Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onderwijs om economisch eigenbelang

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onderwijs om economisch eigenbelang

Overheid wil kerndoelen voor basisvorming bij voorkeur zelf formuleren

6 minuten leestijd

De Vrije Scholen hebben hun strijd tegen overheidsbemoeienis in het onderwijs voorlopig) verloren. De winst ma hun gevecht tegen de bierkaai is de hernieuwde aanlacht van het bijzonder onderwijs voor het behoud van Ie vrijheid van onderwijs, Volgens prof. mr. dr. A. Postna, bijzonder hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit, „bepaald geen overbodige luxe”.

De overheid mag de kerndoelen foor het basisonderwijs voorschrijven. Dat oordeel velde de rechtbank n Den Haag enkele weken geleden n het kort geding dat de Vrije Scholen in Haarlem, Hillegom en Hoofddorp tegen de Staat hadden nangespannen.

De Vrije Scholen maakten beswaar tegen de zogenoemde kernloeien, waarin de overheid bepaalt vat de leerlingen aan het einde van de opleiding moeten kennen en kunnen. Voor de scholen is hier sprake fan ontoelaatbare overheidsbemoeimis met de inhoud van het onderwijs. En dat achten zij in strijd met iet grondwettelijk recht op vrijheid wan onderwijs.

Van de mogelijkheid om eigen cerndoelen te formuleren, willen de Vrije Scholen geen gebruik maken, omdat de wet bepaalt dat de onderwijsinspectie deze dient goed tekeuren. In hun optiek dus lood om bud ijzer, omdat ook daarbij sprake s van overheidsbemoeienis.

Verschil

De onderwijsjurist Postma meent lat déze bezwaren tegen controle door de onderwijsinspectie het grote werschil uitmaken tussen het standbunt van de Vrije Scholen en dat wan de andere bijzondere scholen. „Het is bekend dat de Vrije scholen rich van meet af aan verzet hebben egen de invloed van de onderwijsnspectie. Ze beroepen zich dan op de Grondwet, maar gaan met dit werzet zelf in tegen diezelfde Grondvet”.

„Vanaf 1848 is de vrijheid van onderwijs in de constitutie vastgelegd, maar tegelijkertijd is daarin het toezicht door de onderwijsinspectie opgenomen. Natuurlijk is dat een beperking van de onderwijsvrijheid, maar alle richtingen in het onderwijs hebben dat geaccepteerd. Alleen de Vrije Scholen doen dat niet”.

Nemen de Vrije Scholen ten aanzien van de bevoegdheden van de onderwijsinspectie een exclusief standpunt in, als het gaat om de zorg om het behoud van de vrijheid van onderwijs geldt dat zeker niet. Een groot deel van het protestantschristelijk onderwijs en zeker ook het reformatorisch onderwijs blijven op hun hoede. „Terecht”, zegt Postma. „De overheid heeft van nature de neiging tot regelgeving. Dat geldt zeker het onderwijs. De laatste tien jaar is ze zich steeds intensiever en opdringeriger gaan bemoeien met de inhoud van het onderwijs”.

Positie

Volgens de Amsterdamse kenner van het onderwijsrecht heeft deze vergroting van overheidsinvloed vooral te maken met de gewijzigde positie van het onderwijs. „Vroeger was de school vooral het verlengstuk van de opvoeding thuis. Dat is die nu ook nog wel. Daar wil de regering niet direct aan tornen, getuige het feit dat in de laatste 25 jaar steeds meer denominaties de kans kregen om.eigen scholen op te richten. Maar daarnaast heeft de overheid -meer dan vroeger- haar eigen belang bij het onderwijs. Goede scholing is van groot belang voor de welvaart van het land. Denk aan het vak informatica. Als de regering het onderwijs daarin niet stimuleert, loopt ons land binnen enkele jaren ver achter bij andere landen en zal dus het welvaartspeil navenant dalen”.

Postma wijst erop dat de overheid in zeker opzicht ook niet anders kan. Met de grondwetswijziging van 1983 heeft de burger ook sociale grondrechten gekregen. Dat betekent dat de Staat verplicht is ervoor te zorgen dat de burger inkomen heeft. Dat is een belangrijke stimulans voor de regering om het onderwijs te sturen.

In een tijd waarin deregulering en vergroting van de autonomie van de scholen belangrijke speerpunten zijn van het onderwijsbeleid, lijkt toenemende overheidsbemoeienis met de inhoud van het onderwijs een inconsequentie te zijn.

Stapje terug

Postma: „De regering is daar heel duidelijk in. op terreinen als personeelsbeleid en besteding van de subsidie wil de overheid best een stapje terug doen. Daar krijgen de schoolbesturen meer ruimte, hetgeen dan wordt aangeduid met vergroting van de autonomie. Die laatste term is overigens misleidend. De autonomie van een persoon of instelling kun je alleen vergroten als die tot nu toe van iemand anders afhankelijk is. Voor het bijzonder onderwijs geldt dat helemaal niet. Dat is altijd al autonoom geweest.

Gaat het echter om de inhoud van het onderwijs, dan zegt de overheid klip en klaar dat zij meer invloed wil hebben. op die manier wil ze een hoogwaardig onderwijsbestel realiseren”.

Merkwaardig genoeg beschouwt de overheid deregulering en vergroting van de autonomie juist als middelen om de kwaliteit van het onderwijs te controleren en zonodig corrigerend op te treden. Postma citeert de notitie “De school op weg naar 2000” uit 1988: „Er loopt een duidelijke lijn van de vergroting van de autonomie van de scholen en van het toekennen van een eigen, ook financiële verantwoordelijkheid naar de kwaliteit van het door de scholen aangeboden onderwijs”.

Subsidiekraan

„Scholen die slecht onderwijs bieden, zouden zich op den duur weleens moeten zien te redden met een enkele druppel uit de subsidiekraan. Aan de lijn waarvoor de regering in 1985 gekozen heeft, houdt de overheid tot op de dag van vandaag vast”.

„De ideale school voor de overheid is een instelling die op kwalitatief verantwoorde manier inspeelt op de veranderingen in de maatschappij. Leerlingen moeten voldoende kennis hebben om in de moderne maatschappij te kunnen functioneren”.

„Juist om dat ideaal zo dicht mogelijk te benaderen, houdt de overheid eraan vast zelf de kerndoelen voor de basisvorming te formuleren. Met dat middel kan ze onderwijs garanderen van een kwaliteit die ze zelf graag wil hebben. Want natuurlijk is dat geen objectieve kwaliteit. Het is de kwaliteit die de overheid wil hebben”.

Alternatieve doelen

Dat de overheid bij voorkeur zelf de kerndoelen vaststelt en scholen die bezwaren hebben de gelegenheid biedt om alternatieve doelen te formuleren, noemt Postma „de wereld op zijn kop”. „op zichzelf kun je nog zeggen: fijn dat die mogelijkheid er is. De overheid heeft toch oog voor de bezwaren. Maar als je de grondwettelijke vrijheid van onderwijs zuiver neemt, moet je zeggen: deze gang van zaken kan niet. Dan zou het regel moeten zijn dat scholen zelf kerndoelen formuleren en in uitzonderingsgevallen de overheid ingrijpt en doelen aanbiedt. Dan laat je als overheid de grondwettelijk vrijheid ten volle tot haar recht komen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 31 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

Onderwijs om economisch eigenbelang

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 31 januari 1995

Reformatorisch Dagblad | 20 Pagina's

PDF Bekijken