Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een stukje hout van dertig centimeter

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een stukje hout van dertig centimeter

Kees Kramp: „Blokfluitisten leren hun stukken uit te peuteren, ze te analyseren"”

7 minuten leestijd

Het meest onderschatte instrument in onze muziekwereld. Geen indrukwekkend glimmende rij toetsen als bij de piano, geen imponerend geschetter als bij de trompet. In zijn meest gebruikte vorm een simpel stukje hout van een centimeter of dertig. Bovendien een instrument waarmee zo ongeveer iedereen die wat met muziek wil gaan doen, begint. Om het daarna weer zo snel mogelijk te verlaten. De blokfluit.

Blokfluitist Kees Kramp is muziekdocent aan de pabo De Driestar in Gouda. In de muzieklokalen klinkt bijna altijd wel blokfluitmuziek. De blokfluit is immers een vast onderdeel van de pabo-muziekstudie. Ook iemand die nog nooit wat aan muziek gedaan heeft, moet daaraan geloven. Zo maakte Kramp destijds zelf ook kennis met muziek. Hij werd erdoor gegrepen, met name door de oude muziek. In die oude muziek van Renaissance en Barok neemt de blokfluit een belangrijke plaats in en zo studeerde hij later aan het conservatorium naast schoolmuziek ook blokfluit.

Het besluit om op dat niveau met de blokfluit bezig te zijn, is tamelijk zeldzaam. „Het moet natuurlijk klikken”, zegt hij. „Je moet van oude muziek houden en dan moet je gecharmeerd raken van de blokfluit. Op de een of andere manier ben ik wel gek op die klank, die hééft gewoon iets. Natuurlijk zie ik ook wel de beperkingen van het instrument, maar dat is tegelijk ook de charme en de uitdaging”.

Wijsjes

Die uitdaging zit voor Kees Kramp vooral in de technische moeilijkheden bij het bespelen van de blokfluit. Weliswaar kunnen met de blokfluit al snel aardige wijsjes worden gespeeld; er zijn geen moeilijkheden met embouchure en zo. Maar als iemand werkelijk verder wil gaan, blijkt het instrument zich moeilijk te laten veroveren. Kramp: „Je moet bij een blokfluit veel vorkgrepen toepassen, waarbij een of meer middelvingers worden opgelicht, terwijl de buitenste vingers de toongaten dichthouden. Die vorkgrepen zijn er bij de dwarsfluit uitgehaald door Böhm, maar bij de blokfluit is dat nooit gebeurd. Vooral als je snel achter elkaar dat soort grepen moet toepassen, is het heel moeilijk. Daarbij valt het ook niet mee om versieringen mooi glad te spelen, terwijl die in die oude muziek juist erg belangrijk zijn.

Het belangrijkste is echter dat je beperkt bent in je expressiemogelijkheden. Qua expressie is de blokfluit niet sterk, hard en zacht spelen is moeilijk. Als je te hard blaast, wordt de toon te hoog; blaas je te zacht, dan wordt die te laag. Dat probeer je dan wel weer te compenseren door hulpgrepen toe te passen, maar dat kan niet aan de lopende band. Met die beperkte middelen is het dus heel belangrijk datje goed weet hoe je een stuk moet spelen, dat je goed fraseert, om toch een optimaal resultaat te bereiken. Blokfluitisten leren dan ook hun stukken uit te peuteren, heel goed te analyseren”.

Intiem

Een blokfluit moet de ruimte mee hebben. „Het instrument is vooral geschikt voor wat intiemere bijeenkomsten. Geen grote zalen, dat is de blokfluit niet eigen. Zo gebeurde dat vroeger ook: ze werd vaak gebruikt in de kamermuziek. Voor veel mensen is dat minder interessant. Men heeft ook minder behoefte aan kleine koorensembles dan aan grote koren. Als je kwaliteit afmeet aan de hoeveelheid mensen, valt de blokfluit niet echt in de smaak. Toch blijft het een prachtig instrument, waar heel mooie muziek voor geschreven is en die door veel mensen professioneel bespeeld wordt”.

Desondanks, de blokfluit heeft wel een grote duikeling gemaakt. In Renaissance en Barok wordt het instrument veelvuldig gebruikt en met ere genoemd. Anderhalve eeuw lang wordt de blokfluit vergeten, om uiteindelijk terug te keren als een instrument dat door enkelen erkend wordt als volwaardig concertinstrument. De rest beschouwt het slechts als een schoolinstrument.

Het uit de gratie raken van de blokfluit heeft wel alles te maken met het klank-karakter en de beperkte expressiemogelijkheden. Wanneer Bach of Händel een ”flauto” voorschreven, was het voor iedereen duidelijk: daar wordt de blokfluit bedoeld. Die componisten maakten vooral gebruik van het grote verschil in het klankkarakter van strijkers en van blokfluiten. Wissel een strijkorkest met bijvoorbeeld hobo’s af met een blokfluitgroep, en het karakter van die blokfluiten zal extra opvallen. Het koele, afstandelijke klank-karakter leek voor de mensen uit die tijd van een andere wereld afkomstig te zijn.

O, Schmerz

Kramp: „Die klank bezorgde de mensen koude rillingen. De blokfluit werd gebruikt om aan te geven dat er iets heel bijzonders aan de hand was. Als er iets van het mysterie moest worden aangegeven, dan werd de blokfluit gebruikt. Dat zie je bijvoorbeeld bij begrafenismuziek, maar ook wel bij liefdesscènes die uitgebeeld worden. Bach gebruikt in de Matthäus Passion maar één keer de blokfluit, en heel bewust bij het recitatief ”O, Schmerz! Hier zittert das gequälte Hertz”. Die toepassing vind je ook in de cantates”.

De tijd van Bach en Handel was tegelijkertijd de bloeiperiode van de blokfluit. Handel gebruikte de fluit tot 1735, maar toen raakte het instrument al uit de mode. De eerste invloeden van de Romantiek werden merkbaar en men zocht naar expressiemogelijkheden die de blokfluit niet kon bieden. Die mogelijkheden gaf de traverso meer en zo werd in korte tijd de blokfluit geheel verdrongen door de dwarsfluit. Kramp vergelijkt het proces met het verdwijnen van de luit, de klavecimbel en de viola da gamba: ook die instrumenten waren te koel, te strak van toon, en hadden zo te weinig expressie.

De tweede helft van de achttiende en de negentiende eeuw leverden nauwelijks blokfluitmuziek op. Mozart en Beethoven schreven veel muziek, maar niet voor blokfluit. In 1784 schreef C. F. D. Schubart over de blokfluit: „Dit instrument wordt bijna niet meer bespeeld, omdat de toon niet luid genoeg is en de omvang te beperkt”. Pas in de twintigste eeuw maakte de blokfluit haar comeback. In de jaren dertig waren het blokfluitisten die muziek van Telemann voor hun instrument opdoken uit de Europese bibliotheken. Daarmee bewerkstelligden ze niet alleen een volledige herwaardering van deze componist, maar droegen ook bij aan een hernieuwde belangstelling voor de oude muziek. Er werd in de twintigste eeuw ook weer muziek geschreven voor de blokfluit.

Dubbele boring

Hoe ver de kennis van de blokfluit was weggezakt, blijkt wel uit het feit dat er in onze eeuw een nieuwe boring met bijbehorende greepwijze werd toegepast: de Duitse boring. De musici die voor het eerst weer met die oude blokfluit aan de gang gingen, dachten dat een toonladder gespeeld moest worden door één voor één alle vingers op rij op te lichten. Dat klonk echter vals op die oude instrumenten en dus moest er een instrument gebouwd worden met een aangepaste boring. Ook nu nog zien we naast de instrumenten met de dubbele boring, zoals de blokfluit sinds de achttiende eeuw gebouwd werd, de instrumenten met enkele boring. Kees Kramp benadrukt dat het ook voor beginners beter is meteen een dubbele boring te nemen. Die is niet moeilijker te bespelen dan de enkele, maar biedt wel veel voordelen.

Het onderscheid tussen dubbele en enkele boring is niet de enige indeling die te maken is. Het meest bekend is de indeling sopraan-, alt-, tenor-, en basblokfluit. Maar daaronder zijn nog twee grotere bassen, terwijl er boven nog twee sopranino’s komen. Tegenwoordig zijn die instrumenten gestemd in c of in f, maar vroeger zijn er vele andere stemmingen geweest. Het belangrijkste instrument was in f gestemd, zoals onze altfluit, de andere stemmingen waren daarvan afgeleid. Kramp heeft een Dennerfluit, een kopie van een oud instrument in een oude stemming.

Weet iemand die enthousiast is voor de blokfluit, dat enthousiasme ook over te brengen op de student die verplicht met dat instrument aan de gang moet? „Ik voer in de klas geen pleidooi voor de blokfluit. Ik laat ook zo goed als nooit wat horen. Je begint gewoon met drie keer een a, drie keer een b enzovoort. Dat is helemaal niet leuk, maar dat geldt voor elk instrument waarmee je begint. Stel je voor dat ze dwarsfluit of hobo moesten doen. Gelukkig komt het natuurlijk wel voor dat er studenten zijn die op het instrument wat verder gaan. Dan ben je er zelf ook op een andere manier mee bezig”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Een stukje hout van dertig centimeter

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken