Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kaplaarzen en een tropenhelm

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kaplaarzen en een tropenhelm

B. J. Zijl: „Je bént zendeling, of je hebt er een nodig”

12 minuten leestijd

Hij was best een romantische verschijning. De zendehng. Met kaplaarzen, een tropenhelm en een Bijbel in de hand trok hij het oerwoud in, op zoek naar de wildste heidenen. De zendeling is inmiddels geprofessionaliseerd en werd prompt minder herkenbaar voor de gemiddelde kerkmens. Het zendingsveld vervaagt.

Ds. J. van Oostende, algemeen secretaris van de Gereformeerde Zendingsbond in de Nederlandse Hervormde Kerk (GZB) te Driebergen, spreekt over zending als „een roeping om, gehoorzaam aan de grote opdracht van de Heere Jezus, het Evangelie te verbreiden. Dat is een roeping voor de gemeenten en voor hun leden”.

Het zijn vooral de ouderen bij wie de liefde voor de zending echt leeft, zegt ds. Van Oostende. „Zij hebben zich altijd ingezet voor de zending, zij bezochten vroeger de zendingsdagen en het zijn ook de ouderen die je nog steeds terugvindt in de plaatselijke zendingscommissies. Die mensen hadden misschien wel plaats willen maken voor anderen, maar die bleken vaak door gebrek aan tijd niet beschikbaar te zijn. Dus veel ouderen zijn blijven zitten. Zij vertonen een enorme trouw aan alles wat met de zending te maken heeft.

Die oude generatie heeft natuurlijk geconstateerd dat er veel meer zendelingen zijn dan vroeger. Toen kende men ze allemaal. Nu komen ze in ons blad “Alle Volken” telkens nieuwe namen tegen waardoor het zendingswerk minder overzichtelijk is geworden. De zending is groot geworden, de lijnen zijn veel langer dan vroeger en iemand uit de gemeente kan bij het begrip “zending” dus niet meer zeggen: „O, dat doet die en die”. Het draagvlak is daarmee afgenomen. We erkennen best dat er zorg is over de herkenbaarheid van ons werk”.

Welvaart

Ds. Van Oostende constateert vooral bij de naoorlogse generatie een tanende liefde voor de zending. „Velen van hen zijn zo in de greep van de welvaartscultuur gekomen, met carrière maken, geld verdienen, op vakantie gaan, dat ze gewoon aan de zending niet meer toekomen. Dat heeft het inzakken van het zendingsbewustzijn van het gemiddelde gemeentelid veroorzaakt. En dat gaat zelfs aan leidinggevenden, aan ambtsdragers niet voorbij”.

De algemeen secretaris van de GZB zet ook wel eens vraagtekens bij het functioneren van de zending in de zondagse prediking. „Wordt er elke zondag gebeden voor hen die zijn uitgezonden? Komt het zendingsmotief voor in de preek? Op een gemeenteavond? Ik hoor daar niet zo veel over. We zijn natuurlijk allemaal geïnfecteerd met dat welvaartsdenken, met dat gericht zijn op het hier en nu. Er is zo veel dat ons opeist. Deze maatschappij is zo complex geworden dat een nauwe omgang met de Heere God -t och altijd nog de basis voor het zendingsbewustzijn- verwaarloosd wordt. Dat uit zich bijvoorbeeld ook in het niet-beschikbaar zijn van mensen voor de kerkenraad. We _^..,_,„ _^^, zitten al zo vol! God komt aan de rand van de samenle- / ving terecht. Aan die ontwikkeling wordt in de prediking terecht veel aandacht besteed, maar daardoor komt de plaats van de zending in het gedrang”. Evangelische beweging De belangstelling voor de bekende GZB-Zendingsdag in Driebergen-Rijsenburg is wel teruggelopen, „maar het blijft toch altijd nog een hoogtepunt waar velen heen gaan. We merken dat er juist vanuit jonge gezinnen weer een opleving gaande is. De jongeren in de gemeente vertonen weer meer liefdevoor de zending”.

Ds. Van Oostende denkt dat dit te maken heeft met de invloed van de evangelische beweging. „In eerste instantie kunnen we daarop, vanuit het oude en vertrouwde, negatief reageren, maar er is ook een andere kant. Zeker is er ook oppervlakkigheid, bijvoorbeeld als we denken aan het zondebesef Daarover kun je best je zorgen hebben. Je kunt benadrukken dat het daar allemaal zo gemakkelijk gaat, maar ik wil er liever positief mee omgaan. Dat appellerende karakter van de evangelische beweging raakt jongeren. Juist zij leven sterk vanuit het besef dat het niet goed is om alleen maar te denken aan je eigen carrière en je eigen welvaart. Velen zijn biddend bezig met vragen over wat God met hun leven voor heeft: wil Hij dat wij Hem dieI nen in een zendingstaak of in een diaconale opdracht?

Bijna wekelijks melden zich bij ons jongeren met het verzoek om een gesprek om daarin samen naar Gods leiding in dezen te zoeken. Jonge mensen zijn in religieuze zin meer in beweging dan de generatie van \ hun ouders. Dat moet in de gemeente I worden opgepakt, daaraan moet aandacht en zorg worden besteed. Anders vervreem; den wij die jonge mensen van ons, waardoor ze bij andere organisaties binnenlopen. Dat zijn soms organisaties waarin wij ! ons niet meer herkennen”.

Woerden

Op het Bureau van Zending der Gereformeerde Gemeenten (ZGG) te Woerden verwijst voorlichter B. J. Zijl naar de tekst ; uit Matthéüs 28: „Gaat dan henen, onderwijst al de volken”. „Dat is het testament dat de Heere Jezus Zijn Kerk heeft nagelaten. En dat maakt ook het onderscheid tussen zending en ontwikkelingshulp uit. Zending is Woordverkondiging. Daarbij horen ook diaconale zaken, maar het Woord maakt de specifieke opdracht uit. Zwart-wit geformuleerd: zending is een kerkelijke taak en ontwikkelingshulp meer een algemeen menselijke taak”.

De ZGG richt zich in Azië op Irian Jaya, in Afrika op Bophuthatswana (een voormalig thuisland van Zuid-Afrika), Guinee en Nigeria, in Zuid-Amerika op Ecuador en in Europa op Albanië. Dat in Nederland de liefde voor al die zendingsvelden kwijnend is, wil Zijl niet ronduit beamen. ,J^s je vroeger iets weg te geven had, gaf je dat vanzelfsprekend aan de zending. En als je een jaarlijks uitje wilde, dan ging je naar de zendingsdag. Meer was er nauwelijks. Nu kun je, als je dat wilt, elke zaterdag ergens heen. En als je je geld kwijt wilt, kun je dat geven aan tal van goede instellingen”.

Ds. Kuijt

Ook B. J. Zijl constateert dat de zending aan herkenbaarheid heeft ingeboet. „Vroeger stond zending bij ons zo’n beetje gelijk aan As. G. Kuijt, die als eerste zendingspredikant uitging. Dat klopte met het beeld dat men van de zending had: een pionier die met kaplaarzen, tropenhelm en zijn Bijbel in de hand op de wilde heidenen afstapte. Inmiddels is dat beeld minder romantisch, meer gevarieerd geworden, waardoor mensen het minder eenvoudig allemaal nog bij kunnen houden. De zending is geprofessionaliseerd en gegroeid. Het gaat nu onder meer om ondersteunende activiteiten. Zoals toerusting en kadervorming. En dat spreekt veel minder tot de verbeelding natuurlijk.

Het is echter ook de betrokkenheid bij de geestelijke nood van de verre naaste die verflauwt. „In hoeverre weet men zich gedrongen, ook om daadwerkelijk uit tegaan? Om de boodschap van het Evangelie te mogen verbreiden? Waarom is de I respons op onze oproepen zo gering? In dit opzicht bén je zendeling, óf je hebt er een i nodig. Wie in z’n hart iets voelt van Gods ! liefde, voelt ook een stuk bewogenheid ’ naar z’n medemens. Ik ken best een aantal jongeren die met die vragen bezig zijn: Wat wil de Heere van mij? Ik zou op schoj len bij het hoofdstuk beroepskeuze best ] meer aandacht voor de zending willen j zien”.

Roeping

Jongeren die met die vragen bezig zijn, weten volgens Zijl niet goed hoe ze daarmee verder moeten. „Ze worstelen ermee: Hoe weet ik wat de wil van de Heere is? Hoe kom ik daarachter? Zendingswerk vraagt een bijzondere roeping. Je moet duidelijk weten dat de Heere je daar een plaats geeft. Anders houd je het ook niet vol. Die roeping zal op het zendingsveld best een keer het enige zijn waarop je nog terug kunt vallen: Heere, U weet hier toch vanaf! Ik ben deze weg toch niet zelf gegaan!” Het zendingsbureau van de Gereformeerde Gemeenten houdt zich heel nadrukkelijk bezig met de Rayonzendingscommissies. Die voor- en najaarsvergaderingen worden steevast bezocht. Zijl: „Daar stellen we ook bepaalde bezinnende onderwerpen aan de orde, waarmee we de mensen proberen te laten bedenken waarmee ze bezig zijn. Ook in het midden van de gemeente willen we graag ons verhaal neerleggen. We zijn de tijd voorbij dat men wekelijks een kwartje voor de zending gaf waardoor men een zeker recht verwierf om van tijd tot tijd plaatjes te mogen kijken. We praten nu veel meer in de sfeer van: Kijk, dit is het zendingsveld. Maar welke verantwoordelijkheid heb je als gemeente, als gemeentelid daar nu bij? En tegen de jeugd: Denk je er wel eens over na dat er straks ook zendingswerkers nodig zijn?”

Veenendaal

Ds. H. Last, algemeen secretaris van het zendingsbureau van de Christelijke Gereformeerde Kerken te Veenendaal, heeft over de offervaardigheid van zijn gemeenten niet te klagen. „Men bedenkt ons zelfs zeer royaal. Op grond daarvan heb ik reden te zeggen dat de liefde voor de zending in het algemeen volop aanwezig is. Ik durf ook best te zeggen dat het zendingsbewustzijn van onze mensen zelfs gegroeid is. Wij houden specifieke zondagen waarop we de mensen nog eens extra willen betrekken bij het zen; dingswerk. Tweemaal per jaar roepen we alle classiscorrespondenten bij elkaar om ze te instrueren en toe te rusten. Recent verscheen er een Handboek voor de Zending met alle mogelijke informa tie en tips over hoe je de gemeente warm kunt krijgen voor het zendingswerk. In een groot deel van de gemeenten hebben we geconstateerd dat mensen met liefde en met gebed om het werk van de zending heen staan”.

De blik van de gemiddelde christelijke gereformeerde kerkganger is echter wel verruimd. D?. Last: „Het is niet alleen maar het eigen kerkelijke zendingswerk dat hulp vraagt. Tal van instellingen en organisaties doen natuurlijk met kleurige blaadjes en accept-girokaarten een beroep op de mensen. De moderne media vertonen allerlei ellende en overal staat een gironummer onder. Het zou ook best zo kunnen zijn dat dat in toenemende mate een concurrentie wordt”.

Goddeloosheid

„Deze tijd wordt gekenmerkt door individualisme en verdraagzaamheid”, zegt ds. Last. „Ailes wordt gerespecteerd. En je moet de ander vrijlaten in zijn geestelijke beleving. Meneer, u bent moslim? Akkoord. En u, doet u aan transcendente meditatie? Nou, moet kunnen. En u bent van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Nou, prima hoor. Dat is jouw pakkie-aan. Verdraagzaamheid die onderhand uitmondt in een stuk goddeloosheid. Onze God is wel verdraagzaam, maar niet als we Hem links laten liggen. Een ieder doe maar wat goed is in zijn ogen. Wat ons nu als ongerijmd in de oren klinkt, wordt over vijfjaar wettelijk onderbouwd. Dat besmet natuurlijk ook de kerkmens. Die tolerantie is een van de grootste gevaren voor de kerk in ons land en voor haar bijzondere opdracht om volkeren te winnen voor het Koninkrijk van God: Waarom zou je eigenlijk zending bedrijven als iedereen op z’n eigen manier mag gelo- ven? Als een moslim mag geloven op zijn moslimmanier, waarom zou ik hem nog overhalen om christen te worden?”

Assistentie

Het zendingswerk is veranderd. Het “church planting” is “church building” geworden. Ds. Last: „Zending is meer assistentie dan pionierswerk geworden. Mensen in de gemeenten kunnen zich daarbij minder voorstellen, daarom moet je ze dat uitleggen. Ik preek op een zendingszondag regelmatig over het slot van het Matthéüs-evangelie. Als Jezus ons opdracht geeft de wereld in te trekken, zegt Hij twee dingen: „dezelve dopende...”. Daar zijn we altijd mee bezig geweest. Maar er staat iets bij: „...lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb”. Aan dat eerste hebben we altijd gedacht: Dopen! Maar dat is niet het eindpunt. Dan begint het pas. Daarmee zijn we als zendende kerken nu vooral bezig, leren en onderhouden. Dat spreekt weliswaar minder tot de verbeelding, maar dat is niet de fout van het Evangelie”.

Over de jaarlijkse zendingsdagen zegt ds. Last: „We moeten ons eens de vraag gaan stellen of de vorm waarin zo’n dag zich beweegt, niet aan vernieuwing toe is. Bij ons waren zendingsdagen wel eens verkapte kerkdiensten. Dat is niet goed. Dat heeft mensen wel eens van de zendingsdag vervreemd. Niet omdat ze geen belangstelling hadden voor de zending, maar omdat er de hele dag gepreekt werd. Er is concurrentie genoeg: familiedagen, bondsdagen, toogdagen, allemaal in dezelfde tijd van het jaar, van april tot eind juni. Als we gaan klagen over teruglopend bezoek, dan moeten we niet alleen kijken naar de mensen die niet komen, maar ook eens naar onszelf Doen we het misschien niet helemaal goed?”

Afgekocht

Interkerkelijke hulporganisaties schijnen, door de bank genomen, warmer door de kerkmens te worden gesteund dan het eigen kerkelijke zendingswerk. Vanwaar? Ds. Last: „AJ die hulporganisaties zoeken heel nadrukkelijk en zeer professioneel de publiciteit. Want publiciteit brengt geld in het laatje. Bij kerkelijke zending is het ook zo dat het geld vooral binnenkomt via hoofdelijke omslag. Overigens wordt er ook veel aan publiciteit gedaan. Je kunt niet zeggen dat het de kerkelijke zendingsbureaus aan de nodige spirit ontbreekt om het tegen die interkerkelijke organisaties op te nemen”.

Ds. Van Oostende van de GZB: „Ik waag te stellen dat mensen die zich zo laten opeisen door het dagelijkse ritme van werken en geld verdienen, soms worden overvallen door een schuldgevoel. De media brengen de ellende in deze wereld zo nadrukkelijk onder hun aandacht dat ze daarmee wel iets móéten. Het ontlast dan het geweten regelmatig in de portemonnee te tasten om de Derde Wereld te helpen. Men koopt daarmee zijn verantwoordelijkheid af Je raakt ook gemakkelijker onder de indruk van kleine kindertjes met dikke hongerbuikjes dan van de bearbeiding van zo veel mensenzielen die voor eeuwig verloren dreigen te gaan. Dat laatste raakt ook hun eigen leven. Men voelt best dat er aan de eigen omgang met de Heere ook heel wat mis is”.

B. J. Zijl van de ZGG: „De zending is voor de kerkmens misschien te veel één van de kanalen geworden waarlangs men wat denkt te kunnen doen voor de medemens. Maar er zijn ook andere kanalen: Novib, Artsen zonder Grenzen, het Rode Kruis en zo. Zijn al die organisaties dan te veroordelen? Nee, maar we mogen die niet op één lijn zetten met het bedrijven van zending. Dus niet als we honderd gulden te verdelen hebben, er vier porties van maken: 25 gulden voor Novib, 25 gulden voor Artsen zonder Grenzen, 25 gulden voor het Rode ïCruis, en vooruit, nog 25 gulden voor de zending. Een zekere oppervlakkigheid is onze gezindte bepaald niet vreemd. De zending dient opnieuw die vanzelfsprekende eerste plaats in te nemen. Voor de duidelijkheid: dan bedoel ik niet de ZGG, als organisatie, maar de zending als opdracht”.

Dit artikel werd u aangeboden door: Reformatorisch Dagblad

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1996

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

Kaplaarzen en een tropenhelm

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 mei 1996

Reformatorisch Dagblad | 32 Pagina's

PDF Bekijken