Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wolken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wolken

4 minuten leestijd

„Mam, sneeuw!” Liesbeth stoof met een vaart de keuken in. „Waarom heb-u me niet een beetje eerder geroepen. Nu...”. Ze zag eruit alsof ze met haar ogen dicht haar kleren aangetrokken had. „Omdat het voorlopig wel blijft sneeuwen”, zei Heleen. Ze had het gisteravond in het krantenweerbericht al gezien en ze had even heel diep gezucht, maar vanmorgen, met die zo heel witte wereld, had ze toch ook iets van blijdschap gevoeld. „Ga maar gauw aan tafel zitten’.

Ze aten, Liesbeth veel sneller dan anders. Ruth zat haar uit te lachen, vond zichzelf blijkbaar te groot om te genieten van ‘t kristal dat nog steeds in grote vlokken naar beneden kwam, maar Heleen zag haar stiekeme blik wel. En toen Liesbeth na het eten Davids jack, sjaal en muts pakte, zette Ruth haar broer in de rolstoel. Daar gingen ze, de sneeuw in. „Kan nog net, mam!” waardeerde Liesbeth de vaart die ze gemaakt hadden.

Heleen ruimde de tafel af Buiten hoorde ze gelach en gejoel. Met de theedoek op haar ene schouder liep ze naar de voordeur. Ruth was een klein paadje aan het maken. Liesbeth stond bij David. Ze nam een beetje sneeuw, riep: „Moet je voelen, David...”. Toen zag ze Heleen staan. „Mam, kom-u ook?!”

Heleen bedacht zich geen moment. Ze moest lachen om Ruths blik en zei toen ze in haar buurt kwam zachtjes: „Laat de buren maar praten, hoor”. Ruth kleurde heel diep. „Als u zo doet, ga ‘k naar binnen, hoor”, zei ze. Heleen schoof wat sneeuw bij elkaar. Ze maakte een flinke bal, liet ‘m aan Ruth zien. „Weet je nog hoe dat voelt?” Ruth lachte bijna en toen vader Harmen met een „Nee, en jij dan?” sneeuw in Heleens toezicht duwde, was ‘t zover.

„Nu moest de hele buurt meedoen”, zei Liesbeth. Ze pakte wat sneeuw, legde het op Davids handen. David, die al die dansende sneeuwvlokjes met aandacht bekeken had en er niet al te veel van leek te snappen, vond dit toch werkelijk ongepast. Hij wist niet hoe gauw hij zijn handen op moest tillen om de sneeuw weg te schuiven. En hij trok er een heel lelijk gezicht bij. „Pak haar terug, David!” riep Ruth. „Wacht, ik zal je helpen”. Ze maakte een beste bal, deed net alsof ze ‘m in Davids handen stopte en gooide, zo in Liesbeths nek. En David... David lachte.

Toen toeterde Davids busje en was ‘t voor de anderen ook tijd om naar school te gaan. De voetstappen op de stoep sneeuwden langzaam weer dicht.

Die middag ging Heleen naar tante Toos. Het sneeuwde nog steeds, al waren het kleinere vlokken dan ‘s morgens. Tante Toos lag inmiddels helemaal op bed, kwam er niet eens meer af om te eten. De wijkverpleging kwam haar elke morgen wassen en verder waren er steeds vrijwilligers van de thuiszorg.

Tante Toos’ kamer was licht. Er stond een bos voorjaarsbloemen, die schril afstak tegen net witte laken waaronder, inwit en mager, tante Toos lag. „’t Sneeuwt, hè kind”, zei ze, toen Heleen op een stoel bij het bed zat. „Ik zag het - prachtig! Hoe vinden de kinderen net? Genieten zeker, hè?” Dit was tante Toos: ondanks haar ernstige ziekte had ze nog altijd belangstelling voor de ander. Heleen vertelde over de morgen. „En zelf heb ik er ook echt van genoten”, zei ze met een lachje.

„Ik ook”, zei tante Toos. „Ik hoorde van de wijkverpleegkundige dat het sneeuwde en ik heb gezegd: Kind, laat me ‘t eens zien. Vin je gek misschien, maar ‘t moest. Voor de laatste keer. Want volgend jaar sneeuw...”. Ze schudde haar hoofd. „Dat beleef ik niet meer”. Het deed weer pijn, dat open spreken van tante Toos over haar naderend einde. Heleen kon nog steeds niet goed begrijpen dat die vroeger zo vitale tante Toos zo ernstig ziek was.

„Och tante...”. Tante Toos schudde haar hoofd. „Moet je niet om huilen, kind. Vanmorgen, toen ik die sneeuw zag, toen bepaalde de Heere me bij dat wonder. Witter dan sneeuw, Heleen, verlang je d’r niet naar?” Ze strekte haar hand uit, pakte het bijbeltje dat altijd geopend lag. „En nu moet je ‘t me maar eens voorlezen uit ‘t Hooglied”. “Witter dan sneeuw” in het Hooglied? Heleen keek tante Toos verbaasd aan. Ze was nog steeds heel helder geweest, maar nu... Tante Toos knikte. „Ja, Hooglied 2, want wat daarin staat, was voor mij vanmorgen de onbegrijpelijke, zo heel wonderlijke verklaring voor “witter dan sneeuw’. Lees maar, kind”.

Heleen las, maar haar stem wilde af en toe niet helemaal mee. Bij „Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!” knikte tante Toos. „Hoor je, kind, over bergen van schuld en zonden, voor een zwarte Bruid”.

Het sneeuwde niet meer - de wereld was wit.

Ada Verrips

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Wolken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken