Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Twee dichters der natuur en Schriftuur

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Twee dichters der natuur en Schriftuur

Pure poëzie in bundelingen van Anton van Wilderode en Jacqueline van der Waals

11 minuten leestijd

Wat heeft een Vlaamse priester-dichter van nu gemeen met een Nederlandse predikant en professor in de Godgeleerdheid uit de 19e eeuw? Kan men de verskunst van de, door critici verfoeide, Hollandse dichters-dominees vergelijken met het werk van dichtende priesters als onze Zuiderburen Guido Gezelle, Hugo Verriest en ook Anton van Wilderode? Is dat vergezocht? De eerste bundel van priester Van Wilderode uit 1943 heet wel naar een bekend gedicht van ds. Nicolaas Beets, die zijn andere ik Hildebrand (van de ”Camera Obscura”) had afgelegd. Die bundel, en het vers van Beets, heten ”De moerbeitoppen ruisten”.

Gedichten van Anton van Wildcrode uit deze eerste bundel en vele volgende bracht hij bijeen in de bloemlezing ”Ex libris. Gedichten”. De dichter maakte zijn keuze uit een omvangrijk poëtisch oeuvre. Dat werk doet, zo kunnen we al meteen vaststellen, weinig denken aan die -soms niet helemaal ten onrechte- gesmade rijmen van onze dichtende predikanten in de 19e eeuw. Zeker, OOK bij Beets of Bernard ter Haar of J. J. L. ten Kate kan men af en toe poëzie van redelijk literair niveau tegenkomen. Beets’ bovengenoemde vers kan men waarlijk niet afdoen als braaf dominees- gerijmel. En deze pastorale poëzie luistert naar eigen wetten, die niet ontleend zijn aan de canons der literatuurcritici.

Classicus

Omgekeerd is het ook niet zo, dat alle gedichten van deze Vlaming tot de letter-kunde- top-honderd behoren. Maar Van Wilderodes dichterschap is terecht beloond met vele literaire prijzen, zoals de Joost van den Vondel Prijs en de Vlaamse Staatsprijzen voor Poëzie en voor Letterkunde. Wie is Van Wilderode? Hij heet Cyriel Paul Coupé en werd op 28 juni 1918 in Moerbeke-Waas geboren. In 1944 volgde zijn priesterwijding. Hij studeerde klassieke letteren en was leraar Nederlands en Antieke Cultuur aan een middelbare school in Sint-Niklaas.

Van Wilderode was redacteur van het cultureel-literaire tijdschrift Dietsche Warande & Belfort en kreeg een eredoctoraat in de letteren en wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit in Leuven. Als dichter debuteerde hij in 1943 met de bundel ”De moerbeitoppen ruisten”. Vele bundels volgden, waaronder Herinnering en gezang. Najaar van Hellas, Het land der mensen. Het herdertje van Pest (1957, een berijmd verhaal over de Hongaarse opstand van 1956), De overoever. Een tent van tamarinde. Daar is maar een land. En het dorp zal duren, De vlinderboom en in 1992 Apostel na de Twaalf.

De classicus publiceerde ook vertalingen van de ”Aeneis”, de ”Bucolica” en de ”Georgia” van Vergilius. Hij maakte bloemlezingen, soms voor het middelbaar onderwijs: ”De dubbelfluit”. Dierbare poëzie en Het Groot Jaargetijdenboek. Zijn verskunst is vaak traditioneel van vorm en nogal romantisch getoonzet. Van Wilde- rode maakte ook tv-programma’s over poëzie en werkt mee aan fotoboeken.

Nieuwe Gezelle?

In ”Ex libris” koos hij uit de meeste van deze bundels, uit Dorp zonder ouders (waarvoor hij de Staatsprijs voor Poëzie kreeg) en uit Poedersneeuw, terwijl ook een aantal nog ongebundelde verzen werd opgenomen. Al eerder verschenen zijn verzamelde gedichten tot 1980; ook daarna bleef hij poëtisch vruchtbaar. Zijn dichterschap is veelzijdig. Inspiratiebronnen voor hem zijn onder veel meer z’n geliefd Vlaanderland, vader en moeder, de wereld van de klassieke oudheid en het hedendaagse Griekenland en Turkije, de Europese geschiedenis, Italië (waaronder de streek der Fransciscaanse spiritualiteit, Assisi, en Venetië). Maar hij is ook priester en onder menig gedicht, vooral in zijn latere bundel ”Apostel na de Twaalf” vinden we schriftverwijzingen.

Is Van Wilderode de hedendaagse Gezelle? Onmiskenbaar zijn er overeenkomsten in thematiek en (soms) bezielde retoriek. Beiden zijn christen-dichters, hoewel ze daarom nog niet alleen ‘christelijke’ gedichten schrijven. Maar wie geen christen is, kan geen verzen schrijven als zijn klare ”Stefanos” I en II (naar Handelingen 7). In I heet het: „Nog eer zijn borst de eerste steen opving/ bad Stefanos: ‘Ontvang mijn geest. Heer Jezus!’/ (...) Zag achteraan wellicht de Jongeman/ die Saulus heette en de ondaad dekte./ Zag de getuigen die hun mantels strekten,/ En daarna niets meer toen het duister kwam”.

En II begint zo: „De heffe Sanhedrieten is verdwenen./ De dode ligt in het melaatse uur/ van middernacht aan een geschonden muur/ onder de wanhoop der geworpen stenen (...)”. Logisch volgend op Stefanus’ marteldood zijn de verzen over ”Saulus op weg naar Damascus”, vol zonlichte kleuren: „Hij hoorde broksgewijze het verslag/ van de geschrokken ruiters, hun bedaarde/ woordjes van hou en hola tot de paarden,/ verschrikt verstrooide horde na de slag”.

Van Wilderode heeft deze streken veel bereisd. Dat kan men ook opmaken uit zijn ”Na Damascus” (”Het ezeltje van zeemleer dat me torst”) en ”Terug in Tarsos” (met de strofe „Het rood rood rood van pasgeslachte hazen/ tot in hun rigor mortis nog rebels,/ een tot de enkels afgestroopte pels/ en glarie-ogen vol bedroefd verbazen”). In ”Orthodox kerkje” ervaart hij: „Van kaarsen gaat in het kathoükon/ het witte misten aan”. Na het vers ”Jeruzalem” volgt in deze bloemlezing ”Paulus”: „Een zwerver ben ik voor de Heer geworden” en de strofe waaraan de bundel zijn naam ontleent: „Apostel na de Twaalf. De misgeboorte./ Een vader zonder kroost. Een zwerveling.”

De legende van de zeven slapers in Efeze inspireert de dichter evenzeer als 1 Korinthe 9 dat doet: ”De Wedloop”. De lijdenstijd komt ons zeer nabij in zijn gedicht ”De instelling” (van het heilig avondmaal, naar 1 Korinthe 11). Literair is het niet zo’n sterk vers; inhoudelijk wel. Dit gedicht van deze priester is in geen enkel opzicht een specifiek rooms-katholiek vers. Integendeel, alles wat zou kunnen wijzen op de latere eucharistie, ontbreekt hier ten enenmale. Dit vers zou geschreven kunnen zijn door Muus Jacobse of zelfs Nel Benschop.

Waardering

Trouwens, ook in andere verzen in ”Ex libris” zal men Van Wilderode niet vaak betrappen op zijn clericale achtergrond: geen verzen over de paus, heiligen, bisschoppen of vrouwelijke mystieken. Of dat een compliment is, laat ik hier in het midden. Hooguit verwondert hij zich er in ”Sacerdos” (Priester) over, dat hij al twintigjaar (in de mis) God nabij roept. Die hém gehoorzaamt en Zich door zijn bezoedelde handen laat aanraken. Als hij wel zo’n oerroomse priester-dichter was geweest, zou het nogal anticlericale literaire wereldje in België hem niet zo geprezen hebben. In ons land waren het vooral de Liedboek-dichters Willem Barnard (Guillaume van der Graft) en J. W. Schulte Nordholt, maar ook Kees Fens en Huub Oosterhuis die hun waardering voor zijn verskunst uitspraken.

Het is pure poëzie, ook in het vers ”Zee dreunt mij achterna” met regels als „En verder met de zon op mijn gezicht/ loop ik tot waar de heuvelen beginnen/ waarover Paulus ooit, en Titus, liepen./ De aarde is gebleven wat zij was,/ gebouwen werden gruis en werden gras/ als al wat mensen voor de toekomst schiepen”. Van een al te optimistisch mensbeeld is hier geen sprake.

Moederkerk

Ook niet in ”Testament” waar hij opnieuw de door hem vaak bezongen Paulus aan het woord laat: „Terwille van de Heer heb ik geleden/ door honger eenzaamheid en kerkerstraf, (...)/ De pijn van schisma’s die de kerk verdeelden/ was bijna lijfelijk - de lijfrok uit één stuk/ die door gebroeders werd uiteen gerukt./ De wonden ongeneeslijk ongeheelde”. Meteen beetje goede wil kan men hier de priester van de heilige roomse moederkerk terugvinden in de pijn over hen die van die kerk afdwaalden. Maar expliciet zegt de dichter dat niet.

Ik stipte welbewust eenzijdig wat gedichten van Van Wilderode aan. Andere, net zo ontroerende, moeten hier ongenoemd blijven. Zoals zijn ”Weemoed mijn wereld”, ”Dag in september”, ”De dag van Eden” (over zijn gestorven moeder), ”Het land van amen” („Ik zal voorbij zijn en het dorp zal duren”), het teer-intieme ”Spreken met vader” (die is overleden) en het vragende ”En dan de dood”. Anton van Wilderode is een groot lyrisch dichter en wie hem nog niet kent, moet zeker hem ontmoeten in deze bloemlezing ”Ex libris”.

DE INSTELLING

Want in de nacht dat Hij werd uitgeleverd nam Jezus brood en na een dankgebed te hebben uitgesproken, brak Hij het en sprak: Dit is mijn lichaam, voor uw leven.

Tot mijn gedachtenis, als gij dit doet. Gelijkerwijze nam Hij, na het eten, de beker op en zeide: Deze beker is het verbond, bekrachtigd door mijn bloed.

Denk elke keer, als gij hem drinkt, aan mij. Want telkens als gij van dit brood zult eten en uit die beker drinkt, verkondigt gij totdat Hij wederkomt de dood des Heren.

Naar 1 Korinthiërs 11:23-26

Jammer dat bi(bli)ografische notities hier vrijwel ontbreken, evenals registers op titels en beginregels en een portretfoto. (Hij doet mij denken aan een andere Vlaamse priester: kardinaal Godfried Danneels van Mechelen. En zelfs aan de droevig-markante ‘kop’ van z’n spirituele voorganger Guido Gezelle.)

Jacq. van der Waals

Een bekende christen-dichteres van rond de eeuwwisseling, wier werk nog altijd in bloemlezingen wordt herdrukt, is Jacqueline E. van der Waals. Recent durfde een uitgever het aan om haar ”Verzamelde gedichten” uit te geven in één band, bezorgd en ingeleid door haar biograaf drs. Henk van der Ent. En bij een andere uitgever verscheen liefst de 19e druk van een keuze uit haar verzen, ”Gebroken kleuren”. Dit wijst erop, dat haar poëzie misschien niet de eeuwen verduurt, maar wel vele decennia.

Ze leefde van 1868 tot 1922 en debuteerde in 1900 onder de schuilnaam U. E. V. (Una ex vocibus, één der stemmen) met de bundel ”Verzen”. In 1910 volgden, nu onder eigen naam, haar ”Nieuwe Verzen” en in 1918 ”Iris”. Haar ”Laatste Verzen” verschenen in of kort na haar sterfjaar. Van der Waals, dochter van een befaamd natuurkundige, was behalve dichteres ook prozaschrijfster. Bekend werd haar roman ”Noortje Velt” (1907). Prozastukken van haar, zoals Repelsteeltje en Het Klavertje van Vier, verschenen in ”Onze Eeuw”. Verder publiceerde ze bijdragen over Gösta Berling, over ”Brand” van Henrik Ibsen, over ”Peer Gynt” en over Soren Kierkegaard, terwijl ze ook veel vertaalde uit het Noors, Deens en Duits.

Gossaerts lof

Als lerares geschiedenis gaf ze les aan meisjeskostscholen, onder meer in Amsterdam. Hoewel Jacqueline nietergoud werd, was ze niet zo zwak en ziekelijk als uit sommige gedichten -vooral uit ”Sinds ik het weet...”, maar ook uit ”Doods nadering” I, II, III en IV en uit ”De dood als verlosser”- wel is afgeleid. De legende rond het broze, veelal ziekelijke poppetje wordt weerlegd door haar intensieve sportbeoefening: tennis, schaatsen, bergbeklimmen en wandelen. Ook haar geest was kerngezond. Naast MO-geschiedenis maakte ze zich ook het Zweeds, Noors, Deens en Italiaans eigen, en wijsbegeerte en theologie.

Details over haar leven, het milieu thuis en haar werk geeft Van der Ent in zijn beknopte introductie tot de Verzamelde gedichten. Zo vernemen we, dat haar jongere tijdgenoot Geerten Gossaert heel zijn eigen dichtwerk -dat overigens beperkt bleef tot één bundel, ”Experimenten”, die per herdruk wel in omvang groeidegraag eraan zou willen geven als hij haar gedicht ”Die mijns harten vrede zijt...” had kunnen schrijven. Dat zegt wel wat, want Gossaert, die eenling binnen de generatie van omstreeks 1910, ”was bepaald geen kabouter in christelijk dichtersland. Hij bewees, dat een klein oeuvre groot kan zijn.

Leermeester

Het is te verstaan, dat men in christelijke kring nu nog zijn toevlucht zoekt bij ‘oud goud’, van Van der Waals tot prozaïste Wilma, al lopen de denkbeelden over geloof en kerk van oeide dames niet bepaald parallel met wat men in behoudend gereformeerde kringen heden voor de zuivere leer houdt. Van der Waals werd theologisch nogal gevormd door de toen bekende prof P. D. Chantepie de la Saussaye jr. Haar gedicht bij zijn dood verraadt de invloed der Tachtigers: „Ik ween om woorden, die onuitgesproken bleven”.

Was ze verliefd op haar leermeester? Het lijkt er veel op. Ze schreef (ik ween om woorden) „Van tederheid, die ik verlangde u te geven,/ Doch nooit heb uitgezegd of neergeschreven/ Uit schroom voor ’t grote woord, die ’t ware woord vermeed.../ Ik ween om woorden die onuitgesproken bleven,/ Om al, wat ik verzweeg - en gij niet weet”.

Jacqueline heeft ons een kleine schat van zuivere, soms innig vrome, verzen nagelaten. Ze rommelde niet met taal: vorm en inhoud behoorden bijeen. In de Verzamelde gedichten vindt men ze allemaal terug. Wie die te kostbaar vindt, kan ook in ”Gebroken kleuren” zich verlustigen in verzen als ”Ik ben mijn zonden moe en mijn berouw”, haar versie van ”Dies Irae” met de nu extra gewichtvolle strofen „Jezus, die mijn ziel gezocht hebt,/ met Uw kruisdood mij gekocht hebt,/ ach, volbreng wat Gij gewrocht hebt.// En gedenk ten laatsten dage,/ hoe, voor mij aan ’t kruis geslagen,/ Gij mijn straf reeds hebt gedragen”.

Andere oude bekenden van haar zijn ”De herdersfluit” („Eens ging ik langs het lage riet”). Minder bekend, maar wel aangrijpend is haar vers ”Gethsemané” („Jezus, den laatsten der nachten”). Ook haar ‘aardse’ verzen klinken vaak puur, van liefdespoëzie tot natuurlyriek, van ”Ik heb zulk een honger naar liefde” tot ”O, die juichende, bloeiende Mei” en het vroege ”Komende schepen”.

N.a.v. ”Ex libris”. De uitgave van De Prom telt 128 blz. en kost geb. ƒ 29,90.”Verzamelde Gedichten” van Jacqueline van der Waals, uitg. De Groot Goudriaan (Kok), 256 blz., geb. ƒ 65,-. Van dezelfde dichteres: ”Gebroken kleuren”. Uitg. Callenbach, paperback, 100 bIz., ƒ 17,50.


DE INSTELLING

'Want in de nacht dat Hij werd uitgeleverd
nam Jezus brood en na een dankgebed
te hebben uitgesproken, brak Hij het
en sprak: Dit is mijn lichaam, voor uw leven.

Tot mijn gedachtenis, als gij dit doet.
Gelijkerwijze nam Hij, na het eten,
de beker op en zeide: Deze beker
is het verbond, bekrachtigd door mijn bloed.

Denk elke keer, als gij hem drinkt, aan mij.
Want telkens als gij van dit brood zult eten
en uit die beker drinkt, verkondigt gij
totdat Hij wederkomt de dood des Heren.'

Naar 1 Korinthiërs 11:23-26


GETHSEMANÉ

Jezus, den laatsten der nachten.
Ging naar den hof der olijven.
Liet Zijn discipelen blijven
Buiten de duistere gaard;
Toen koos Hij drie uit hun midden.
Met Hem te waken, te bidden,
Maar door het bidden en wachten
Werden hunne ogen bezwaard.

Kon dan niet één met Hem waken?
Eén in die smartelijke uren
Met Hem de droefheid verduren
Van Zijn verwerping. Zijn smaad?
 Moest Hij, dien zwartsten der nachten,
Eenzaam den kruisdood verwachten.
Eenzaam de bitterheid smaken
Van den triomf van het kwaad?

’k Wil bij Uw droefheid verwijlen,
In Uwe smarten verzinken.
Gij, die den beker moest drinken.
Die de verzoening ons bracht.
Wie zal de angsten doorgronden
Van deze nachtlijke stonden?
Wie zal de duisternis peilen
Van dezen duisteren nacht?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Twee dichters der natuur en Schriftuur

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken