Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Plaatselijke vrijheid strakker ingesnoerd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Plaatselijke vrijheid strakker ingesnoerd

De Ordinanties van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland

11 minuten leestijd

„Er is weer een volgende stap gezet op de weg van het ontwerpen van een kerkordelijke structuur voor de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland”. Met deze enigszins triomfantelijke zin kondigde drs. L. C. van Drimmelen, secretaris van de Werkgroep Kerkorde, in het SoW-informatieblad Kerkinformatie de nieuwe Ordinanties aan. Vrij snel daarna werd al bekend dat er een extra beraad van de hervormde synode moet worden belegd om deze ‘volgende stap’ tot een „pas op de plaats” te brengen.

Hoewel het dus onzeker is of, en zo Ja wanneer de thans voorliggende Ordinanties een synodale bespreking zullen krijgen, is het goed om van de inhoud ervan kennis te nemen. Uiteraard kan een volledig stelsel van kerkelijke regelgeving (112 pagina’s) niet in één artikel gedetailleerd aan de orde komen. Wel kunnen we aan de hand van enkele voorbeelden een schets geven van de algemene tendens.

Uitwerking

De Ordinanties voor de beoogde VPKN moeten worden gezien als een uitwerking van de Kerkorde. De Kerkorde kan worden beschouwd als de grondwet van de kerk, waarin op belijdende wijze wordt verwoord wat de visie en betekenis is betreffende de kerk, de gemeente, de sacramenten, de ambten enzovoorts. Dus een definiëring van de grondbeginselen.

In de Ordinanties dient te worden aangegeven op welke wijze de kerk daaraan in de praktijk gestalte geeft. Dit betekent uiteraard dat de Ordinanties een uitwerking dienen te zijn van de Kerkorde, en daarvan niet inhoudelijk mogen afwijken. Blijkens de introductiebrief dienen de synode, de classes en de kerkeraden erop toe te zien dat deze overeenstemming er is.

Maar… dit geeft tegelijk ook direct het huidige spanningsveld aan. De Kerkorde is immers nog (lang) niet definitief aanvaard. Na de vaststelling in eerste lezing in het najaar 1993, die ook toen met veel kritiek gepaard ging, werd de Kerkorde ter consideratie toegezonden aan de classicale vergaderingen. Inmiddels is gebleken dat er vanuit deze ambtelijke vergaderingen in grote mate negatief is geconsidereerd. Bovendien werd op veel onderdelen aangegeven waarop die bezwaren waren gebaseerd. De classis Woerden bijvoorbeeld diende circa 120 amendementen in. Het zal zeker enkele maanden duren voordat de consideraties van alle 75 classes kunnen zijn verwerkt.

Daarom is het met grote ambivalentie dat nu de vervolg-Ordinanties beoordeeld gaan worden, terwijl de basis-Kerkorde daaraan ontvallen is.

Als we tot een globale beoordeling van de Ordinanties komen, mag er respect worden uitgesproken voor de snelheid waarmee de Commissie kerkorde aan haar synodale opdracht heeft voldaan. In een veertiental Ordinanties is gepoogd in korte en heldere bewoordingen de visie van de nieuwe kerk te formuleren. Voorwaar geen geringe opgave.

Belijdend karakter

Evenals in de hervormde Kerkorde van 1951 zijn de Ordinanties belijdend geformuleerd. Het is meer dan een huishoudelijk reglement voor de kerkelijke praktijk.

Ordinantie 1 gaat dan ook over het belijden van de kerk. Evenals bij volgende ordinanties blijft het onduidelijk waarom soms wel en andere keren niet brokstukken van de Kerkorde in de Ordinanties eenvoudigweg worden herhaald. Dit wekt de indruk van willekeur of een bepaalde prioriteitstelling.

In deze Ordinantie 1 wordt wel vanuit de Kerkorde herhaald dat „het belijden van de kerk in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht geschiedt”. Ook wordt herhaald dat „de kerk telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus Christus als Heer van de wereld belijdt”. Dit roept de vraag op waarom in de Ordinanties dan niet wordt herhaald dat „de kerk belijdt in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest” (Artikel 1-3). Juist met het oog op Ordinantie 14 -het leven en werken van de kerk in oecumenisch perspectief— is deze belijdenis van groot belang.

Anderzijds wordt in deze Ordinanties voorbijgegaan aan de vele wijzigingsvoorstellen die ter synode en door classes zijn aangedragen. Een positief aspect is dat er in deze Ordinantie 1 inzake het belijden der kerk de procedure is aangegeven hoe een bezwaar inzake het belijden van de kerk als bedenkingen door leden van de kerk-onder beroep op het Woord van God- kunnen worden voorgelegd aan het oordeel der kerk.

De doop

Een van de kritiekpunten op de Kerkorde was de volstrekte gelijkstelling van de volwassen- en de kinderdoop. In de Heidelberger Catechismus wordt in antwoord 74 duidelijk gesteld dat de jonge kinderen als lidmaten van Zijn gemeente in het verbond Gods begrepen zijn en daarom behoren gedoopt te wezen. Volgens de Kerkorde zou de doop bediend worden aan hen „voor wie of door wie de doop begeerd wordt”. Daarin is dus geen sprake van het verplichtend karakter, maar van menselijke overwegingen, namelijk of wij die begéren.

Ordinantie 6 komt enigszins aan deze bezwaren tegemoet als zij stelt dat „de gemeente in de prediking en herderlijke zorg wordt opgewekt tot de viering van de doop, in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente”. Overigens worden de niet-gedoopte kinderen in de nieuwe kerk niet meer als leden van de gemeente beschouwd: het hervormde begrip “geboorteleden” bestaat dan niet meer. Met alle begrip voor bezwaren tegen geboorteleden: mogen wij kerkelijk grenzen trekken waar die in het verbond niet getrokken worden?

Avondmaal

Met betrekking tot de nodiging tot het heilig avondmaal wordt dezelfde terminologie gehanteerd als in de Kerkorde: „de nodiging gaat uit naar hen die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing”. Alle leden, dus ook de kinderen en de niet-belijdende leden, worden toegelaten tot de deelname aan het avondmaal.

Eventueel mag de kerkeraad beslissen of alleen belijdende leden kunnen deelnemen, maar zo’n besluit mag niet worden genomen dan na beraad in de gemeente. Over Censura Morum cq tucht wordt in deze Ordinantie niet gesproken: de bediening heeft plaats onder verantwoordelijkheid van de ambtsdragers. Wel wordt vermeld dat de kerkeraad „een samenkomst kan beleggen ter bezinning en verzoening, met het oog op de waardige viering van het avondmaal”. Een aspect waaraan in onze kring wellicht wel eens wordt voorbijgegaan!

De missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente en van de kerk wordt in de Ordinanties summier en voornamelijk procedureel vastgelegd. De eigenheid van het missionaire ten opzichte van het diaconale wordt niet sterk geprofileerd. Pijnlijk wordt gemist dat het tot de taak van de gemeente behoort om te zoeken naar zendingsarbeiders om uit haar midden te worden uitgezonden. Ook lijkt de omschrijving gestoeld te zijn op een verouderd zendingsbeeld: het verlenen van bijstand aan het werk ter plaatse. Een op wederkerigheid gerichte relatie tussen kerken wordt in die omschrijving gemist. Ook zou er ruimte dienen te zijn om in bijvoorbeeld de grote wereldsteden waar nog geen kerken zijn, te komen tot “church-planting”.

Is er in Ordinantie 14 bij de missionaire arbeid nog sprake van samenwerking met kerken ter plaatse tot opbouw van het kerkelijk leven, bij de diaconale arbeid ontbreekt dit kerkelijk aspect. Hier wordt zeer algemeen gesproken over „bijstand aan groepen en bewegingen ter plaatse”. Zo wordt het gestalte geven aan „de handen van Christus” geheel losgemaakt van „de mond van Christus”.

Overigens worden activiteiten als „het bevorderen van het maatschappelijk welzijn en het bevorderen van gerechtigheid” heel wat concreter aangeduid dan „het zoeken naar vertroosting”.

De ambten

Zoals ook in de brochure van de Gereformeerde Bond “Ondeugdelijke basis voor een VPKN” werd verwoord, is de Kerkorde gebaseerd op een gemeente-orde en niet zozeer op een ambts-orde. De kerk wordt meer gezien als opkomend uit het werk van de Geest dan als opkomend uit het werk van Christus. Deze tendens zet zich in de Ordinanties krachtig voort. Uiteindelijk zijn de ambtsdragers wel verantwoordelijk, maar het geheel wordt gekenmerkt door delegatie. Zo is er sprake van een kleine kerkeraad met instelling van werkgroepen, sectieteams en taakgroepen binnen de gemeente.

Om verkozen te kunnen worden tot ambtsdrager, is het niet nodig om al belijdend lid te zijn. Als men wordt verkozen, kan men met de bevestiging tegelijk belijdend lid worden.

Of alleen belijdende leden of ook doopleden stemgerechtigd zijn, mag de kerkeraad bepalen, maar opnieuw alleen na de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben.

De verkiezing en beroeping van predikanten wordt voorbereid door een beroepscommissie waarin naast leden van de kerkeraad in de regel ook een aantal gemeenteleden zitting heeft. De verkiezing van een predikant heeft plaats in een door de kerkeraad belegde vergadering van stemgerechtigde gemeenteleden.

Zo globaalde bovenplaatselijke organisatie wordt beschreven, zo gedetailleerd gebeurt dat voor het gemeenteleven.

Bovenplaatselijke

In de Trio-synodevergadering van oktober 1994 ontstond veel commotie toen bleek dat er gestreefd werd naar een gezamenlijke arbeidsorganisatie van de kerkelijke functionarissen zonder dat daar een kerkordelijke basis voor was. Uiteindelijk is toen besloten dat de besluitvorming over deze bovenplaatselijke arbeidsorganisatie pas mocht plaatsvinden ná de vaststelling van de Ordinanties. Daarin en daarmee zou de ambtelijke structuur en verantwoordelijkheid dan voldoende zijn vastgelegd.

Nu deze Ordinanties dan voorliggen, is het hoogst opmerkelijk dat er zo weinig over deze organisatie wordt geregeld. En dit, terwijl in het desbetreffende rapport “Mensen en Structuren” bijvoorbeeld uitvoerige aandacht werd gegeven aan de taak van de Regionale Dienstencentra.

In Ordinantie 13 lid 7 staat alleen dat de Algemene Classicale Vergadering een regionaal dienstencentrum onderhoudt dat wordt bestuurd door de regionale commissie voor de dienstverlening. De in dit rapport zo gepropageerde en ter synode zo gewraakte “regio-consulent” wordt niet genoemd, zodat onduidelijk blijft of deze circa veertig, wel “pseudo-bisschoppen” genaamden, verdwenen zijn, dan wel geacht worden zonder kerkordelijke basis te kunnen opereren.

Het gevaar

Het gevaar van deze vaagheid is, dat dit geregeld zal gaan worden in de generale regelingen. Echter, een generale regeling mag alleen een verdere, technische uitwerking zijn van de Ordinanties.

Met de vaststelling in generale regelingen onttrekt de inhoud daarvan zich aan de beoordeling van de kerkeraden en de classes, omdat deze regelingen zonder inspraak alleen door de synode worden vastgesteld! Wordt een classicale beoordeling inmiddels te lastig gevonden?

In antwoord op bezwaren tegen het SoW-proces is inliet verleden steeds ingebracht dat op plaatselijk vlak de gemeenten niet tot samenwerking gedwongen zouden worden. Daar zouden hervormde gemeenten (en eventueel gereformeerde kerken) kunnen blijven bestaan naast de gefuseerde protestantse gemeenten.

In Ordinanties 2 en 4 wordt het gemeenteleven procedureel geregeld. Dan blijkt dat wijkgemeenten dienen samen te werken in een algemene kerkeraad. Indien een huidige wijkgemeente zwaarwegende bezwaren heeft tegen de vorming van een gefuseerde protestantse gemeente, dan staat Ordinantie 2-11-8 toe dat zo’n wijkgemeente een zelfstandige gewone gemeente wordt. Hoe geruststellend dit ook klinkt, in feite betekent dit een binnenkerkelijke afscheiding, waarin die wijkgemeente losgemaakt wordt van de andere wijkgemeenten en de facto degradeert tot een vorm als de huidige deelgemeente.

Hier gaat de SoW-loyaliteit ten koste van de hervormde solidariteit.

Ordinantie 2-10-2 bepaalt dat de grenzen van de gemeenten worden vastgesteld en gewijzigd door de classicale vergaderingen. Dit heeft het gevaar in zich dat hervormde gemeenten die niet willen fuseren, door grenswijzigingen kunnen worden ingeperkt. Het streven zal immers zijn om zo veel mogelijk gelijke grenzen te hebben met de gereformeerde kerken?

Uitholling

Overigens dreigt deze inperking ook door uitholling van de gemeenten. Bij alle verhuizingen van gemeenteleden, dus ook uit een hervormde gemeente, wordt men in de nieuwe woonplaats automatisch ingeschreven in het register van… de plaatselijke protestantse gemeente. Alleen op uitdrukkelijk verzoek kan men zich dan laten overschrijven naar de hervormde gemeente. Een rigoureuze maatregel!

Door een zeer uitvoerige regelgeving mogen de evangelisch-lutherse gemeenten weten dat hun eigen synode gehandhaafd blijft, gericht op het zorgdragen voor het bewaren en aan de hele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie.

Of de niet-gefuseerde hervormde gemeenten ooit ter synode zouden zijn afgevaardigd, bleef bij het opstellen van de Kerkorde dubieus. Amendementen gericht op een evenredige vertegenwoordiging naar de synode werden ontraden en verworpen. Om enigszins aan deze bezwaren tegemoet te komen, regelt Ordinantie 4-19-5 dat als deze afvaardiging ter synode sterk afwijkt van de aantallen hervormde, gereformeerde, protestantse en lutherse gemeenten, de synode ten hoogste tien classicale vergaderingen kan (!) aanwijzen om een extra synodelid af te vaardigen. Gezien de structurele disproportionaliteit in de hervormde synode kan het effect van deze bepaling worden betwijfeld.

Destijds is sterk bepleit dat hervormde gemeenten het recht zouden houden om zich te blijven verenigen in hervormde classicale vergaderingen. Hier heeft de Commissie kerkorde zich tegen verzet, want alles wat bovenplaatselijk is, dient gefuseerd te worden.

Wel opent Ordinantie 4-12-2 de mogelijkheid dat de in een Ringverband samenwerkende gemeenten bijeen komen tot onderlinge opbouw, onder meer door zich gezamenlijk te bezinnen. Behalve de regeling van de consulentschappen kan een Ringverband ook zijn overwegingen ten aanzien van vragen van belijden en kerkorde kenbaar maken aan de classicale vergadering, zodat dit bij het considereren kan worden meegenomen. De Ring is echter geen ambtelijke (vergade)ring.

Conclusie

Uit deze samenvatting blijkt dat in de voorliggende Ordinanties er niet wezenlijk tegemoet wordt gekomen aan de wens om het hervormde gemeenten mogelijk te maken onder de hervormde Kerkorde te blijven functioneren. Integendeel, de plaatselijke vrijheid voor niet-gefuseerde gemeenten wordt steeds strakker ingesnoerd. Dat er op onderdelen enigszins tegemoet wordt gekomen aan inhoudelijke aspecten, kan de bezwaren tegen deze Kerkorde niet wegnemen. Niet een pluriforme Kerkorde met gereformeerde elementen mag uitgangspunt zijn, maar alleen een kerk die —ondanks alle ook huidige afdwalingen!— kan worden aangesproken op haar gereformeerd karakter, blijkend uit een onvoorwaardelijke binding aan de thans vigerende belijdenissen.

B. van Bokhoven, auteur van dit artikel, is lid van het Breed Moderamen van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Plaatselijke vrijheid strakker ingesnoerd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken