Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vliesgevel is steeds vroeger oud

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vliesgevel is steeds vroeger oud

Renovatie van vroeg-naoorlogs ‘behang’ zorgt voor tal van moeilijkheden

5 minuten leestijd

De nieuwe Van Nellefabrieken in Rotterdam trokken in 1929 de aandacht Voor liet eerst werd een “vliesgevel” aangebracht De uit Amerika ovei^ewaaide “curtain wall” is later op grote schaal toegepast Inmiddels breken bouwkundigen zich er het hoofd over hoe verouderde vliesgevels behouden en aangepast kunnen worden.

De ‘vliezen’ van kort na de oorlog zorgen voor problemen. Ze zijn verouderd en vaak te weinig geïsoleerd. Omdat de thermische kwaliteit maar povertjes is, besluiten veel eigenaren tot radicale renovaties, waarbij dubbele beglazing, zwaardere profielen en zonwerende coatings worden aangebracht of het glasoppervlak danig wordt verkleind. Welstandscommissies, monumentenzorgers en architecten maken zich daardoor steeds meer zorgen over de teloorgang van heel wat „markante naoorlogse architectuur". De praktijk leert dat renovaties ook minder ingrijpend uitgevoerd kunnen worden.

Ook technisch laten de opknapbeurten te wensen over. Sommige vervangende systemen, zoals dunne natuurstenen beplatingen, lijken al op korte termijn opnieuw problemen te zullen gaan opleveren.

Ondraaglijk

De in Amerika uitgevonden vliesgevel sloot precies aan bij de ideeën van de Moderne Beweging in Europa. Vliesgevels maakten niet langer deel uit van de dragende constructie van een gebouw, maar werden er slechts tegenaan geplakt. Ze hielden het gebouw niet meer overeind, maar dienden alleen als bescherming tegen brand en tegen de elementen en daarnaast als architectonische expressie. Door de gevel van haar dragende functie te verlossen zouden licht en lucht onbelemmerd de gebouwen kunnen binnendringen.

Voorlopers van de vliesgevel waren de vele tentoonstellingspaviljoens en glazen winkelpuien in de vorige eeuw. In Nederland werd de vliesgevel in het middelpunt van de belangstelling geplaatst door J. G. Wiebenga, die van 1924 tot 1926 in New York gewerkt had. Hij was kort daarna als constructeur betrokken bij de bouw van de Van Nellefabrieken.

Gevels werden vanouds beschermd door dakoverstekken, leklijsten en waterslagen. Deze maakten nu echter steeds meer plaats voor gladdere en lichtere gevels. Deze vliesgevels werden aanvankelijk vaèk opgebouwd uit baksteen. Binnen een paar jaar werd dit een veelvuldig toegepaste constructiemethode. Ook natuursteen en terra cotta waren in zwang". Het grootste probleem bij de stenen gevels is het verschil in thermisch gedrag: bij bepaalde temperaturen en in het zonlicht krimpt soms de draagstructuur, terwijl de gevel wil uitzetten. Dat klopt niet met elkaar.

Later deden glas en metaal opgang. Uiteindelijk ontstond een veranderbare gevel met een beperkte levensduur. Rond de eeuwwisseling waren architecten al op zoek geweest naar nieuwe esthetische mogelijkheden voor glas en metaal. Door ze nu op grote schaal in vliesgevels toe te passen, werd het ‘vlies’ veel dunner dan bij de stenen gevels.

Aanpassing

Na de Tweede Wereldoorlog brak de glorietijd van de vliesgevels aan. Ze werden steeds meer machinaal vervaardigd en menig kantoor, warenhuis en bedrijfsgebouw werd ermee ‘behangen’. In de jaren vijftig was de ideale vliesgevel een constructie met een dikte tussen de 5 en 25 centimeter en een levensduur van veertig tot honderd jaar.

De ‘levenscyclus’ van commerciële gebouwen wordt steeds korter. Terwijl eeuwenoude gevels moeiteloos de jaren verduren, zijn veel vliesgevels van kort na de oorlog alweer aan vervanging of verbetering toe. Daarbij wordt het aanzien van gebouwen soms fors gewijzigd.

Te’ fors, vinden sommigen. Een stad als Rotterdam maakt zich sterk voor behoud van in ieder geval een deel van de vroeg-naoorlogse vliesgevels. Het voortschrijden van de techniek maakt het ook mogelijk een gevel te verbeteren en hem toch in zijn waarde te laten. Voorbeelden daarvan zijn de Parklaanflat en het GEB-gebouw in de Maasstad, Hotel Gooiland in Hilversum en de reconstructie van de onderbouw van de voormalige Rijksverzekeringsbank te Amsterdam.

Voor anderen hoeft dat allemaal niet. Zij vinden de gevels uitgespro ken lelijk, kaal en koud en besluiten daarom tot een ingrijpende facelift. Zo kregen in Rotterdam het Shellgebouw (van architect Abspoel, 19561960), De Utrecht aan de Coolsingel (Oud, 1955-1962) en het Enniagebouw (Bodon, 1954-1960) een ander gezicht. Het „negeren van de oorspronkelijke opzet” van het Schunckgebouw in Heerlen (Peutz, 1937-1942) wordt door tegenstanders van aanpassing wanstaltig en ondoelmatig genoemd.

Ook tijdens een studiedag in Eindhoven over vliesgevelrenovatie klonken verschillende geluiden over de ingrijpende aanpassingen. „Het is maar de vraag of die naoorlogse architectonische waarden wel altijd het behouden waard zijn", zei de Delftse onderzoeker J. Renckens. „Voor veel gebouwen uit die periode, en zeker die uit de jaren tachtig, geldt dat ze nauwelijks architectonische waarde hebben".

Afremmen

Renovatie van de gevels is geen eenvoudige zaak. Problemen doen zich behalve met het imago ook voor met de bouwtechniek, het beheer en het financieel rendement. De voorschriften voor energieverbruik, geluidwering en veiligheid zijn nu veel strenger dan enkele tientallen jaren geleden. De meestal enkelbeglaasde gevels hebben een volgens de huidige normen onaanvaardbaar energieverlies. Soms zijn ze ook niet geïsoleerd, zodat de ramen snel beslaan.

Het aanbrengen van dubbel glas is echter niet zonder risico’s. De gevels worden er veel zwaarder door, waardoor problemen met de fundering kunnen ontstaan of de verankering van de gevel moet worden herzien.

De overheid vindt de energiebesparing prima, maar wil het al te vaak aanpassen van de gevels afremmen; de afschrijvingstermijn voor investeringen in de gevels gaat richting de twintig jaar, maar de fiscus houdt vast aan vijftig jaar. Minister De Boer van VROM wil die termijn niet aanpassen vanwege de gevreesde gevolgen voor het milieu: de overheid wil minder bouw- en sloopafval en meer duurzame bouw. De nieuwe generatie alu-glasgevels biedt nieuwe hoop. Die kunnen gemakkelijker aangepast worden, zodat er minder snel gesloopt moet worden.

De nieuwe gevels zijn in architectonisch opzicht niet langer onderworpen aan de strenge richtlijnen van de modernisten. Op het gebruik van historiserende stijlen wordt niet langer neergekeken. Zij worden toegepast uit overwegingen van „jiostalgie, nieuwigheid en stille verwijzingen naar het verleden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

De vliesgevel is steeds vroeger oud

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken