Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Discriminatie ligt in de islam besloten

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Discriminatie ligt in de islam besloten

Christenen in de moslimwereld fungeren slechts als houthakkers en waterdragers

12 minuten leestijd

In Soerabaja werden op zondag 9 juni tien kerken in brand gestoken door een opgezweepte menigte islamitisclie jongeren. Indonesië stond lange tijd bekend als een land waar christenen en moslims in harmonie met elkaar samenleefden. Steeds vaker horen we echter van christenvervolging in moslimlanden. Hebben alle moslims zo’n hekel aan christenen? Zijn het zulke onmensen, of zit er iets anders achter?

De werkelijkheid is dat moslims over het algemeen vriendelijke en verdraagzame mensen zijn, die heel goed met christenen omgaan en met hen vriendschap sluiten. Het is de islam die de christenen discrimineert. Als moslims daar aan meedoen, dan doen zij slechts hun reUgieuze plicht. Het zit ingebakken in de ideologie van de islam. In dit artikel willen wij ingaan op de achtergronden van de christenvervolging in de moslimwereld. Hiervoor nemen we een duik in de geschiedenis van de islam.

In tien jaar tijd, van 622 tot 632, heeft Mohammed vrijwel het gehele Arabische schiereiland aan zich onderworpen. De verslagen heidense stammen kregen de keus tussen moslim worden of de dood. De meesten werden dus moslim. De verslagen joden en christenen hoefden zich niet te bekeren, maar zij moesten een capitulatieverdrag tekenen, de dhimma. Hierin waren de voorwaarden vastgelegd waaronder dé overwonnen stammen mochten blijven leven.

Vernederend verdrag

Het was een zeer vernederend verdrag, dat de verslagenen degradeerde tot tweederangsburgers in hun eigen land, die echter de bescherming van Mohammed genoten. Mohammed behield zich wel het recht voor het verdrag te allen tijde nietig te verklaren. Na de dood van Mohammed zetten zijn opvolgers, de kaliefs, de strijd voort. Grote delen van het Midden-Oosten werden veroverd, waaronder een groot aantal christelijke landen, zoals Egypte en Syrië. Zij moesten zo’n capitulatieverdrag tekenen.

In feite kwam de dhimma neer op een soort apartheidswetgeving. Essentieel was dat de dhimmi werd vernederd en zich schikte in een minderwaardige positie in de moslimmaatschappij. Dat werd door iedere bepaling benadrukt. Het begon met de hoofdelijke belasting, de djizia; een soort beschermgeld waarmee de dhimmi’s als het ware hun recht kochten om in leven te blijven. Moslirhs hoefden die belasting niet te betalen. De manier waarop de djizia jaarlijks werd betaald, was vaak stuitend vernederend. Zij was gebaseerd op een tekst uit de Koran waarin Mohammed zei: „Bestrijdt hen die niet geloven in Allah, noch in de Laatste Dag, en die niet verboden stellen wat Allah en Zijn Boodschapper verboden hebben gesteld, en die zich niet voegen naar de wezenlijke godsdienst (islam) onder degenen aan wie de Schrift gegeven is (joden en christenen), totdat zij uit de hand de schatting (djizia) opbrengen, in onderdanigheid”. (Soera 9:29)

Schouwspel

De joodse schrijfster Bat Ye’or citeert een groot aantal documenten waarin wordt voorgeschreven hoe deze regel in verschillende tijden en plaatsen moest worden toegepast.

In grote trekken komt het neer op het volgende: De belastingbetaler moest met z’n geld persoonlijk naar de markt, waar de belastingontvanger (vaak een sjeik of emir) op een soort troon was gezeten. De dhimmi’s moesten lange tijd wachten op de smerigste plaats totdat ze één voor één voor de sjeik werden gesleept. Dan moest de dhimmi het verschuldigde bedrag in de hand van de moslim leggen, maar zó dat zijn hand niet boven die van de moslim uitkwam. De dhimmi moest blijven staan, terwijl de raoshm op z’n troon gezeten was. Na het overhandigen van het geld moest de dhimmi voorover buigen, zodat de moslim hem een klap tegen z’n wang of een stomp in z’n nek kon geven, met de woorden: „Betaal de schatting aan Allah, o vijand van Allah, o ongelovige”. Hierna vverd de belastingbeta-. Ier bruut weggetrokken, „om hem het gevoel te geven dat hij aan het zwaard ontsnapt is”. Alle moslims werden uitgenodigd om van dit schouwspel te genieten. Zo werden alle joden en christenen, van hoog tot laag, in het openbaar vernederd. Rijke dhimmi’s stuurden vaak een afgezant om de belasting te betalen. maar regelmatig werd dit verboden. Men moest in eigen persoon vernederd worden.

Speciale belastingen

De bepalingen van het verdrag waren niet altijd dezelfde, maar in grote trekken kwamen ze neer op de volgende:

- Dhimmi’s moesten drie speciale belastingen betalen, waarvan de djizia of hoofdelijke belasting het meest gehaat was. Een dhimmi moest het betalingsbewijs altijd bij zich hebben, anders kon hij gearresteerd worden.

- Een dhimmi mocht geen gezag uitoefenen over- een moslim. Dus waren hogere overheidsfuncties verboden voor christenen. Om dezelfde reden kon een christenman nooit trouwen met een islamitische vrouw. Maar een christenvrouw wel met een islamitische man. Een christen mocht ook niet op een paard of een kameel rijden. Als hij op z’n ezel gezeten een moslim tegenkwam, moest hij van z’n ezel springen en nederig wachten totdat de moslim voorbij was.

- De eed van een dhimmi had geen waarde, dus kon een dhimmi nooit getuigen tegen een moslim. Het principe van oog om oog gold alleen voor moslims. Dus doodstraf op moord bij moslims onderling, maar niet als een moslim een dhimmi had vermoord.

- De christenen mochten hun kerken behouden, maar nieuwe kerken mochten zij niet bouwen en ook hun oude kerken mochten zij niet uitbreiden. Voor reparaties was vergunning vereist. Kerken en synagogen waren niet beschermwaardig. Gevolg: plundering en brandstichting van kerken en synagogen.

- ledere vorm van evangelisatie onder moslims was verboden. Openbare godsdienstige manifestaties waren ook verboden. De kerkklokken mochten niet luiden, want dat werd gezien als evangeUsatie. Joden mochten de sjofar niet blazen. Alle godsdienstoefeningen moesten binnen de muren van de kerk of syna goge plaatsvinden, dus geen processies en openbare begrafenissen. Het zingen mocht niet voor moslims hoorbaar zijn. Kritiek op de islam of op Mohammed werd niet geduld.

Gettovorming

Dit soort bepalingen heeft gettovorming in ‘de hand gewerkt. In hun eigen wijk konden christenen soms toch de kerkklokken luiden en een processie houden en hun doden begraven. Het voorschrift dat het huis van een jood of christen niet hoger mocht zijn dan dat van een mosUm in dezelfde straat, woog minder zwaar in een getto. Dhimmi’s moesten zich ook onderscheiden door het dragen van aparte kleding en het altijd bij zich hebben van het djiziabetalingsbewijs, dat zij soms om de hals moesten dragen. Ze mochten geen Arabische titels voeren en het gebruik van het Arabische schrift was voor hen verboden. Ook mochten zij geen wapens dragen.

Er bestond ook zoiets als positieve discriminatie onder het dhiimni-verdrag: de christenen hadden recht op bescherming door de islamitische overheid. (Het woord dhimmi betekent beschermeling.) Bekend is dat kalief Omar de dhimmi-schatting een keer liet teruggeven aan een groep christenen, omdat hij niet in staat was gebleken hen te beschermen. Christenen mochten ook wijn drinken en verkopen, iets wat voor de moslims verboden was. Christenen hoefden ook niet in militaire dienst, want zij mochten geen wapens dragen, (Zij konden dus ook geen beroepssoldaat worden.) Ook hadden de dhimmi’s een zekere mate van zelfbestuur. (Soevereiniteit in eigen kring.)

Onrein

Ondanks deze positieve discriminatie is het geen wonder dat in de loop der eeuwen veel christenen overgingen tot de islam. Geleidelijk werden de christenen een minderheid in hun eigen land. Door de vernederende aard van de dhimmi-status lag het voor de hand dat er op christenen werd neergekeken, en dat zij zelfs als onrein beschouwd werden. Overigens werden de bepalingen niet altijd even streng opgevolgd. Het feit alleen al dat er nog steeds eeuwenoude kerken zijn in het MiddenOosten, is hiervan het bewijs. Als de dhimma strikt was toegepast, zouden er na de zevende eeuw geen kerken meer gebouwd zijn en zouden de bestaande kerken tot ruïnes zijn vervallen.

Toch heeft het gebruik stand gehouden tot omstreeks het midden van de vorige eeuw. Het grootste deel van de moslimwereld viel toen binnen het Turkse (Ottomaanse) rijk. Onder druk van vooral Engeland en Frankrijk werd de dhimma in 1856 in het hele Turkse rijk afgeschaft. In Perzië (Iran), Jemen en Marokko bleef de dhimma tot in deze eeuw van kracht. De afschaffing van de dhimma heeft overigens de woede opgewekt van fanatieke moslims, wat resulteerde in pogroms tegen dhimmi’s, waarbij honderdduizenden christenen en joden werden afgeslacht, met name onder de Armeense en Syrische christenen.

Propaganda

Nu kan men een wet wel afschaffen, maar een gebruik van eeuwen schaf je niet zomaar af Daar komt bij dat de fundamentalisten luid roepen om herinvoering van de dhimma. „De christenen moeten weer op hun plaats gezet worden en zich neerleggen bij hun historische tweederangsstatus. Anders emigreren ze maar naar het Westen”, zo zeggen ze. Door al deze propaganda kijken veel moslims nog steeds neer op de christenen in hun midden. Christengevangenen in Pakistan moeten wachten met eten en drinken tot de moslims klaar zijn. Anders zouden zij het eetgerei verontreinigen. Het gevolg is dat alle eten en drinken soms op is voordat zij aan de beurt zijn.

Sommige fanatieke moslims gooien in openbare gelegenheden het serviesgoed stuk als een christen ervan gegeten of gedronken heeft. Dit doen zij om te voorkomen dat zij later van dit ‘verontreinigde’ servies zullen eten. Om dezelfde reden hebben christenen in landen als Iran en Pakistan hun eigen restaurants (waar ze dan wel varkensvlees en wijn mogen serveren), een vorm van apartheid waar niemand verontwaardigd over doet. In Egypte moet de president nog steeds vergunning geven voor de bouw of de reparatie van een kerk. Sinds 1980 zijn er nog geen vijf kerken gebouwd, tegen 80.000 moskeeën! Ter vergelijking: in dezelfde periode zijn in Nederland 340 moskeeën geopend.

In de meeste moslimlanden zijn hoge leidinggevende posities nog steeds niet voor christenen weggelegd. Veel moslims weigeren een christen als baas te hebben. Zelden zal een christen een hoge rang in het leger bekleden. In Pakistan ijveren de fundamentalisten voor herinvoering van de dhimmi- belasting, te betalen door niet-moslims. In Egypte komt het regelmatig voor dat de moslimbroederschap of een andere fundamentalistische groepering de dhimmi-belasting afperst van rijke christenen. Het geld vloeit naar de kas van de eigen organisatie ter verbreiding van het fundamentalisme. In de ogen van de Egyptische regering is het een mafiapraktijk, maar de fundamentalisten beweren dat zij alleen maar de regels van de islam toepassen. Nog steeds kunnen christenen niet met moslimvrouwen trouwen, en het is in die landen normaal dat een moslim die tot een ander geloof overgaat, gedwongen wordt te scheiden.

Twee kampen

Het dhimmi-stelsel past goed in de ideologie van de islam, die de wereld verdeelt in twee kampen: een “huis van de islam” en een “huis van de oorlog” (Dar al islam en Dar al harb). De Dar al islam is de moslimwereld, waar de moslims niet per se in de meerderheid zijn, maar waar zij wel de macht hebben. Hier behoort de islamitische wetgeving (de sjaria) van kracht te zijn. De rest van de wereld is de Dar al harb en moet nog voor de islam veroverd worden, vandaar de naam “huis van de oorlog”. In de Dar al islam is de wetgeving er dus op gericht de hele bevolking te islamiseren. Door de niet-moslims te vernederen en de moslims allerlei voorrechten te geven, wordt de islam steeds sterker. Het systeem heeft zijn effectiviteit duidelijk bewezen.

Overigens hebben de moslims niet alles zelf bedacht. Het systeem grijpt terug op oeroude Arabische stamgebruiken. De islam heeft bovendien veel van zijn gedachtengoed geleend van de joden en de christenen. Of de eerste moslims op de hoogte waren met het ‘dhimmiverdrag’ dat Jozua tweeduizend jaar eerder met de Gibeonieten sloot is twijfelachtig, maar vaststaat dat de vele Syrische gezagsdragers die overgingen tot de islam, alleen maar de bestaande Byzantijnse (Oost-Romeinse) wetgeving ten aanzien van de joden hoefden aan te passen. In het Oost-Romeinse rijk was de Grieks-Orthodoxe Kerk de staatskerk, die alle andere godsdiensten bestreed. De joden hadden altijd al een bijzondere status in het Romeinse rijk, met aparte rechten en plichten.

Diepe sporen

Onder invloed van de Byzantijnse staatskerk kregen de joden steeds minder rechten. In 534 werden de rechten en plichten van de joden vastgelegd in de Wetten van Justinianus. Dit stelsel werd overgenomen en verder uitgewerkt door de moslims, die het toepasten op alle nietmoslims. Zo kreeg de Orthodoxe Kerk een koekje van eigen deeg. De koptische en nestoriaanse christenen, die door de Orthodoxe Kerk vervolgd waren, gingen er aanvankelijk onder de moslims op vooruit. Het effect van de dhimma liet zich pas eeuwen later gelden.

Twaalf eeuwen dhimmi-schap hebben diepe sporen getrokken in de mentaliteit van de kerk in de moslimwereld. ‘Overleven’ heeft de zendingsopdracht naar de achtergrond verdrongen, terwijl met name de nestoriaanse kerk in het verleden tot in het verre China gemeenten gesticht heeft. Telkens wanneer de kerk zich weer op evangelisatie toelegde, werd dat bloedig afgestraft. Veel christenen beschouwen het dhimmi-schap als hun natuurlijk lot. Zij verzetten zich er dan ook niet tegen. „In de wereld lijdt gij verdrukking” en „Al wie een godvruchtig leven wil leiden, zal vervolgd worden”. Zozeer als deze bijbelteksten door de westerse kerk worden verwaarloosd, zozeer worden ze door de koptische kerk gekoesterd. De Bijbel leert ons nergens dat we moeten vechten voor onze rechten, maar wel dat we voor onze broeders moeten opkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Discriminatie ligt in de islam besloten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken