Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„We zijn nooit als mensen behandeld”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„We zijn nooit als mensen behandeld”

Chinese dwangarbeiders herdenken mislukte opstand tegen Japanse overheersers

5 minuten leestijd

HANAOKA (AP) - Op een donkere heuvel, achter een boeddhistische tempel, staat een gebarsten, met mos overdekte steen -een stille getuige van het lot van de Chinese dwangarbeiders die in 1944 in opstand kwamen tegen hun Japanse onderdrukkers.

„Aan de Chinese doden”, staat op de verweerde steen, die na een halve eeuw van zon, regen en wind bijna niet meer te lezen is. Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat zo’n 850 Chinese dwangarbeiders in dit kleine, noordelijke mijndorp een tot mislukken gedoemde opstand begonnen. Zeker honderd arbeiders werden gedood en de rest werd op de verschrikkelijkste manier gestraft.

Aanklacht

In Japan, waar vaak in vergoelijkende termen over oorlogsmisdaden wordt gesproken, wordt de opstand eufemistisch het ”Hanaoka-incident” genoemd. De dwangarbeiders van Hanaoka maakten deel uit van bijna 39.000 Chinezen die tussen april 1943 en het einde van de oorlog systematisch door het Japanse leger waren opgepakt om in de mijnen of op bouwterreinen te werken.

Het grootste deel van de 135 Japanse bedrijven die gebruik maakten van dwangarbeiders bestaat nog steeds en een aantal ervan is uitgegroeid tot grote ondernemingen. Een daarvan is de bouwreus Kajima Corp., die tijdens de oorlog de opdracht kreeg om een rivier te verleggen in de omgeving van Hanaoka. Voor het zware werk werden Chinese dwangarbeiders gebruikt. Uit documenten uit de oorlogstijd blijkt dat de Japanse overheid Kajima in 1944 opdroeg de Chinezen „als een natte handdoek uit te knijpen tot er niets meer uitdruipt”.

Een van die dwangarbeiders is de inmiddels 74-jarige Meng Fanwu. Deze week heeft hij met tien anderen Kajima aangeklaagd. Het is de eerste civiele zaak tegen de onderneming. Later dit jaar zal de zaak voorkomen.

„De Japanners hebben ons nooit als mensen behandeld”, zegt een nog steeds verbitterde Meng. Hij arriveerde in augustus 1944 in Hanaoka, waar een bestaan van wanhopig lijden begon. De dwangarbeiders moesten twaalf uur per dag werken en woonden in barakken die zo laag waren dat ze niet rechtop konden staan. De rantsoenen waren slecht: een balletje meel gevuld met appelpulp en een gekookte rabarbersteel.

Klopjacht

Bijna de helft van de dwangarbeiders van Kajima, zo’n 420 in getal, kwam door honger of slaag om het leven. In officiële documenten werd de ware doodsoorzaak nooit vermeld, maar sprak men van dysenterie en longontsteking. De lichamen werden in houten appelkisten gestopt en in een gat op een nabijgelegen heuvel gedumpt. „De vleesheuvel”, noemt Meng de plaats vol afgrijzen.

Omdat de omstandigheden niet uit te houden waren besloot een groep gevangenen in de nacht van 30 juni de kantoren van Kajima aan te vallen. De rebellerende gevangenen hoopten in de gebouwen wapens te vinden en wilden daarna naar het noordelijke eiland Hokkaido vluchten. Maar zij waren veel te zwak en te ziek en werden snel door bewakers en dorpelingen gevangen.

„Wij renden en renden”, vertelt Meng. Hij stak een rivier over en vluchtte het bos in. Soldaten en de lokale militie joegen de dwangarbeiders op en namen ze uiteindelijk gevangen.

Dorpeling Tsuneo Yachita, die toen vijf jaar was, kan zich de klopjacht herinneren. Hij hoorde buren schreeuwen „Wij hebben een Chinees te pakken!” en zag hoe de menigte een in vodden geklede en uitgemergelde man die zich in een varkenskot had verstopt met bamboesperen bedreigde.

Gestraft

Met de handen op de rug gebonden werden de Chinezen naar het buurthuis gebracht. Meng zei dat zij drie dagen onafgebroken moesten knielen zonder water of eten te krijgen. Tientallen gevangenen werden bovendien omgekeerd opgehangen en gemarteld.

Ben deel van de overlevenden, onder wie Meng, werd meteen weer aan het werk gezet. Zij werden pas bevrijd toen Amerikaanse eenheden twee maanden na de Japanse overgave van 15 augustus in het noorden aankwamen. Het grootste deel van de gevangenen was ondertussen veranderd in lopende skeletten.

Na de oorlog werden enkele Kajima-employés gestraft wegens misdaden tegen dwangarbeiders. In 1948 kregen enkele leiders levenslang en anderen de doodstraf, maar geen van de veroordeelden zat uiteindelijk langer dan zeven jaar en de doodstraf werd nooit voltrokken. In 1957 werd de toenmalige baas van Kajima, Morinosuke Kajima, lid van de regering.

Net als de overheid, die aarzelt met het doen van eerlijke uitspraken over de oorlog, heeft Kajima moeite met boete doen. Het bedrijf weigert compensatie te betalen aan dwangarbeiders omdat het, net als de overheid, bang is dat er dan een stroom van claims zal volgen.

Kajima heeft wel excuses aangeboden, maar deed dat net als de overheid op een manier die de slachtoffers nog bozer maakte. „Het spijt ons wat er is gebeurd”, zei Kajima-woordvoerder Yutaka Iwamoto. „Maar wij waren slechts een van de 135 bedrijven” die van dwangarbeiders gebruik maakten.

Voor veel dwangarbeiders zijn zulke uitspraken bijzonder bitter omdat het bedrijf na de oorlog nota bene tienduizenden guldens van de overheid kreeg om de dwangarbeiders te repatriëren.

Dodenaantal

De Chinese doden van Hanaoka zijn verdwenen. Er bestaan slechts ruwe schattingen over de hoeveelheid mensen die daar hebben gewerkt en de barakken waar zij woonden zijn na de oorlog in een moeras gedumpt. In 1949 heeft Kajima achter de Shinshoji- tempel, waar de botten van de gestorven arbeiders werden opgeslagen, het kruis opgericht. Het bedrijf heeft geweigerd de beenderen te cremeren.

Tussen 1950 en 1960 werden enkele botten en schedels opgegraven en naar China teruggestuurd. De dorpeling Yachita, die als kind getuige was, vraagt zich nog steeds af wat er van de man is geworden die zich in het varkenskot had verstopt.

Die herinnering heeft hem aangezet een groep op te richten die de oorlogsgeschiedenis van Hanaoka onderzoekt. Alle Japanners moeten een zekere verantwoordelijkheid op zich nemen voor het oorlogsverleden, zei Yachita. „Om door andere Aziaten geaccepteerd te worden, moeten wij leren van wat onze ouders en grootouders hebben gedaan zodat wij die misdaden niet vergeten”, aldus Yachita.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

„We zijn nooit als mensen behandeld”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken