Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KVP wilde niet aan roomse leiband lopen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KVP wilde niet aan roomse leiband lopen

Eerste deel van volumineuze geschiedschrijving na tien jaar gereed

8 minuten leestijd

In hoeverre stonden de Katholieke Volkspartij en haar voorgangster, de Roomsch-Katholieke Staatspartij, los van de Rooms- Katholieke Kerk? Hebben de kamerleden van deze partijen aan de leiband van Rome gelopen of waren zij slechts geïnspireerd door de rooms-katholieke sociale leer? Deze vragen vormen een van de vele rode draden in het eerste van twee dikke boekwerken van prof. J. A. Bornewasser over de geschiedenis van de KVP.

Het staat vast dat noch de RKSP noch de KVP ooit een puur kerkelijke partij is geweest. Te allen tijde konden nietrooms- katholieken zich als lid aanmelden. De enige voorwaarde was dat zij instemden met het partijprogramma, dat uiteraard wel geheel was gebaseerd on de sociale leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Steeds heeft ook een klein aantal niet-rooms-katholieken van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Dat laat echter onverlet dat de RKSP en de KVP in meer brede zin wel confessionele partijen genoemd kunnen worden. De twee partijen lieten zich immers voluit inspireren door de leer van de moederkerk. Zij permitteerden zich in elk geval geen inhoudelijke afstand tot pauselijke encyclieken, kanselboodschappen en wat dies meer zij. Ook hier staat echter recht overeind dat wie zich niet met de Rooms-Katholieke Kerk verbonden wist maar gewoon de uitgewerkte leer praktisch aanvaardde, welkom was. Ondertekening van kerkelijke stukken of iets dergelijks was beslist niet aan de orde.

De aangestipte vragen zijn dus niet zonder meer met „ja” of „nee” te beantwoorden. Dat maakt het wel spannend om te bezien hoe de relatie tussen de rooms-katholieke partijen en de Rooms-Katholieke Kerk dan precies is geweest. Daarbij moet worden opgemerkt dat Bornewasser een integrale partijgeschiedenis van de KVP heeft geschreven en dat hij de stof niet thematisch behandelt, maar strikt chronologisch. De verhouding tussen de KVP en de haar verwante kerk is daarom slechts een van de vele rode draden die naast elkaar en onderling verweven door het -helaas nogal moeilijk geschreven- boek lopen.

Staatspartij

Een van de eerste stappen op weg naar rooms-katholieke eenheid in de politiek was de oprichting van de katholieke kamerclub in 1891. Officieus kregen de georganiseerde rooms-katholieken overigens al spoedig de naam van R. K. Staatspartij. De aanduiding ”Staatspartij” hield toen niet veel meer in dan gewoon ”politieke partij”. Daarna volgde de oprichting van de ”Algemene Bond van Roomsch-Katholieke Kiesvereenigingen in Nederland” in 1905. In rooms-katholieke kring wordt dit jaar genomen als oprichtingsjaar van de R. K. Staatspartij, een naam die toen al volledig was ingeburgerd.

Over het algemeen had de roomse geestelijkheid zich bij al deze zaken steeds zeer terughoudend opgesteld. Een geheim gebleven uitzondering was het verzoek dat de bisschop van Haarlem in 1894 aan de kamerclub had gericht. Naar de mening van deze bemoeizuchtige prelaat moesten de parlementariërs zich voortaan in onderling omstreden kwesties maar aan het oordeel van de aartsbisschop onderwerpen!

De afzijdige houding van de geestelijkheid neemt niet weg dat de politieke eenheid van het rooms-katholieke volksdeel haar zeer ter harte ging. Langzaam werden de geestelijken daarom toch wat meer bereid hun invloed aan te wenden. In het najaar van 1917 besloten de bisschoppen dat elk in zijn eigen diocees de pastoors vertrouwelijk zou verzoeken de leken behulpzaam te zijn bij het oprichten van lokale kiesverenigingen.

Nummer één

In 1919 wilde het episcopaat nog niet beslissen dat alle pastoors er bij hun parochianen openlijk op moesten aandringen op nummer één van de rooms-katholieke lijst te stemmen. Maar toen de gewestelijke bestuurders van de RKSP zich daarop direct tot de lagere geestelijken wendden, lieten sommige bisschoppen die verzoeken toch wel van een klemmende aanbeveling hunnerzijds vergezeld gaan.

Nog directer werd de bemoeienis van het episcopaat in 1921. De bisschoppen schreven toen een brief aan de partijleiding waarin zij zich uitspraken tegen een samenwerking met de socialistische SDAP. De RKSP formuleerde daarop de zogenaamde ”uiterste-noodzaak-regel”: alleen als het echt niet anders kon, zouden de rooms-katholieken met de socialisten een coalitie vormen. Daarmee stelde de partij zich in principe onafhankelijk op, zij het dat die onafhankelijkheid nogal relatief was.

De geestelijkheid leek zich in de jaren twintig vooral te beperken tot stille beïnvloeding. Directe bemoeienis met het politieke bedrijf was niet aan de orde, maar wel kregen de parochianen bij tijd en wijle een aansporing om de hechte eenheid op staatkundig terrein te bewaren. Ondanks de versluierende bewoordingen was dit een niet mis te verstane boodschap.

Het was met de nodige aarzeling dat de bisschoppen de partijtop betrokken bij een kanselboodschap die in 1936 tegen het nationaal-socialisme uit moest gaan. Maar toch konden zij het ook weer niet laten om de toenmalige partijvoorzitter Goseling nog eens te laten weten dat samenwerking met de socialisten een groter gevaar zou opleveren dan de NSB. De beginselverklaringen van de laatste partij bevatten naar hun mening in elk geval geen antichristelijke stellingen.

KVP

Op de late namiddag van zaterdag 22 december 1945 zag de Katholieke Volkspartij in het parochiehuis van de Utrechtse St. Antoniuskerk het levenslicht. Dat de RKSP niet meer terugkeerde, had wel een achtergrond. In de oorlogsjaren was deze partij op bevel van de Duitse bezetter opgeheven. Onder meer om negatieve associaties met het politieke bestel van de jaren dertig te voorkomen, koos de partijtop een nieuwe naam.

Nog een verandering was het feit dat voor het eerst een geestelijke de uitdrukkelijke toestemming kreeg van het episcopaat om in de Tweede Kamer zitting te nemen. Het zou de franciscaan Stokman worden. Nu hadden er wel eerder priesters in de Kamer gezeten (Schaepman, Nolens), maar vanwege de kritiek daarop hadden de bisschoppen daar al snel een eind aan gemaakt.

Bedekte steun bleef het motto van de Room-Katholieke Kerk in de eerste naoorlogse jaren. In het vastenmandement van februari 1946 sprak de kerk over tal van sociale organisaties, maar bewust niet over de KVP. Van hun kant beriepen ook KVP-politici zich niet openlijk op het episcopaat. Overigens was die bedektheid zeer relatief. In een brochure voor het partijkader schreef Stokman over aanwijzingen die hij „van gezaghebbende zijde” had ontvangen. En er was niemand die niet begreep wat de franciscaan daarmee bedoelde.

Verandering

De bisschoppelijke kanselboodschap van 12 mei 1946 bracht nogal abrupt verandering in deze lijn. De rooms-katholieken kregen te horen dat zij die personen dienden te kiezen die zich lieten leiden door christelijke normen, waarvan de naleving „het best gewaarborgd wordt door de Katholieke Volkspartij”.

Bornewasser betoogt echter overtuigend dat deze uitspraak meer het gevolg was van een samenloop van omstandigheden dan een koersverlegging in de richting van openlijk geventileerde steun aan de KVP. Afgezien van een enkele uitzondering, bleef de ondersteuning bedekt geformuleerd of zeer indirect gebracht. Veel maakte het overigens niet uit. Duidelijk waren de boodschappen toch wel.

Een uitschieter in dat opzicht was de boodschap van de bejaarde kardinaal De Jong in mei 1953 ter gelegenheid van het eeuwfeest van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. De Jong, wiens stem van een bandje werd afgedraaid, eindigde zijn toespraakje met een „Dierbare gelovigen van Nederland, blijft één één”. KVP-fractievoorzitter Romme voegde daar van zijn kant aan toe dat voor iedere katholiek nu de houding. „Ik kan niet anders dan mij scharen in de eenheid” voorgeschreven was.

In 1954 kwam het bekende Mandement, dat vooral in niet-katholiek Nederland een schok teweeg zou brengen. De bisschoppen verboden het lidmaatschap van socialistische verenigingen. Ook achtten zij het niet geoorloofd geregeld een socialistisch blad te lezen of naar de VARA te luisteren. Het PvdA-lidmaatschap werd niet verboden -na de oorlog was een groep rooms-katholieken naar deze partij ‘doorgebroken’- maar wel dienden de gelovigen maar eens ernstig bij zichzelf na te gaan of zij dergelijke steun aan het socialisme konden verantwoorden.

Volgens de geestelijkheid vroeg het Mandement niet aan de mensen om hun inzichten te wijzigen, maar wel om hun gedrag naar de opvattingen van de bisschoppen te regelen. Hier gold het ‘zo katholieke woord’ van Louis Veuillot: „beter ongelijk te hebben met de bisschoppen, dan gelijk zonder en tegen de bisschoppen”, aldus Bornewasser.

De KVP-leiding was niet onverdeeld gelukkig met het mandement. De stroom van kritiek van buiten het katholieke kamp was zo groot, dat het als een boemerang dreigde te gaan werken. Het partijbestuur heeft daarom laten weten dat het zich niet verantwoordelijk voelde voor wat de bisschoppen verlangden.

Terugtocht

Het episcopaat trok zich niet veel later zelf ook verder terug. In 1955 stelden de bisschoppen een richtlijn vast waarin stond dat de preekstoelen niet voor de politiek gebruikt mochten worden. Ook mochten er geen affiches meer aan de kerkdeuren hangen en priesters mochten geen politieke spreekbeurten meer vervullen. Alleen op de huisbezoeken dienden de geestelijken het bekende standpunt van de kerk in te nemen.

Uit een rapport dat rond 1960 naar Rome werd gestuurd, blijkt dat de kerkleiding zich neerlegde bij de afname van de politieke beïnvloeding. De kerk moest ervoor waken dat zij de indruk zou wekken macht na te jagen, aldus het rapport. „Het episcopaat heeft zich gedurende de laatste vijf jaar onthouden van enige wenk ten aanzien van de verkiezingen - juist onder de indruk van dit gevaar”.

N.a.v. ”Katbolieke Volltspartij 1945-1980, Band I, Herkomst en groei (tot 1963)”, door J. A. Bornewasser; uitg. Valkbof Pers, 1995; 704 blz.; ƒ89,-.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 december 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

KVP wilde niet aan roomse leiband lopen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 16 december 1995

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken