Bekijk het origineel

Aantal olievogels lijkt af te nemen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Aantal olievogels lijkt af te nemen

Vogelopvangcentra beleefiien een relatief rustige winter

4 minuten leestijd

TEXEL - Het percentage met olie besmeurde vogels op de Nederlandse kust in de winters in de periode 1986-1995 is in vergelijking met de periode 1969-1985 over de hele breedte afgenomen. Deze afname wordt beschouwd als een teken dat het risico voor deze dieren om met olie in aanraking te komen, is afgenomen.

Het aantal ‘olievogels’ dat wordt aangetroffen, is overigens in vergelijking met dat in de omringende Noordzeelanden nog steeds hoog, zo concludeert Kees Camphuysen, die voor de Nederlandse Zeevogelgroep het project “Beached bird survey” uitvoerde. Het is een onderzoek in opdracht van het ministerie van verkeer en waterstaat.

Het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (DGSM) van het ministerie wilde weten in hoeverre de olievogelmonitoring een bruikbaar hulpmiddel was om de effectiviteit van het Milieubeleidsplan voor de Scheepvaart ter vermindering van. de olielozingen op zee te meten. De tellingen die voor dit onderzoek gebruikt werden, begonnen in 1985. Olieslachtoffers vallen vooral in de wintermaanden, wanneer het weer ruw is en de meeste olielozingen op zee plaatsvinden.

achtigen. Het zijn vogels die veel tijd op zee doorbrengen. Bijna driekwart van de vastgestelde olievervuilingen blijken lozingen te zijn van oliemeng De meeste slachtoffers vallen onder de duikers, futen, de Jan van Gent, zee-eenden, de Drieteenmeeuw en alk sels. Ruwe olie van tankers of platforms wordt zelden op de Nederlandse kust gevonden.

Reductie

In de periode 1986-1995 werden minder olieslachtoffers gevonden op de Nederlandse kust dan in de vooraf gaande periode. Deze vermindering was terug te vinden bij alle onder zochte soorten en groepen kust- en zeevogels. Ervan uitgaande dat het ge drag van de vogels niet wezenlijk is veranderd en dat hun verspreiding op zee ook niet aan belangrijke veranderingen onderhevig is geweest, conclu deert Camphuysen dat vooral de hoeveelheid olie op zee bepalend is ge weest voor de kans om met olie in aanraking te komen. Met d|e gestelde aannames kan volgens hem worden geconcludeerd dat de olievervuiling sinds 1986 met ten minste 20 procent is afgenomen.

Camphuysen stelt voor een directere koppeling te maken tussen de infor matie over vogelstrandingen, scheepsongelukken en het voorkomen van olievlekken. In de nabije toekomst zou de afstemming ook intemationaal doorgevoerd moeten worden, zodat de telresultaten van alle Noordzeelanden direct en regelmatig kunnen worden vergeleken. In de verschillende delen van de Noordzee kan dan voortdurend een vinger aan de pols gehouden worden.

Deze winter was het rustig in de vogelopvangcentra. Belangrijkste oorzaken daarvan waren wellicht de hardnekkige oostenwind in december, januari en februari en het uitblijven van stormen. Vorige winter spoelden wel enkele duizenden met stookolie besmeurde zwarte zee-eenden, zeekoeten, alken, eidereenden en Jan van Genten op de Nederiandse stranden aan, vooral die van Ameland, Terschelling en Schiermonnikoog en op de Friese kust. Op Texel en Vlieland werden ‘slechts’ enkele tientallen met ohe vervuilde vogels gevonden. De winter 1994-1995 was tot januari overigens ook opvallend rustig, wat het aanspoelen van met olie besmeurde vogels betreft. Na twee flinke noordwesterstormen kwam de stroom olieslachtoffers echter op gang.

Bewijsvoering

De winter mét de vaak stormachtige wind en korte dagen is de tijd waarin noodgedwongen het minst gecontroleerd kan worden op illegale olielozingen door schippers. ledere schipper die wat olie loost op de Noordzee, weet dat hij vrijwel niet gepakt kan worden, omdat bewijsvoering onmogelijk wordt als de controle pas na het liggen van de storm hervat kan worden.

Dat kleine olielozingen toch zeer belangrijk zijn voor de olievervuiling op de Noordzee, blijkt uit het feit dat van alle olie die door de scheepvaart in zee terechtkomt 90 procent moedwillig overboord is gezet bij het schoonspoelen van de tanks of het lozen van met olie verontreinigd hallastwater. Ongelukken met olietankers, zoals bij de Britse Shetland-eilanden en onlangs nog bij Wales, veroorzaken slechts een fractie van de totale hoeveelheid olie in zee.

De moedwillige olielozingen vinden op zo’n grote schaal plaats, dat het zelfherstellend vermogen van de zee en haar bewoners danig op de proef gesteld wordt. Op de Noordzee varen veel schepen. Per jaar passeren 420.000 boten de Noordzee. Daarvan varen er 260.(XK} vlak langs de Nederlandse kust. De vissersschepen en de recreatievaart zijn dan nog buiten beschouwing gelaten.

Lozingsnorm

Het opsporen van olielozingen is geen gemakkelijke zaak. Alleen bij voortdurende controle op de drukbevaren routes is succes mogelijk. Wel is de lozingsnorm 2,5 jaar geleden flink aangescherpt. Tot dan toe mocht een schip legaal oliehoudend water lozen zolang het oliegehalte maar niet boven de 100 deeltjes per miljoen deeltjes water uitkwam, de zogeheten 100 ppm-norm. Sinds juli 1993 mogen dat nog maar vijftien deeltjes zijn. Pas bij 45 deeltjes wordt een olievlek zichtbaar.’ ledere zichtbare oliestroom achter een schip is sindsdien dus vermoedelijk een overtreding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Aantal olievogels lijkt af te nemen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken