onophoudelijk helikopters, die met hun lichtbundels hun bijdrage leveren. Een wat al te roekeloze fietser komt naast me met knarsende remmen tot stilstand en voorkomt daarmee een duikeling in een diepe sleuf vóór hem. Dat op deze plek de metro onder het wegdek loopt, is nu goed aan de omvang en diepte van de gaten te zien.

Wat de zichtbare materiële schade niet kan uitdrukken over de omvang van de ramp, doen de grote vuren die hier en daar uit het donker oplichten en waarlangs de tientallen brandweerauto’s met loeiende sirenes (maar in slakkegang) voorbijgaan. Opeens wordt daardoor duidelijk dat duizenden mensen als zwervers op straat moeten leven. Complete gezinnen zitten in dekens gewikkeld rond het vuur en laten de gloed van de vlammen over zich komen. In de avondlucht is het zeker niet warmer dan zo’n 3, 4 graden en met een venijnig windje voelt het buiten bitter koud. Achter de groepjes die zich hier en daar rond zelfgestookte vuurtjes hebben geschaard, ligt doorgaans hun huisraad onder een stuk plastic opgeslagen.

Toch hebben de meeste mensen hun toevlucht gezocht in de lokalen van schoolgebouwen, zo ontdekken we. In het donker proberen we wat lokaaldeuren en staan dan plotseling in een andere wereld: honderden in dekens verborgen mensen liggen er zij aan zij op de vloer. In sommige lokalen is het al stil en licht nog een enkeling zijn of haar hoofd als we stilletjes naar binnen gluren. Op andere plaatsen heerst nog volop bedrijvigheid.

Veel van deze gezinnen mogen blij zijn dat ze elkaar weer teruggevonden hebben. Honderden anderen zijn door de chaos hun familie kwijtgeraakt en doen verwoede pogingen om hen terug te vinden.

Geparkeerde auto’s

Intussen hebben de ontheemden op straat -rond de hout vuren- en in de schoolgebouwen onze aandacht afgeleid van de vele langs de weg geparkeerde auto’s. Zo op het eerste gezicht niets bijzonders, maar als je een blik naar binnen slaat blijken ook daar hele gezinnen hun toevlucht te hebben genomen. Opgepropt en met dekens overdekt brengen ze er de nacht door. Enkele auto’s laten de motor zachtjes draaien voor de warmte, maar de meeste inzittenden stellen zich tevreden met een dikke laag dekens en elkaars warmte.

Na enkele uren te hebben gelopen, besluiten we terug te keren naar het stadhuis annex opvangcentrum, waar ook wij de nacht zullen doorbrengen. De kou is inmiddels tot diep in m’n lijf doorgedrongen en vermoeid slenteren we de donkere weg terug.

Lopend tussen de chaos, beginnen we langzamerhand die dingen te ontdekken die ‘normaal’ lijken door te gaan. Zo passeren we een kapperszaak die er aan de buitenkant nog ordelijk uitziet. In de meeste winkels ligt alle waar op een hoop en aan de buitenkant komt de paniek van die bange momenten nog voelbaar op je af, door middel van open deuren of ramen bijvoorbeeld.

Zoniet deze kapperszaak. Uit ongeloof sla ik een blik naar binnen. Vanuit het donker kijken twee ogen me aan - Ik zie dat de eigenaar met z’n gezin op de grond tussen de dekens zit.

Zuurstofflessen

Een nog grotere verrassing wacht ons verder op onze terugtocht. Bij een kruising giert een ambulance ons voorbij, een smal steegje in, waar al twee brandweerauto’s staan geparkeerd. Felle lampen zijn gericht op een klein houten pandje dat zit ingeklemd tussen twee andere woningen. Uit het zwaar beschadigde dak stijgen wat rookwolken omhoog.

Dichtbij gekomen zien we brandweerlieden en hulpverleners druk in de weer met touwen, zuurstofflessen en allerlei gereedschap als zagen en bijltjes. Een wit behandschoende hand steekt af en toe uit het raam en grijpt gretig naar wat hem wordt aangereikt. Er volgen wat onvertaalbare kreten, maar het legertje hulpverleners heeft het begrepen. Ze rennen naar de wagens en rukken aan met (nog meer) ladders. Uit de ambulance wordt een brancard te voorschijn gehaald.

Zal er na die dagen toch nog iemand levend uit het puin worden gehaald? Naast me kijkt een oudere man toe. Hij blijkt de buurman van het slachtoffer te zijn. „Nee, nee, hij is niet dood, hij leeft nog”, beweert de man met enige ophef. „Vanmiddag zijn ze begonnen met luid roepen, om zo een teken van leven te krijgen, en jawel, op een gegeven moment wist ie als antwoord zijn been tegen een plank heen en weer te bewegen. Ze zijn nu al vier uur bezig om hem eruit te krijgen”.

Enkele minuten later wordt de man via het dak uit zijn huisje gesjouwd en via touwen naar beneden gehesen. Zijn gezicht is rood en sterk opgezwollen en zijn armen hangen slap langs de brancard. Bepaald geen tekenen van leven, maar de haast waarmee de man in de ambulance wordt geladen, zegt genoeg. In een mum van tijd is de wagen verdwenen en… sta ik met eetstokjes Japanse soep te morsen. op een houtvuurtje naast het pand heeft een familie een grote pan soep gemaakt. Ook deze mensen zijn op straat komen te staan, maar desondanks zijn ze niet te vervelend om ons van een warme hap te voorzien.

Emmers

Nadat we tegen elven in het stadhuis zijn teruggekeerd volgt een vermoeiende nacht van ‘wakend slapen’ tussen de stapel dekens en kleren van de geëvacueerden. Zo donker als het op straat is, zo fel verlicht is en blijft het in de zaal. De meest recente cijfers over de ramp zijn er wel beter door bij te houden.

’s Ochtends loop ik slaapdronken naar de boot die me terug naar Kansai brengt om vandaar per trein terug te gaan naar Osaka. Politiewagens rijden rond om de bevolking op te roepen water te kofnen halen. In een paar minuten stromen de straten vol met mensen uitgerust met emmers, pannen en flessen. Een lange rij staat al te wachten bij een brandspuit.

Kobe probeert het dagelijks bestaan weer op te bouwen. Maar voor honderden familieleden van vermisten is ‘gisteren’ nog lang niet voorbij en valt er nog helemaal niets op te bouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Ontwrichting en ontberingen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 21 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken