Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Luisteren naar de verborgen noodkreet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Luisteren naar de verborgen noodkreet

„ Consultatiebureau onderkent opvoedingsproblemen nauwelijk

7 minuten leestijd

„Ze huilt de hele dag en ze slaapt slecht. Ik kan absoluut niet tegen dat gehuil. Ik word er wanhopig van en verlies er mijn zelbeheersing door. Ik geef haar limonade, want dan is ze tenminste stil. Als ik dit bij het consultatiebureau vertel, zeggen ze alleen maar: Limonade mag niet, het is slecht voor de tandjes”.

Consultatiebureaus slagen er nauwelijks in opvoedingsproblemen te onderkennen. Ouders van jonge kinderen leggen er vragen of problemen voor, maar klagen dat er te weinig naar hen wordt geluisterd. Ze zijn ronduit ontevreden en teleurgesteld over de hulp die ze krijgen.

Tot die conclusie komt mevrouw H. T. Habekothé in haar proefschrift “Opvoedingsproblemen en consultatiebureaus. Onderkennen en adviseren”. Vorige week promoveerde de orthopedagoge aan de Universiteit van Amsterdam, waar zij universitair docente is. Daarnaast is zij werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW).

Habekothé bezocht vier consultatiebureaus in de Randstad en richtte zich op bezoekers met kinderen in de leeftijd van anderhalf tot tweeënhalf jaar. Ze analyseerde tachtig gesprekken die tussen ouders en artsen of wijkverpleegkundigen op de consultatiebureaus werden gevoerd. Daarnaast heeft Habekothé veertig ouders thuis geïnterviewd.

Onderbreken

Volgens de meeste ouders luisteren de artsen en wijkverpleegkundigen op de consultatiebureaus slecht. Habekothé constateert in haar proefschrift dat de gesprekken op de bureaus zich kenmerken door sturend vragen, veel onderbreken, voorbarige conclusies en dwingende advisering door artsen of wijkverpleegkundigen”.

Slaap-, eet-, en gedragsproblemen zijn de meest voorkomende moeilijkheden bij kinderen in de leeftijd van anderhalf tot tweeënhalf jaar. Peuters ontwikkelen een neiging tot zelfstandigheid. Ouders willen graag wéten hoe ze als opvoeders daarmee moeten omgaan. Velen zitten met opvoedingsvragen, maar stellen ze niet op het consultatiebureau omdat er te veel „moet” van de arts en de wijkverpleegkundige.

„Opvoeding wordt te veel benaderd vanuit het normen- en waardenpatroon van de hulpverlener. De arts of wijkverpleegkundige heeft de regie van het onderhoud in handen. Het gesprek laat weinig ruimte open voor ideeën en deskundigheid van ouders zelf. Die moeten adviezen van artsen of wijkverpleegkundigen in overweging kunnen nemen. Ouders vinden het heel vervelend als hulpverleners drammen. Artsen en wijkverpleegkundigen zouden het gesprek meer op basis van gelijkwaardigheid moeten voeren”, meent Habekothé.

De promovenda stelt dat veel ouders zelf niet altijd in staat zijn hun vragen over opvoeding helder onder woorden te brengen. Daardoor zijn de hulpverleners in veel gevallen niet in staat om een heldere analyse te maken van de vraag en de daarbij noodzakelijke hulp. „Als je als ouder niet duidelijk formuleert, moet je er niet op rekenen dat opvoedingsvragen worden opgepikt”, aldus Habekothé.

Geen tijd

De consultatiebureaus geven steevast gebrek aan tijd op als argument voor het matige functioneren. De arts en de wijkverpleegkundige krijgen per kind elk tien minuten de tijd. „Onzin”, noemt Habekothé het argument. „Vaak praten arts en wijkverpleegkundige over dezelfde dingen. Een groot aantal onderwerpen wordt dubbel besproken. Hulpverleners moeten hierover betere afspraken maken. Een goede taakverdeling bespaart een hoop tijd. De arts moet de medische zorg voor zijn rekening nemen, de wijkverpleegkundige de psychosociale kant”.

Het zou verstandig zijn om vooraf met de ouders te overleggen waarover ze willen praten, denkt de orthopedagoge. „Ouders kennen hun kind beter dan de hulpverleners. Met een algemeen gesprek over de leeftijdskenmerken van hun kind kunnen ouders heel weinig. Naar de specifieke opvoedingsvragen van ouders moet beter geluisterd worden. De vraag: Heeft u nog vragen? zou veel meer gesteld moeten worden. Vaak brengen dan ouders hun opvoedingsvragen naar voren”, merkte Habekothé tijdens, haar onderzoek.

„Wijkverpleegkundigen moeten worden bijgeschoold. Ze zouden beter opgeleid moeten zijn in het onderkennen van opvoedingsproblemen en in de manieren om daarmee om te gaan”, zegt de Amsterdamse doctor. „Veel hulpverleners op de consultatiebureaus -de goede niet te na gesproken- zijn niet alert genoeg. Ze zijn niet in staat om samen met de ouders een probleemanalyse op te stellen en te vragen: Wat is er aan de hand, hoe gaat u met het probleem om en wat kunnen we eraan doen?”.

Habekothé: „Als iemand zegt: Mijn kind huilt de hele dag, ik geef het limonade omdat ik anders mijn zelfbeheersing verlies, moet de wijkverpleegkundige de achterliggende noodkreet ‘Help me, ik heb het ontzettend moeilijk’ oppikken en niet alleen maar zeggen: Limonade is slecht. Als het probleem voor de medewerkers van het bureau te moeilijk is, kunnen ze natuurlijk doorverwijzen naar een riagg of die raadplegen. Maar het onderkennen van opvoedingsproblemen is de taak van het consultatiebureau”.

Laagdrempelig

Het consultatiebureau is onderdeel van de jeugdgezondheidszorg voor 0- tot 4jarigen. Het bureau behartigt de medische en psychosociale begeleiding van het kind. Alle kinderen in Nederland worden tijdens hun eerste lévensjaren een aantal keren per jaar opgeroepen voor vaccinatie en om vroegtijdig storingen in de ontwikkeling van het kind te kunnen ontdekken. Habekothé: „Praten over opvoeding behoort zeker tot de taken van het consultatiebureau”.

Voor het onderkennen van medischbiologische problemen bestaan verschillende controle-instrumenten, zoals de Ewingtest voor het gehoor. De laatste jaren is er in de jeugdgezondheidszorg veel aandacht voor preventie van opvoedingsproblemen. Maar een vergelijkbaar instrument om die problemen te onderkennen, is er niet. Het gesprek met de ouders is dus de belangrijkste bron van informatie.

De bureaus zien ruim 93 procent van de kinderen en blijken dus erg laagdrempelig. „Daarom is het zo jammer dat veel ouders ontevreden zijn over de opvoedkundige begeleiding”, vindt Habekothé.

Die ontevredenheid leidt ertoe dat een kwart van de ouders geen pedagogische vragen meer stelt. Voor opvoedkundige tips raadplegen moeders uit de lagere milieus liever hun eigen moeder. De hogere milieus gaan naar kennissen of halen er een boek bij. Op het consultatiebureau houden ze het bij medisch-bioligische zaken. Over de voorlichting daarover zijn de meeste ouders wel tevreden.

Aanval

Habekothé vindt dat de consultatiebureaus „op zich best goed werk doen. Maar als wetenschapper moet je kritisch naar de dingen kijken”. Zij hoopt dat haar proefschrift bijdraagt aan een verbetering van de bestaande zorg en dat de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg (LVT) de uitkomsten van haar onderzoek niet als een aanval beschouwt.

„Toch wel”, zegt R. Burgmeijer, jeugdarts bij de LVT, desgevraagd. „Sinds het onderzoek van Habekothé is een aantal dingen veranderd. Ik lees in het proefschrift niets over opvoedtelefoons, de telefonische spreekuren waar ouders hun opvoedingsproblemen kunnen voorleggen. Er zijn pedagogen in dienst getreden, nauwe samenwerkingsverbanden met de riagg aangegaan en spreekuren voor pedagogische hulp zijn aan de orde van de dag. Van een puur medisch gericht consultatiebureau zijn we de laatste jaren uitgegroeid tot een instelling die terdege oog heeft voor pedagogische en psychologische problemen. In het proefschrift van Habekothé wordt nergens gesproken over die ontwikkeling”.

De conclusies zijn bovendipn niet representatief, zegt Burgmeijer. „Mevrouw Habekothé heeft tijdens haar onderzoek vier consultatiebureaus bezocht en slechts enkele artsen en wijkverpleegkundigen uit één provincie ondervraagd. Vervolgens veralgemeniseert ze haar conclusies. Ze doet het voorkomen alsof de uitkomsten van haar onderzoek voor heel Nederland gelden. Dat vind ik verkeerd. Er zijn op de Nederlandse consultatiebureaus in totaal 4000 artsen werkzaam”.

De Amsterdamse promovenda gaat er echter van uit dat haar conclusies gelden voor alle consultatiebureaus in Nederland. „Zaken als slecht luisteren, voorbarige conclusies en dwingende adviezen zijn dingen die in de tachtig gesprekken steeds terugkeerden. Het zou mij verbazen als zulke zaken tijdens gesprekken op andere consultatiebureaus niet voorkomen. Artsen zijn op dezelfde manier opgeleid, hebben een bepaalde manier om met deze problematiek om te gaan. Dat geldt ook voor wijkverpleegkundigen”.

Op tafel

Habekothé blijft daarom ouders adviseren hun opvoedingsvragen duidelijk naar voren te brengen. Ouders moeten aan het begin van het gesprek direct met de dingen op tafel komen. „Ik weet hoe moeilijk dat kan zijn. Het is niet gemakkelijk om over opvoedingsproblemen te praten. Veel ouders schamen zich ervoor. Ze zijn bang dat de hulpverlener vindt dat ze hebben gefaald in het opvoeden.

Volgens de onderzoekster zijn veel ouders onzeker over hun eigen opvoedingskwaliteiten. Dat komt onder andere door de media. „Er is in de media veel aandacht voor opvoeding. Opvoeding is belangrijk, kritiekgevoelig ook. Veel deskundigen praten erover. Ouders willen het zo goed mogelijk doen”. Daarnaast verliezen volgens Hebekothé veel opvoeders hun houvast door veranderingen in de samenleving. „Vroeger had je veel grote gezinnen. Soms woonden de grootouders bij het gezin in. Tegenwoordig is er een groot aantal eenoudergezinnen. Opvoeden is onoverzichtelijker geworden. Dat maakt mensen onzeker”.

Habekothé: „Tegen die ouders zou ik willen zeggen: Schaam je daar niet voor. Leg de problemen op het consultatiebureau voor. Neem het initiatief en probeer de problemen zo goed mogelijk te verwoorden”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Luisteren naar de verborgen noodkreet

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 februari 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken