Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CSFR-Iustrumbundel: „Afgescheiden denken stempelt refo-zuil”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CSFR-Iustrumbundel: „Afgescheiden denken stempelt refo-zuil”

7 minuten leestijd

De problematiek van de eenheid en verdeeldheid van de kerk is opnieuw aangezwengeld door de CSFR. In een deze week verschenen lustrumbundel publiceert zij het Appèl van 1970. Daarin deden verschillende vooraanstaande predikanten uit de gereformeerde gezindte een dringende oproep om elkaar meer (beter) te zoeken en te verstaan. Het Appèl was echter-om diverse redenen- geen lang leven beschoren en we zijn inmiddels ruim 25 jaar verder. In het boek “Het brood dat wij breken; Om de eenheid van een verdeelde kerk” lezen we de gehele tekst van het Appèl, dat destijds niet gepubliceerd kon en mocht worden. Op de perikelen rondom het Appèl hopen we later uitvoeriger terug te komen, we beperken ons hier tot de verschillende bijdragen die de CSFR heeft gepubliceerd ter gelegenheid van het 45-jarig bestaan van haar vereniging.

Veelzijdig

Het is een veelzijdige bundel die de lustrumcommissie van de CSFR heeft samengesteld. Ds. P. den Butter schrijft over de relatie tussen Israël en de kerk. Een verbroken eenheid, zo typeert hij. De breuk is niet pas in de diaspora begonnen, maar al tijdens het onderwijs van de Heere Jezus. Het schisma van kerk en synagoge is onvermijdelijk zolang de jood niet wil leven uit de gerechtigheid van Christus. Maar hoewel Israël voorlopig op dood spoor is gerangeerd, gaan Gods bemoeienissen met dit volk gewoon door, zoals mét name in onze tijd duidelijk is te zien, aldus ds. Den Butter. Dr. B. Loonstra zet zijn gedachten over de mogelijkheid van een gerefonneerde hermeneutiek uiteen. De betrouwbaarheid van de Bijbel neemt hij als uitgangspunt, maar dat sluit volgens hem niet in dat het verhaalde in alles een letterlijke weergave is van het gebeurde. De bijbelse verhalen zijn verkondiging, dat wil zeggen verwoording van heilsfeiten en hun interpretatie in één. Tegenover een “schijneenvoud”, die alles wat in de Bijbel wordt, verhaald als letterlijk gebeurd ziet, plaatst hij een “nieuwe eenvoud”. Deze impliceert dat wij de verhalen aanvaarden als betrouwbare verkondiging van Gods grote daden, waarin feit en interpreterende beeldvorming samengaan. Een gewaagde conclusie, die evenwel op dezelfde lijn zit als zijn boek “De geloofwaardigheid van de bijbel” uit 1994.

Eenheid boven instituut

De Leidse hoogleraar prof dr. A. van de Beek windt er geen doekjes om: eenheid van de kerken in organisatorische zin hoeft voor hem niet. Die institutionele eenheid laat hij graag aan Rome over. De kerk is reeds één in de Heer; en deze eenheid gaat de organisatorische eenheid te boven. Christus is met Zijn hele kerk getrouwd, of liever gezegd. Hij wacht op de dag dat Zijn bruid Hem zal begroeten. En de organisatorische eenheid? Die is mooi meegenomen, aldus Van de

Beek. „Maar ik weet hoe het gaat met mensen: ze denken al te gauw dat ze daarmee iets bereikt hebben en gaan er dan weer prat op”.

Dr. ir. H. Jochemsen vergelijkt de “machten” in het Nieuwe Testament met de kerk van vandaag. Hij constateert dat in onze cultuur bepaalde geestelijke structuren in de greep gekomen zijn van de machten en zich steeds meer tussen de levende God en de gemeente van Christus inschuiven. De geestelijke structuren uit de Reformatie hebben veel positiefs gebracht, maar vanuit de geestelijke verzwakking kunnen ze een andere, verkeerde werking krijgen. Het is het vraagstuk van de reformatorische traditie dat hij aan de orde stelt. Deze traditie is zijns inziens geestelijk uitgeput. Noch opzij schuiven van, noch krampachtig vasthouden aan traditie, maar de vernieuwende werking van de Geest is nodig, zo concludeert hij terecht.

Bijdragen

We stippen de bijdragen verder wat aan. Dr. F. A. van Lieburg geeft een beknopt historisch overzicht van de verzuilde samenleving van de 16e tot de 21e eeuw. Een goed, betrouwbaar en vooral beschrijvend overzicht. Dr. Marthy P. Veerman geeft een godsdienstsociologsche benadering van de kerkelijke verdeeldheid door de verschillende reformatorische kerken globaal te typeren en de onderlinge contacten te beschrijven (voorzover die er zijn). Een magere conclusie is dat zij de kans op eenwording niet groot acht, maar wel die op samenwerking.

Drs. H. G. J. Ligtenberg laat drie persoonlijke stemmen aan het woord over hun kerkvisie: W. de Gelder (vrijgemaakt), J. van Dam (oud gereformeerd) en G. Brouwer (hervormd). Drs. M. A. de Ronde schrijft een artikel over het leiding geven in kerkelijke conflictsituaties, terwijl prof dr. W. ter Horst i s hekkensluiter enige pedagogische gedachten verwoordt over “De rol van de opvoeding van een open houding ten aanzien van andersdenkenden”. Ik denk dat vooral de bijdrage van drs. A. A. van der Schans het nodige stof zal doen opwaaien. Hij schetst de opkomst van de reformatorische zuil tegen de achtergrond van de ontzuiling, die zich sinds de jaren zestig in de Nederlandse samenleving voltrok. De refo-zuil bood een veilig asiel tegen de vloedgolf van de secularisatie. Van der Schans ziet al aanzetten hiervoor bij ds. G. H. Kersten, die verschillende ‘eigen’ organisaties hielp opzetten, terwijl zowel oud gereformeerden als hervormden -de een vanwege de “breuke Sions”-gedachte de ander vanwege het open vizier naar vaderland en volk- bepaald geen voedingsbodem vormden voor verzuiling. Van der Schans concludeert: „Historisch komt de verzuiling grotendeels uit de Afscheiding en Doleantie voort. Het afgescheiden denken domineerde bij Kuyper, en het afgescheiden denken domineert bij de bevindelijk gereformeerden”.

Drs. Van der Schans signaleert verder dat de Gere formeerde Gemeenten zich steeds meer concentreerden op het eigene., J3e hervormde overtuiging dat de publieke kerk de natie moet vormen, verschilt wezenlijk van de gedachte die in de verschillende Gereformeerde Gemeenten bestaat. Voor hen is dc’christelijke samenleving die van de eigen kring”. De Gereformeerde Gemeenten vervulden daarom steeds meer een spilfunctie in de uitbouw van de reformatorische zuil. Ook het Reformatorisch Dagblad (1971) betekende een krachtige impuls tot verdere zuil vorming. De hervormden zitten volgens Van der Schans in de reformatorische zuil voortdurend klem.

Isolationisme

De stelling van Van der Schans luidt kort samengevat dat de Gereformeerde Gemeenten in toenemende mate de consensus en eenheid hebben nagestreefd in het kerkelijk leven, terwijl de nadruk op het eigene geleid heeft tot een toenemend isolationisme. Hij staaft dat aan de hand van de afwijzing van diverse interkerkelijke organisaties en conferenties (zoals de Haamstede-conferentie), een kritische(r) houding ten opzichte van de Nederlandse Hervormde Kerk, waarbij deze kerk niet meer is dan een van de kerkelijke denominaties. Drs. Van der Schans haalt in zijn bijdrage nogal wat naar voren. Het zou goed zijn als er vanuit de Gereformeerde Gemeenten een passende reactie kwam op datgene wat hij meent te constateren.

Zelfkritiek

Drs. Van der Schans stelt de dingen echter niet om onnodig te prikkelen. Zijn analyse roept juist op tot zelfkritiek. Is er bij ons nog het zicht op de brede verbanden van kerk en volk?, zo is zijn kernprobleem samen te vatten. Hij moet constateren dat de tijdgeest de bevindelijk gereformeerden beïnvloedt en dat het geestelijk leven wegkwijnt. De vreze des Heeren is daarom onmisbaar en de inzet in de huidige omstandigheden kan niet beginnen bij het streven naar kerkelijke eenheid, maar bij het streven naar eenheid in gezindte. Terecht legt hij daar eerst de nadruk op. De bundel geeft genoeg stof tot nadenken en in ieder geval het nodige ‘huiswerk’. Een denker heeft ooit eens gezegd dat de leerling die het eerst roept met het huiswerk klaar te zijn, de slechtste pupil is. Het vraagstuk van de kerkelijke eenheid kan alleen mét elkaar tot een oplossing komen. Het Appèl van 1970 biedt daarvoor nog steeds een goede handreiking. Want ook daarin distantieerde men zich van een “onheilig eenheidsdringen”, gebaseerd op puur wereldse argumenten. Het besef dat we elkaar nodig hebben in de vloedgolf van ontkerstening en de noodzaak de krachten te bundelen, zoals het Appèl verwoordt, zijn even actueel als destijds. En laten we vooral het gebed om de werking van de Heilige Geest ter wille van de eenheid niet vergeten.

N.a.v. “Het brood dat wij breken; Om de eenheid van een verdeelde kerk”, door prof. dr. A. van de Beek e.a.; uitg. Boekencentrum, Zoetermeer, 1996; 176 blz.; ƒ 29,90 (ledenprijs CSFR: ƒ 18,-).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

CSFR-Iustrumbundel: „Afgescheiden denken stempelt refo-zuil”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1996

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken