Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Na Majdanek kwam Auschwitz

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Na Majdanek kwam Auschwitz

De oorlogsjaren van Halina Birenbaum, een Poolse jodin

11 minuten leestijd

Nooit meer zomer... Die onvervulbare wens koesterde na de oorlog Halina Birenbaum. Niemand zou dan haar kampnummer ontdekken. In Polen, noch in Israël. „Hoeveel geld heb je van de Duitsers gekregen voor de Wiedergutmachung?”, hoorde ze eens in dat laatste land, haar huidige vaderland, na een blik op het nazi-schandteken. Een nummer van Auschwitz beleeft haar kampverleden opnieuw. Een halve eeuw na de bevrijding van het vernietigingsoord.

„Ik was tien jaar oud toen de oorlog uitbrak in september 1939. Ons gezin telde vijf leden. Ik had nog twee oudere broers. Wij woonden in Warschau. Al bij de eerste Duitse bombardementen van de Poolse hoofdstad brandde ons huis af.

Daarna leefden we met z’n vijven in één kamer. In het getto. Bijna drie jaar lang. Daarna heette het dat de joden in het Oosten te werk zouden worden gesteld. De jacht op ons begon. We trachtten ons te verbergen. Wat heb ik veel beleefd, geleerd in die periode. Dagelijks gingen in de laatste fase van het Warschauer getto tien- á vijftienduizend joden op transport.

Vader werkte in een schoenfabriek die voor de Wehrmacht produceerde. Hij had dus een ‘Lebensrecht’. Een broer van 18 was gegrepen en op de Umschlagplatz gestationeerd. Vanaf dat station liepen de treinen naar Treblinka. Nooit kwam er een levensteken van de ‘geëvacueerden’. Treblinka was slechts een vernietigingskamp.

Op een keer pakten ze ons ook op. Vader, moeder, een broer en ik. Moeder hechtte terecht weinig waarde aan de papieren, het ‘Lebensrecht’ van m’n vader en broer. De laatste ruimde lijken op na elk transport van gedeporteerden. En nu stonden wij zelf op die verschrikkelijke Umschlagplatz. Een muur van Duitse, Poolse en joodse politie omringde ons. Ook de joodse politie gedroeg zich op een afschuwelijke wijze. Alleen voor een enorm bedrag -10.000 zloty „pro Kopf”- kon je je nog loskopen. Zoveel geld bezaten wij niet”.

„Domme kinderen!”

„Met een „schnell, schnell” dreven ze ons naar de treinwagons. Vader liet zijn documenten zien. Tragisch genoeg sloegen joodse politieagenten keihard op hem in. Ik zie hem nog verdwijnen in die gigantische menigte. Richting Treblinka.

Mijn broer en ik smeekten moeder eveneens naar de trein te lopen. „Domme kinderen! Deze trein betekent de dood. Daar moeten wij niet in”, bracht ze alleen uit. Met een gouden ring en de belofte van twee kilo rijst plus een pak van m’n vader wist ze een joodse agent te bewegen ons terug te brengen naar het getto.

Tijdens de opstand van het getto brandden de Duitsers straat na straat plat. Onder onbeschrijflijke omstandigheden hielden wij ons in een bunker schuil. Opnieuw was er verraad in het spel. Ja, weer van een jood... Om zelf het vege lijf te redden. Ik wil de waarheid geen geweld aandoen. In die tijd heerste het absolute kwaad ongeremd. Misdadig gedrag was toentertijd legaal, de realiteit”.

„Mama is er niet meer...”

„Onze bestemming was Majdanek. Met de ontruiming van de overvolle wagon slaagde ik erin de jas van een man te bemachtigen. Moeder bezorgde mij de schoenen van een doodgeschoten vrouw. Die droegen hoge hakken. „Zo lijk je wel 17 en kom je door de selectie”, sprak ze me moed in. Urenlang wachtten wij, behalve moeder en ik, ook mijn schoonzus Hela en een nicht, in de stromende regen.

Eindelijk was onze groep aan de beurt. Ik kon nauwelijks meer op mijn bloedende voeten staan. Mijn nicht, een groot, sterk meisje, hielp me voort. Moeder en Hela liepen expres achter ons om te zien of ik naar “rechts” mocht. “Links” hield vergassing in. Die schoenen redden me inderdaad. Bovendien zag ik er nog redelijk goed uit. Plots verloor ik ook alle angst. Ik keek die SS-vrouw strak aan. Ze nam me van top tot teen op en liet me door.

In een barak volgde volledige ontkleding. Op de schoenen na. Opgestuwd door honderden naakte vrouwen raakte ik in een doucheruimte. „Heerlijk, water!, juichte het in me. Moeder had gelijk gehad. Ze zouden ons niet ombrengen. Wij mochten leven en werken. Van vreugde en opluchting wilde ik mijn moeder om de hals vliegen, haar mijn liefde en vertrouwen tonen.

Ik keek om me heen, maar nergens moeder. Ik zocht koortsachtig naar haar, stuitte op Hela: „Waar is mama?” Hela boog het hoofd. Ten slotte zei ze heel zacht: „Mama is er niet meer... Nu ben ik je moeder”. Mijn hele lichaam verstijfde. Ik kon zelfs niet meer huilen”.

Uit de gaskamer

„Drie maanden verbleven we in Majdanek. Hela zorgde zo goed voor me. De tijding dat we op transport zouden worden gesteld naar een werkkamp, maakte ons reuze blij. Majdanek was immers een concentratie-, een vernietigingskamp. De selectie omvatte een paar honderd vrouwen. Onder de schijn van risvoorbereidingen verhuisden we naar een barak in het mannenkamp. Een gelukkige dag brak aan. Nieuwtjes, groeten van familieleden gingen van mond tot mond. Er was wat soep en brood.

Midden in de nacht echter kwamen SS’ers ons met honden ophalen. Ik lag omarmd met mijn schoonzuster en droomde al van morgen. Ze sloegen ons letterlijk met de kolven van hun geweren de barak uit. We moesten ons in rijen opstellen. Telkens opnieuw telden ze ons. Ondertussen fluisterde de ene gevangene tegen de andere: „Ze brengen ons naar het crematorium”.

Sommigen begonnen te bidden, anderen te wenen. Ik was pas dertien, kon het eenvoudig niet geloven. Toch was het zo. Ze leidden ons weg naar de gaskamer. Die staat er vandaag de dag nog in Majdanek. Deze gaskamer hebben de Duitsers niet tijdig kunnen verwoesten.

Voor de barak lagen de lege dozen waarin het dodelijke blauwzuur Zyklon B had gezeten. Je rook de vreemde zoete geur van het gas al. De gaskamer zag eruit als een badinrichting. „Uitkleden!”, luidde het bevel. „Kleren aan de haken aan de muur”.

Ik ging naast mijn schoonzus op een bank zitten en hield haar hand vast. Hela keek me doordringend aan. Allen wachtten uiterst gespannen het verloop van de dingen af. Ik hoopte op een wonder, droomde wat weg. Uur na uur passeerde. En er gebeurde niets. Niemand kwam. In de ‘badruimte’ heerste een even onwerkelijke stilte als buiten. Hadden ze ons soms vergeten? Een vonkje hoop gloeide op in onze harten.

De volgende morgen haalden de Duitsers de grendel van de deur. Na een vreselijke nacht van wachten op de dood, wenkte het leven ons weer toe. Opnieuw volgde een telling. Alsof iemand van ons uit die volledig afgesloten gaskamer had kunnen vluchten! De mars voerde naar de barak van de vorige dag in het mannenkamp. Daar vernamen wij dat -menselijk gesproken- onvoorzien het gas niet had gewerkt.

Het ‘middageten’ gebruikten we nog in het mannenkamp. De stemming was bijna opgewekt. Gezond en wel een gaskamer verlaten. Dat grensde aan een wonder. Na het eten reikten ze ons een stuk brood uit. Nu gingen we echt op reis. Naar Auschwitz, zoals later bleek. Mijn redding!”

„Zou hij schieten ?”

„De nazi’s sommeerden ons met gespreide benen op de bodem van de goederenwagons neer te strijken. Tussen de benen schoof dan de volgende rij lotgenoten. Ze wilden elke millimeter ruimte benutten. Dit keer bleven de wagondeuren open. In de opening hielden twee SS’ers de wacht. Het was hoogzomer. Stel je eens voor, twee volle etmalen in een snikhete, trage trein, zonder aanvullend eten of drinken. Een ware marteling.

Op straffe van de dood was het de zittenden verboden zich ook maar enigszins te verroeren. Op den duur stak heel je lichaam. Alsof er duizenden spelden in prikten. 48 uur in dezelfde houding...

Opeens maakte mijn buurvrouw een lichte beweging. Een van de bewakers bedreigde haar onmiddellijk. Desalniettemin vroeg ze hem of ze even de ledematen mocht strekken. Zonder zijn antwoord af te wachten, probeerde zij zich aan de schouders van haar 14-jarige dochter op te trekken. De SS’er richtte zijn wapen op haar. Half opgericht smeekte zij hem om erbarmen.

Wij hielden de adem in. De SS-man was een oudere persoon. Ik schatte hem op 60. Zou hij werkelijk schieten? Hij haalde de trekker over en trof de vrouw in de slaap. Nog zie ik voor me hoe het gezicht van de vrouw al witter en witter kleurde. Ze stierf op de schouders van haar dochter. Als was er niets gebeurd, hing de SS’er zichtbaar tevreden over zichzelf het moordwapen weer over de schouders.

Een ijzingwekkende stilte vulde de wagon. Honger noch dorst kwelden ons meer. Met het nog warme dode lichaam van haar moeder op de rug poogde het meisje haar tranen hoorbaar weg te slikken. De stem van de moordenaar doorbrak onze algemene verstarring. Hij krijste tegen mijn ontroostbare leeftijdgenoot: „Zwijg, vervloekte jodin! Jij krepeert ook meteen”. De SS’er greep daarop het lijk van de vrouw beet en wierp het als een zak naar buiten”.

„Waarom deed jij dat?”

„Op dat ogenblik beseften we des te meer dat ons einddoel geen werkkamp zou zijn... Ten langen leste stopte de trein. Auschwitz met zijn leugenachtige opschrift “Arbeit macht frei” doemde voor ons op. Met de naam “Auschwitz” hadden zowel de nazi’s als de Joodse Raad in het getto van Warschau ons reeds schrik aangejaagd. „Hier kom ik nooit meer uit!”, flitste het door me heen.

Het ergste waren de appèls. Drie, vier uur. ’s Morgens en ’s avonds. Je snakte naar het bevel „Abtreten!”. En als dat eindelijk kwam, hoorde je vaak kort daarop „Stop! Jodinnen blijven staan!” Je verlamde gewoonweg.

Maanden ademde ik de rook in van de crematoria, de weeïge stank van verbrand mensenvlees, ’s Nachts zag de hemel zo rood door het vuur dat je makkelijk kon lezen en overdag heerste bijkans duisternis.

Bij een selectie sprong een joods meisje van de vrachtwagen die haar naar de gaskamer zou transporteren. Ze brak haar voet en mocht terug naar het kamp. Haar naam was al doorgestreept op de lijst van de levenden. Hössler, de plaatsvervanger van kampcommandant Höss, voegde het kind op quasi-goedmoedige toon toe: „Waarom deed jij dat? Je moet sowieso sterven. Je bent toch een jodin. Das ist normal!” Tegen niemand anders ter wereld dan jegens ons zijn zulke woorden gebezigd én in praktijk gebracht”.

„Een beest...”

„Ondertussen kwijnde Hela weg. Ze was een skelet. Op een fraaie, zonnige dag daagde een sinister SS-tribunaal onder leiding van doctor Mengele voor een nieuwe selectie. Ik vreesde voor Hela’s leven. Links - dood. Rechts - leven.

Pal voor Mengele’s stokje klampte ik me aan het uitgemergelde lichaam van mijn schoonzus vast. Ik moest haar beschermen. Volkomen onverschillig gaf Mengele links aan voor Hela en rechts voor mij. In seconden tijds verloor ik alle angst. Ik liet me niet van Hela scheiden! De selectieprocedure stokte. Iets ongehoords in Auschwitz.

De assistent van Mengele, Taube, noteerde mij ook op de lijst voor de gaskamer. En passant sloeg een groep SS-officieren het incident geamuseerd gade. Niemand minder dan Hössler wenkte me. Hij verlangde een verklaring. „Zij is mijn moeder, mijn zuster. Zonder haar kan ik niet leven!” De plaatsvervangend kampcommandant legde me het zwijgen op straffe van... Zijn hand wees richting crematorium. Slechts een onbedachtzaam, ongelovig „Jaaaa??!!” onsnapte mijn lippen nog. De SS’ers bauwden mij satanisch na, maar onze nummers werden op Hösslers bevel van de lijst van geselecteerden gehaald.

In een eerste, onstuimige opwelling stortte ik mij op Hössler om hem te bedanken. Een gevoelige oorvijg deed mij duizelen, bracht me tot bezinning. De pijn van die klap was niets vergeleken bij het gevoel van schaamte dat mij overmande. Een beest blijft een beest. Mijn Hela overleefde Auschwitz niet.

Ze raakte in het hospitaal. Vijf etmalen spaarde ik het schamele broodrantsoen -mijn dagelijkse droom- uit mijn mond voor haar herstel. Twintig was ze toen ze stierf. Daarvoor verontschuldigde zij zich nog tegenover mij... Een natuurlijke dood, gelukkig niet in de gaskamer”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

Na Majdanek kwam Auschwitz

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 36 Pagina's

PDF Bekijken