Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Droefheid naar God of droefheid der wereld?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Droefheid naar God of droefheid der wereld?

5 minuten leestijd

„Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood”7.

2 Korinthe 7:10

Wij zijn allen op reis naar een nimmereindlgende eeuwigheid. Daarbij zijn er slechts twee wegen waarop een mens zich kan bevinden: de weg ten leven of de weg ten dode. Eeuwige zaligheid of eeuwige rampzaligheid. Voonvaar, een huiveringwekkend verschil! En wat een dwaasheid, als we ons er dan geen zorgen over zouden maken, waar onze eigen weg eens zal eindigen. O, onderzoeken wij ons toch nauw, ja zeer nauw! Op welke weg bevinden wij ons?

Paulus wil ons helpen het antwoord te vinden op die kardinale vraag. Hij noemt hier zeer wezenlijke kenmerken van hen die zich op een van deze beide wegen bevinden. Welke droefheid kennen zij? Droefheid naar God of droefheid der wereld? En wat Is het resultaat van die droefheid? Een onberouwelijke bekering of een verder wandelen op de weg ten dode?

Ach, in dit aardse tranendal leert leder mens wel droefheid kennen, de gebrokenheid van ons bestaan sinds de zondeval geeft daar steeds weer aanleiding toe. Enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. Moeite en verdriet kennen zij belden. Met de gevolgen van de zonde worden ze beiden geconfronteerd. Ook de wereldling kent daar droefheid over. De ene droefheid Is echter de andere niet; de Schrift spreekt over een droefheid naar God en een droefheid der wereld. Paulus separeert hier daarom scherp tussen die twee soorten droefheid. De ene werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid, de andere de dood, de eeuwige dood, de rampzaligheid. Droefheid, ja zelfs een droefheid over de gevolgen van de zonde. Is dus nog lang niet altijd droefheid naar God. De tranen van de droefheid der wereld worden vergoten om wat ons hier wedervaart en om wat wij hier op aarde missen. Ach, zulke tranen kunnen wel gedroogd worden met aardse dingen, met een keer ten goede In ons aardse bestaan. Zo lezen we In de Schrift: dat Rachel dodelijk bedroefd was omdat zij geen kinderen had; geef haar kinderen, en zij zal niet langer bedroefd zijn! Ja, geef de natuurlijke mens wat hij mist, en zijn droefheid Is over! Ook Job op zijn mestvaalt miste ontzettend veel, zijn kinderen, zijn rijkdommen en zijn gezondheid. Hem horen we ook bitter klagen. Maar wat was nu zijn grootste klacht? Hij verzuchtte: „Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft In de nacht?” Geef Job weer kinderen, rijkdom en gezondheid, dan nog zal hij God missen, want de droefheid naar God kent een gemisdat alleen door God Zelf vervuld kan worden. Beloof zulke bedroefden zelfs een veilig geleide naar het hemelse Kanaan; en ze zullen toch met Mozes zeggen, als ze daar zonder de HEERE naar toe zouden moeten trekken: „Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken”. Want voor niets ter wereld zouden ze God willen missen.

Kennen wij deze droefheid naar God? Hongeren en dorsten wij naar de gerechtigheid omdat we hartelijk bedroefd zijn over de smaadheid die wij God aandoen met onze zonden? Het is niet gemakkelijk om voor onszelf deze vragen eerlijk te beantwoorden! Of we werkelijk deze droefheid naar God kennen, zal dat niet vooral blijken uit de vruchten? Paulus leert ons hier Immers dat het resultaat een onberouwelijke bekering zal zijn! Als dat waarheid In ons leven Is geworden, dan hebben we de zonde leren haten en vlieden en kennen we daarvoor in de plaats nu een lust en liefde om naar al Gods geboden te leven. Zulken zullen zich daarom haasten om stad Verderf te verlaten. En dat niet eens in de eerste plaats om het oordeel, dat zeker over stad Verderf komen zal, maar vooral omdat ze daar zonder de HEERE zouden moeten leven, en Hem daar niet dienen kunnen naar Zijn Woord. Daarom wil men daar ook zelfs voor al het ruim genot der wereld niet meer terugkeren, want hun God Is het zo waard gediend te worden, en om Hemzelf Is het zulken te doen. Dat volk verkeert liever met God in de woestijn dan zonder God bij de vleespotten van Egypte. Bent u al een vriend en metgezel van dat volk?

Ach, was er maar meer droefheid naar God, zou er dan ook niet meer blijdschap in God zijn? Wat hier met tranen wordt gezaaid, zal dan Immers met blijdschap worden gemaald. Deze droefheid zal immers uitlopen op zaligheid, zegt Paulus. Waarom? Op grond van onze droefheid? Omdat ons hart voldoende verbroken was? Omdat we onze ellende voldoende leerden kennen? Of omdat we nu zo bekeerd zijn? Neen, dat zijn welisvraar vruchten, vruchten die er zeker zijn moeten, maar die toch nooit de grond der zaligheid kunnen zijn. Daar Is slechts één grond voor de zaligheid van Gods volk. En dat Is, dat er een Zaligmaker Is, Die de rampzaligheid der Zijnen wilde dragen en hen weer verzoent met God! En als dan onze oude mens, waarmee wij de HEERE zo bedroeven, met Hem gekruisigd mag worden, dan mag er ook uitzicht op ontstaan dat éénmaal al die tranen van onze ogen afgewist zullen worden die nu nog In droefheid naar God geschreid worden. Wat een blij vooruitzicht voor Gods volk! In Zijn Koninkrijk zullen ze Hem nooit meer bedroeven en zullen ze Hem nooit meer missen.

Als er dan echt droefheid naar God Is; als het ons dan werkelijk gaat om de HEERE Zelf, en we smartelijk zijn gemeenschap missen; o, zal dan ons hart niet uitgaan naar die Immanuël, Die ons met God verzoenen kan en wil! Hij Die zelfs de oorzaak van onze droefheid naar God, namelijk de zonde, vernielen wil. O, zult u dan niet met Paulus verzuchten: „Dat Ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding… of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden”.

Ds. W. van Benthem, Genemuiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Droefheid naar God of droefheid der wereld?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken