Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voorjaarsconcert van grote groenrokken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voorjaarsconcert van grote groenrokken

In het moerasbos laat de rietzanger bijna onontwarbare potpourri van geluiden horen

6 minuten leestijd

Het eerste waarmee ik word verwelkomd wanneer ik op het smalle pad tussen de plassen wandel, is het nadrukkelijke gekwaak van groene kikkers. Gescheiden door een brede sloot en een stuk zompig grasland, ligt een ondiepe plas, bijna dichtgegroeid door waterplanten, te stoven in de zon. Het is een ideale plek voor de grote, groene kikkers, die met elkaar een bijzonder voorjaarsconcert geven. Fijn, dat die boerennachtegalen er weer in groot aantal zijn.

Het gekwaak van de kikkers is een oergezellig geluid, dat in verschillende klanken wordt gebracht. Na een poosje stilte roept er een luid “króaa… króaa…”, nogal dof en diep; dat is de aanvoerder van het kikkerkoor. Meteen vallen soortgenoten van alle kanten in: “kóax… kóax… arrr arrr orrr”; het klinkt krakerig. Ze houden het enkele minuten vol, maar dan zakt het geluid af tot het weer stil is.

Een tjiftjaf in de elzen langs de plas slaat tevergeefs de maat: de kwakers houden hun kaken een poosje op elkaar. Er zit een kikker goed verscholen tussen de waterplanten. Duidelijk zie ik de grote keelblazen waarmee het geluid wordt versterkt. Het zijn precies kleine luchtballonnen opzij van de kop. Het sein klinkt opnieuw: “króaa… króaa…”. Daarop werd gewacht, want het antwoord klinkt meteen luidruchtig: “kórr kórr karr karr”. Het overstemt even het gezang van de vogels.

Rondom de kleine plas groeien en bloeien madeliefjes, paardebloemen en boterbloemen, ereprijs en hondsdraf, pinksterbloemen en allerlei grassen door elkaar in bonte verscheidenheid. Nu de kikkers weer even zwijgen, hoor ik het weemoedige liedje van de fitis en vanuit de verte het uitbundige geroep van weidevogels. Akkerleeuweriken strooien er vanuit de blauwe lucht hun klankenslierten tussendoor. Het is uitbundig lente in waterland.

Vaardige zanger

In dit land van kleine plassen, rietvelden en vrijwel onbegaanbaar moerasbos, leven veel soorten vogels, die we allemaal wel rietzanger zouden kunnen noemen. Eén soort draagt die naam officieel. Hij laat zich in een ruig bosje dicht bij de plas ijverig horen en nu en dan zien. Het is een prachtige vogel. Zijn buik en borst hebben precies de kleur van het overjarige riet, dat na de winter okergeel verbleekt is. Zijn rug, iets donkerder, heeft de kleur van het riet in de herfst. Op de vleugels is een vlekkenpatroon dat aan de veren van de huismus doet denken. Zijn donkere schedel is karakteristiek. Het lijkt alsof hij een donker petje draagt. Opvallend is de duidelijke, lichte wenkbrauwstreep.

De rietzanger is niet alleen mooi, maar ook een ijverige en vaardige zanger. Wat hij voordraagt, is niet origineel, want hij bootst zoveel mogelijk andere vogels na.

Een kleine karekiet scharrelt al zingend door de nieuwe rietstengels: “arre arre arre iet iet iet… orre orre… erre erre erre iet iet iet., erre iet err iet… lu lu iet iet”. In dat lied is meer variatie dan menigeen denkt, maar de naam van de karekiet komt er altijd vrij duidelijk in voor. De rietzanger doet hem na, zachter en meer ingetogen, zonder de scherpe klanken van het originele lied. Zijn geprevel gaat over in mooie trillertjes en zachte fluittonen.

Thijsse beschreef de gewoonte van de rietzanger heel aardig: „Hij imiteert lederen vogel, dien hij hoort, met de grootst mogelijke vaardigheid en getrouwheid en doet met al die geluiden, wat hij wil. Soms geeft hij de imitaties een voor een en weldoordacht, net of hij aangenomen heeft, om nu eens stuk voor stuk alle vogels uit de buurt op te noemen, dan weer gooit hij alles door elkaar en maakt het tot een dolle, bijna onontwarbare potpourri. Hij heeft ook een echte straatjongensmanier, om achter andere vogels aan te vliegen en ze allerlei leelijke dingen na te roepen. Toch is ‘t een aardige vogel en in zijn goede oogenblikken zingt hij zoo helder en rein, dat sommige menschen hem ook alweer de voorkeur gegeven hebben boven de nachtegaal”.

Vliegkunst

Terwijl ik luister naar de vaardige zanger, zie ik boven de plas enkele zwarte sterns, op jacht naar insekten. Ze zijn vergezeld van twee visdiefjes. De sterns zijn donker, bij zwart af; de visdiefjes helder wit, met gitzwarte schedel. Het is een lust om deze slanke vogels te zien. Beide soorten vertonen hun meesterlijke vliegkunst. Ze zweven boven de sloot, de snavel omlaag gericht, speurend naar prooi. Ze zwenken plotseling met een scherpe bocht, gaan met een kleine ruk iets omhoog, waardoor hun vaart wordt afgeremd. Ze staan een moment stil in de lucht en maken dan een snelle duik. Het water spat glinsterend op. De plons klinkt nadrukkelijk in de stilte en activeert meteen weer het kikkerconcert.

Er zijn ook in de vogelwereld robbers. Naast me in een wilgestruik strijkt een vogel neer die meteen begint te zingen. Het lijkt echter alsof hij die kunst nog moet leren. Hij komt niet verder dan een stamelend “sie-sie tietie”. Hij maakt er nog minder van dan de geelgors, die ook geen held is op zanggebied. Beide gorsen zijn echter fraai van kleur en ze zingen ijverig. Wigman noemde de rietgors heel aardig slootmus. Die voelt zich hier thuis. De geelgors verkiest de droge zandstreken.

Achter mij, in het moerasbos, begint een langgerekte triller. Dat is het geluid van de snor, ook al zo’n merkwaardige zanger en bewoner van de ruige en dichte bossen in de veenplasgebieden. Het liedje is niet veel meer dan het zachte rollen van de letter r: ”srrrrr”, heel lang aangehouden. Dit fluisterlied past bijzonder bij de warme stilte van het rietmoeras.

Nabootsers

Water maakt de natuur rijk. In vochtige streken is de flora vaak uitbundig en daar voelen ook veel vogels zich thuis. In de omgeving van mijn kikkerplas klinken veel dromerige geluiden. Het fitisje noemde ik al, de snor en de rietgors ook. Tussen het gekwaak van de groenrokken door, komt uit het moerasbos het gekoer van de tortelduif: ”toerrr toerrr”. Het klinkt soms van dichtbij, dan weer verderaf als de duif zich omdraait. Het is een dromerig geluid, dat alleen in de lente en de zomer wordt gehoord, want de gewone tortelduif trekt in oktober naar het zuiden.

Om het beeld van deze streek compleet te maken, laat nu ook de koekoek zich horen. Die voelt zich eveneens heel goed thuis in dit ruige terrein. Zijn monotone roep past in de sfeer die bij deze eenzame plas door de vogels wordt opgeroepen.

Wanneer ik terugwandel, word ik bij de eerste boerderij verrast door een andere zanger: de spotvogel. Die doet zijn naam eer aan, want veel duidelijker dan de rietzanger en andere nabootsers in de vogelwereld, is de spotvogel een imitator. En ook nog een luidruchtige, die driftig zijn gestolen melodietjes rondstrooit. Ik zie hem in het topje van een vlierstruik. Zijn gele buik valt al van verre op. Hij spert zijn snavel wijd open en van dichtbij kan ik de rode binnenkant van zijn bekje zien.

Wanneer de vlierstruik in bloei staat, zal er wel een stevig en degelijk afgewerkt nest in verscholen zijn. Dan nebben de ouders het druk met hun vijf of zes jonge spottertjes.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Voorjaarsconcert van grote groenrokken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken