Bekijk het origineel

Uit de kerkelijke pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de kerkelijke pers

8 minuten leestijd

Drs. R. van Kooten gaat in het reformatorisch familieblad "Terdege" in op de indringende vraag: „Kun je belijdenis doen als je homofiel bent?"
„Kun je belijdenis doen als je homo bent? Een directe vraag. Voordat ik die beantwoord, wil ik er eerst op wijzen dat je geen belijdenis moet doen "omdat dat hoort". Daar wil ik iedereen op wijzen. Het gaat om belijdenis van het geloof!
Als we het daarover eens zouden zijn, komt jouw vraag of je als homo belijdenis kunt doen. Maar ook hier moet weer duidelijk worden wat je bedoelt. Als je als homoseksueel leeft (dus je homofiele gevoelens op homoseksuele wijze in praktijk brengt), dan moet ik néé zeggen. Datzelfde geldt echter voor jongelui die samenwonen. We kunnen niet belijden Gods Woord te geloven en naar dat Woord te willen leven, terwijl wij in werkelijkheid op dat moment leven in de zonde. Wij moeten dan eerst onze zonde belijden en met de zonde breken.
Ik heb echter uit je zeer korte brief meer de indruk dat je bedoelt dat je homofiele gevoelens hebt en dat het je vraag is of je met zo'n homofiele gerichtheid belijdenis kunt doen. Aangenomen dat we het eens zijn over de inhoudelijke zijde van het belijdenis doen, antwoord ik: Mijn beste vriend, ook iemand met homofiele gevoelens mag belijdenis doen als hij de Heere niet kan missen. Ik schrijf het nu zo, omdat jij deze vraag zo stelt. Anders, zou ik het woord "ook" niet eens gebruiken.
Allen die waarachtig belijdenis doen van het geloof moeten belijden dat zij zichzelf vanwege hun zonde mishagen. Zij belijden dat zij het van Christus moeten hebben, omdat zij in zichzelf zondig en verloren zijn. En dan is iemand met homofiele gevoelens niet zondiger dan een 'gezonde' jongen of meisje. Je belijdenis zou zelfs nog dieper kunnen gaan, omdat je heel nadrukkelijk weet dat je Christus en Zijn genade geen uur kunt missen om staande te mogen blijven".

Naar aanleiding van de bespreking van vraag en antwoord 56 van de Heidelbergse Catechismus wordt in de rubriek Schrift en Belijdenis van het christelijk weekblad "De vriend van oud en jong" gesteld dat de kerk en vergeving der zonden alles met elkaar te maken hebben.
„Over het begrip "zonde" kun je lange theoretische beschouwingen houden. Maar dat willen we hier niet doen. We houden het liever praktisch! Wat is nou eigenlijk zonde? Letterlijk wil het woord "zonde" zeggen: je doel missen. Wat is ons doel dan? Dat is: de eer van God. En wanneer hebben wij mensen de eer van God op het oog? Als wij al de heilige geboden van God volbrengen. Maar dat doen we niet, we overtreden alle tien de heilige geboden. Daarom zijn we "zondaren", missers van ons doel.
Maar het vreemde is nu, dat we dit met ons verstand allemaal kunnen beredeneren, maar ons hart wil er niet van weten! Sterker nog: dat hart van ons ziet de zonde gewoon niet. We beschouwen onszelf als tamelijk goede mensen. En hoe komt dat nou, dat we wel zonde doen, maar die niet zien? Het antwoord op deze vraag is, dat we door de zonde zulke ellendige schepselen geworden zijn, dat we blind zijn voor de zonde die we bedrijven. Ja maar, zult u zeggen, is daar dan niets aan te doen? Jazeker! De Heere houdt ons Zijn Wet voor.
(...)
Wie geen zonden kent, kent geen schuld. En wie toaal geen last heeft van enige schuld, die komt ook nooit met de vraag te zitten: hoe krijg ik vergeving van mijn zonden. En deze laatste vraag, daar gaat het nu juist wel om in het Evangelie. Daar gaat het centraal om in de kerkdienst. Het gaat weliswaar tijdens een kerkdienst om nog veel méér dingen, maar de centrale vraag is de vraag naar de zondevergeving. Dit is het hart van het Evangelie: hoe raak ik van mijn zonden bevrijd? Hoe word ik rechtvaardig voor God? Als u in de kerkdienst naar wat anders op zoek bent, dan zoekt u naar het verkeerde. Zowel in de prediking als bij de sacramenten gaat het daarom".

In het "Nieuw Israëlietisch Weekblad" (NIW) blikt rabbijn Soetendorp terug op de dag van de bevrijding. Hij trekt lijnen van de 5-meivieringen naar de bevrijding van het juk van Egypte.
„Maar al te voorspelbaar is, na het gedenken van de vijftigste mei, de discussie die in alle hevigheid is uitgebroken over de vorm die de 5-meivieringen in de toekomst moeten aannemen. Ed van Thijn heeft in zijn voortreffelijke essay "Nog één nacht slapen" uit de doeken gedaan hoe zeer er al kort na de oorlog met deze dag is gehannest. Nederland had met zijn koopmansgeest al snel op grond van een baten- en lastenberekening besloten dat een vrije dag te zwaar zou drukken op de zich weer oprichtende economie.
Dezelfde kruideniersmentaliteit is in de huidige discussie nog steeds voelbaar. Duitsland is onze belangrijkste handelspartner, we zouden zonder de stabiele steun van onze oostburen economisch nergens zijn en moeten dan ook niet te hoog van de morele toren blazen, dat zou ons op den duur kunnen schaden waar wij het gevoeligst kunnen worden geraakt: in de portemonnee.
Misschien ben ik te achterdochtig over degenen die zo snel gebruik maken van de discussie -die op zich heel terecht is ontstaan- over de rol van het verzet in een voor een groot gedeelte schaamtevol onverschillig Nederland. Het is verkeerd te opteren voor een grijs relativisme onder het motto "blaam treft ons evenzeer" om onze politieke en economische afhankelijkheid van Duitsland veilig te stellen.
Maar er is ook een zuiver ideologisch probleem. Hoe blijf je de relevantie van "bevrijd zijn" duidelijk maken aan de komende generaties, die steeds verder van de historische gebeurtenissen komen te staan? In elk geval niet door die dag los te koppelen van de dag van bevrijding op 5 mei 1945. Want het jaar is al vol met "dagen van vrijheid", zoals de dag van de mensenrechten op 10 december, de dag van de vrouw op 8 maart en de internationale gebedsdag. En die dagen zijn voor de meesten van ons in het luchtledige blijven hangen. Men hoort over een enkele demonstratie, een lezing, ziet een bericht in de krant.
Onze voorouders begrepen al in het begin van de geschiedenis van het volk Israël dat een herdenking voor komende generaties duidelijk moet zijn. Met de instelling van de sederavond, 3500 jaar geleden, zijn wij bevrijd van het juk van Egypte en elk jaar beleven wij de gebeurtenissen in de nacht van de uittocht opnieuw. En ieder voelt zich alsof hij uit Egypte is getrokken. En na al die jaren is het mogelijk deze avond te vieren samen met Egyptenaren, zonder dat het noemen van de tien plagen de broze diplomatieke relaties verstoort.
Natuurlijk zal de lijn uit de laatste jaren worden doorgezet, zullen de actuele problemen van oorlog en vrede worden benadrukt, de aantasting van de mensenrechten, het gevaar van racisme en zal er meer uitwisseling zijn met Duitse jongeren. Maar dit dient niet te gebeuren op een dag van algemene vrijheid, maar op de bevrijdingsdag".

Drs. M. van Campen vraagt aan ouders in het hervormde "Gereformeerd Weekblad" hoe zij bezig zijn met de doop van hun kinderen. De predikant schrijft over geloofsopvoeding in de zeventiende eeuw en gaat te rade bij Johannes de Swaef (1594-1653).
„In het pleidooi dat de Middelburgse onderwijzer voert voor een godzalige opvoeding speelt de doop een belangrijke rol. In de doop hebben ouders hun kinderen als het ware verbonden aan de Heere. Om te spreken in de taal van De Swaef: zij „eyghenen hare kinderen den Heere toe". Van Zijn kant heeft God hen de genade bewezen om zichtbaar aan hun kinderen Zijn verbond te verzegelen, dat wil zeggen Zijn belofte dat Hij hun God en Vader is. Het minste wat ouders doen kunnen, is dan wel te beloven dat zij hun kinderen als Gods bondgenoten godzalig zullen opvoeden. Op goede gronden wordt dat van hen geëist en de ouders zijn schuldig deze belofte ook inderdaad te houden, zoals ook Hanna, de moeder van Samuel, dat gedaan heeft (1 Samuel 1: 22, 24 V.V.).
Wie de plechtige doopbelofte, gedaan voor de hele gemeente als voor een „wolke van getuygen", niet nakomt, is niets anders dan een trouweloze meinedige. De Swaef noemt dat een verschrikkelijke zonde, die zware plagen zal verwekken. Dat de Wederdopers weigeren hun kind te laten dopen en dus ook geen "solemnele belofte" doen, is triest genoeg. Maar dat ouders die op grond van Gods Woord vasthouden aan de kinderdoop, de leer van de Wederdopers afwijzen en intussen toch hun eigen kinderen niet godzalig opvoeden, daarvoor is in de hele wereld geen excuus te vinden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 mei 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Uit de kerkelijke pers

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 mei 1995

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken