Bekijk het origineel

Klein en eenzaam maar met gezag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Klein en eenzaam maar met gezag

12 minuten leestijd

Zijn politieke zwanenzang klonli gistermorgen in het Straatsburgse Palais de l’Europe. Na een ambtsperiode van dertien jaar heeft ir. L. van der Waal (SGP/RPF/GPV) afscheid genomen als europarlementariër. Nuchter blikt hij terug op deze tijd die hem veel voldoening schonk, al was zijn invloed gering. Centraal stond steeds de vraag „op welke manier wij een bijbels genormeerde politiek tot gelding kunnen brengen. Want daar gaat het uiteindelijk om”.

Het leek een vergaderweek als alle andere te worden, met veel bijeenkomsten en enkele bijdragen aan de debatten. Bijzonder was wel dat een delegatie van het hoofdbestuur van de SGP speciaal voor “de gelegenheid naar Straatsburg afreisde. Ook mevrouw Van der Waal en zoon “Gerard waren meegereisd, deze laatste keer. En de reis ging in tegenstelling tot ;talloze eerdere malen nu per auto. Maar verder leek niets Van der Waals vertrek in het bijzonder te zullen markeren. Dat was ook conform zijn eigen wens. Zo had hij nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij van toespraakjes verschoond hoopte te blijven.

De Nederlandse ambassadeur bij de Europese Unie, dr. B. R. Bot, en zijn dertig Nederlandse collega’s in het Europees Parlement dachten daar echter anders over. Met steun van minister Jorritsima van verkeer zorgde Bot ervoor dat Van der Waal dinsdagmiddag tot ridder in de Orde van Oranje Nassau werd benoemd. En oud-minister mevrouw MaijWeggen zei tijdens de afscheidsreceptie woensdagavond dat zijn collega’s hem ;„niet zomaar met een hapje en een drankje wilden uitzwaaien”.

Mevrouw Maij sprak daarom toch een korte speech uit waarin zij de scheidende Van der Waal typeerde als „de SGP’er die zijn collega’s, als die wat te bevlogen van een verenigd Europa droomden, met beide bénen in de Nederlandse polder neerzette”. Namens hen allen betuigde mevrouw Maij hem „hun buitengewone ‘respect voor de werklust en deskundigheid” van Van der Waal, „zoals ik die ook bij de kleine christelijke fracties in de Tweede Kamer heb gezien”. Maij wilde niemand tekortdoen, maar zij herinnerde zich dat zij als minister van verkeer geregeld had moeten vaststellen dat Van der Waal op zijn specialisatie -verkeer en vervoer- tot „een van de allerbesten” behoorde.

Van der Waal heeft zich nooit geprofileerd als de vertegenwoordiger van „een exclusief klein groepje”, zei Maij nog. Maar over Van der Waals levensovertuiging heeft nooit enige onduidelijkheid bestaan. Daarover zei Bot tijdens diens speech iets opmerkelijks. „Tijdens diplomatieke diners hoeft Van der Waal nooit om stilte te vragen voor het gebed. Zoals ik zelf mocht ervaren toen hij voor de eerste keer bij mij thuis was, wordt er automatisch om stilte gevraagd”.

Nuchter

Ondanks al deze aandacht voor zijn vertrek is Van der Waal (1928) deze week niet overvallen door gevoelens van weemoed. „Ik bekijk het nuchter. Mijn . werk is niet af, ik breek het zelf af. Het Europees Parlement heeft mij dertien jaar lang verschrikkelijk in beslag geno: men. Maar ik besef heel goed dat de eigen dynamiek van dit werk na mijn vertrek gewoon doorgaat. Als ik nu niet was vertrokken, zou dat moment wel bij de verkiezingen van 1999 zijn aangebroken, wanneer ik bij leven en welzijn dg zeventig gepasseerd zal zijn. Ik denk wel dat er de eerste periode een leegte zal zijn. Maar ik ben tegelijkertijd niet bang dat het een probleem zal zijn om die ruimte zinvol op te vullen”.

Wanneer Van der Waal wordt gevraagd naar een evaluatie van de afgelopen periode, wijst hij op de enorme ontwikkeling die de Europese integratie heeft doorgemaakt. „Wat begon als economische samenwerking in de vorm, van een gemeenschappelijk landbouwbeleid is uitgegroeid tot één grote markt zonder binnengrenzen. Dat is gepaard gegaan met een verregaande concentratie van bevoegdheden bij de Europese instellingen. De lidstaten hebben op dit gebied een groot gedeelte van hun soevereiniteit verloren. De Europese regelgeving is daardoor veel meer bepalend voor de nationale wetgeving geworden dan we ons bewust zijn. De goedkeuring van Brussel is nodig voor alle maatregelen die de vrije concurrentie op de interne markt raken”.

„In dat opzicht”, aldus Van der Waal, „is de economische integratie veel verder gegaan dan wij ons in 1984, toen ik lid werd van het Europees Parlement, hadden voorgesteld. Volgens onze fractie zijn er veel te veel terreinen en taken aan de Europese instellingen overgedragen. Wij hebben ons daar altijd tegen verzet. Ook tegen de eenzijdige economische groei, waardoor de sociale kwestie en het milieu binnen de lidstaten onder druk is komen te staan”.

Van der Waal tekent echter aan, en dat voor het eerst, dat ook de discussie over de interne markt eigenlijk steeds ingewikkelder wordt, ook principieel gezien. „Wij zijn tot het inzicht gekomen dat er niet aan valt te ontkomen dat bij een Europese Unie die inmiddels tot vijftien lidstaten is uitgegroeid, een aantal terreinen via supranationale wetgeving moet worden geregeld. Het probleem is dat de politieke hoofdstroom zich nog altijd laat leiden door het ideaal van Europese eenwording, terwijl wij ons uitgangspunt blijven kiezen in het voortbestaan van zelfstandige lidstaten”.

„In de eerste benadering roept de ene stap dwangmatig de volgende op. Wie een economische ruimte realiseert, moet ook gaan nadenken over de harmonisatie van delen van het sociaal en economisch beleid. Wie de binnengrenzen opheft, ook voor het personenverkeer, moet bedenken dat de internationale criminaliteit en drugshandel een gemeenschappelijk probleem worden. De fronten waarop wij strijden, verplaatsen zich hierdoor. Een uitgesproken voorbeeld daarvan is de euro. De invoering van deze eenheidsmunt zal een ingrijpende aanslag zijn op de nationale soevereiniteit en een grote verdere stap naar eenwording. Tegen die gevolgen richt zich ons verzet nu”.

Minderheid

Behalve aan de zaken van de interne markt heeft Van der Waal veel aandacht geschonken aan kwesties die directe levensbeschouwelijke aspecten hebben. Van der Waal erkent dat zijn invloed hier „klein” is geweest. „Voor de concrete doorwerking van je idealen in wet- en regelgeving is het verwerven van een meerderheid nodig en de eurofractie van SGP/GPV/RPF vertegenwoordigt slechts een kleine minderheid”. Dat laat echter onverlet ‘dat Van der Waal er zowel in commissies als in het Parlement in is geslaagd amendementen aangenomen te krijgen. Hij noemt met name het verzet dat hij met andere politieke groeperingen heeft aangetekend tegen een uitspraak van het Europese Hof van Justitie. Dat bepaalde dat de wekelijkse rustdag niet per se met de zondag hoefde samen te vallen.

„Maar directe debatten over principes komen in het Europees parlement nauwelijks voor. De politieke gedachtenwisseling is daar alleen organisatorisch al een probleem vanwege de vijftien nationahteiten en de elf talen waarvan zij zich bedienen. In Straatsburg tref je bovendien hetzelfde aan als in Den Haag: men staat tolerant tegenover allerlei opvattingen maar beschouwt het christelijk geloof verder als een zaak voor het privéleven, zonder normerende betekenis voor de samenleving”.

Behalve over onderwerpen als de ethische toetsing van ontwikkelingen in de biotechnologie, de bescherming van het leven en het gezinsbeleid heeft Van der Waal zich vooral druk gemaakt tijdens discussies over de mensenrechten. Daarvoor bestaat in het Europees Parlement traditioneel veel belangstelling, overtuigd als vele volksvertegenwoordigers zijn van de waardigheid van de mens. Van der Waal leverde zijn bijdragen vanuit de bijbelse notie van de lichamelijke en geestelijke integriteit van de mens. Hij vroeg vooral aandacht voor de positie van christelijke minderheden in Midden- en Oost-Europese landen en voor het lot van individuele christenen in islamitische landen.

Onlangs nog bracht Van der Waal een persoonlijk bezoek aan de Nederlandse eurocommissaris Van den Broek. Hij overhandigde de ex-minister een uitgebreide notitie over kleine christelijke groepen die in landen als Roemenië, Bulgarije en Slowakije worden achtergesteld. Nu deze landen onderhandelingen over toetreding tot de Europese Unie gaan beginnen en zij zich economisch en staatkundig aan het hervormen zijn, vond Van der Waal dat hij deze zaak nadrukkelijk aan de orde moest stellen. „Van den Broek heeft ons toegezegd dat hij de kwestie van de christelijke minderheden regelmatig aan de orde zal stellen. Hun rechtsbescherming zal een belangrijk toetsingspunt bij de onderhandelingen zijn. Hij heeft me ook gevraagd hem eventuele concrete knelpunten te melden zodat hij daar wat aan kan doen”.

Achterban

Ook over de toekomst van Europa wijken de opvattingen van Van der Waal duidelijk af van die van zijn Straatsburgse collega’s. Hij proeft in het Europees Parlement nog altijd veel steun voor de oude gedachte van één groot federaal, supranationaal Europa. „Maar wij zeggen, en blijven zeggen, dat de Europese Unie een verband van zelfstandig blijvende naties moet zijn. Wij leveren onze bijdrage aan de Europese politiek in verbondenheid met de geschiedenis van ons eigen land. Ieder land- moet zijn eigen karakter kunnen bewaren en de besluiten moeten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen. Trouwens, hoe is een Europa met deze concentratie van be”voegdheden straks- centraal te besturen wanneer de Unie uit 24, onderling zeer verscheiden lidstaten zal bestaan? Er bestaan genoeg redenen om tegen zo’n concentratie een bijbels gefundeerde argwaan te koesteren.

We zien ook dat dit toekomstperspectief evenmin bij de Europese burger leeft. Gevoelsmatig beleeft men het integratieproces als iets dwangmatigs en bedreigends”.

„Al accepteert de grote meerderheid onze politieke visie op Europa niet, toch zien we dat ook anderen hun standpunten gaan nuanceren. In sommige opzichten heb ik mijn positie wel eens als eenzaam ervaren, al zijn de verhoudingen met de collega’s altijd heel goed geweest. Als kleine fractie moet je niet te hoog van de toren blazen. Maar met een goed beargumenteerd betoog kun je wel met gezag spreken. En zo heb ik dat ook ervaren. Dan wordt er best naar je geluisterd. En daarom moeten we ons geluid ook laten horen”.

Zijn werk heeft Van der Waal niet als eenzaam ervaren omdat het hem aan steun vanuit zijn eigen achterban zou hebben ontbroken. „Er zijn wel eens berichten dat ik te weinig erkenning zou hebben gekregen, maar mijn eigen ervaring is dat ik mijn boodschap altijd goed kwijt kon als ik het land inging en voor kiesverenigingen sprak. Slechts een enkeling vroeg zich hardop af wat een SGP’er nou toch in Straatsburg had te zoeken”.

Ook door het hoofdbestuur van de SGP heeft Van der Waal zich altijd gesteund gevoeld, „al had ‘Europa’ misschien niet voor alle bestuursleden de hoogste prioriteit”. Van der Waal verwacht dat het hoofdbestuur van de SGP die steun ook na zijn vertrek zal blijven geven. Hij hoopt dat „er oplossingen zullen worden gevonden voor eventuele problemen bij het opstellen van een, gemeenschappelijke lijst. Iedereen kent de gevoeligheden die daar in het geding zijn”.

Weerbaarheid

Op een eenzame post als Straatsburg is geestelijke weerbaarheid van het grootste belang. Van der Waal verwijst daarvoor naar het belang van zijn wekelijkse kerkgang. En hij benadrukt zijn vorming binnen de CSFR, waarvan hij de beginjaren tijdens zijn studietijd in Delft (1946-1953) heeft meegemaakt. Vragen die thuis aan de Ridderkerkse Lagendijk niet aan de orde waren gekomen, drongen zich daar nadrukkelijk op. „We waren met een groepje studenten die allen met dezelfde geestelijke achtergrond en met dezelfde bagage waren gaan studeren. Hoe bepalen wij onze kerkelijke, politieke en maatschappelijke positie?, was de kwestie waarover wij veel met elkaar spraken”.

Behalve Calvijn en Groen van Prinsterer is de Utrechtse theoloog Van RuIer voor Van der Waal van vormende betekenis geweest. „Hij heeft ons geholpen om het gedachtengoed van de SGP zoals we dat van huis uit hadden meegekregen, te doordenken. De kerk heeft een profetische roeping naar volk en overheid. God regeert deze wereld. En de christelijke politiek richt zich op een samenleving waarin de wet van God erkenning vindt”.

Als zoon van een Ridderkerkse tuinder die via verantwoordelijke functies bij Esso (1955-1984) uiteindelijk -„omdat het leven meer is dan techniek”- in het Europees Parlement belandde, is Van der Waal een typische representant van de emancipatie van de gereformeerde gezindte. Van der Waal waardeert die positief. „De verticale mobiliteit heeft een enorme vlucht genomen. Dat is een maatschappelijke ontwikkeling waaraan wij ons al lang niet meer kunnen onttrekken. Die biedt ons de kans om verantwoordelijke posities in te nemen waarin wij onze overtuiging kunnen laten doorkhnken”.

Zo heeft Van der Waal ook leren zien dat het in de politiek niet gaat om het krampachtig bewaren van het eigene. „Als onze eigen organisaties doelen in. zichzelf worden, moeten we de betekenis van al die verbanden hoognodig eens relativeren. Die zijn van belang voor de interne bezinning en toerusting, maar we mogen ons er niet in opsluiten. Het gaat niet om het eigen volk maar om het gehele volk”.

Wortels

Nu Van der Waal afscheid heeft genomen van de hectiek van Straatsburg, breekt er een periode aan met meer vrije tijd. Hij hoopt die onder andere te gebruiken voor „een persoonlijke bezinning op de geestelijke wortels van het proces van Europese integratie. Een gedachte die me bezighoudt is de vraag waarom de opvattingen over het Europese eenheidsstreven zo uiteenlopen”.

„Dat streven is volgens mij niet los te zien van een geloof in vooruitgang en in de goedheid van de mens, het geloof dat de niensheid de mogelijkheden heeft een betere wereld te bouwen. De Bijbel leert, en de politieke werkelijkheid bevestigt dat, dat de machten van het kwaad in de mens zelf schuilen en dat we die niet overwinnen met het veranderen van structuren of kunstmatige staatkundige constructies”.

„Mijn vriend Sir Fred Catherwood (schoonzoon van de bekende predikant Lloyd-Jones en jarenlang europarlementariër) waardeerde echter de Europese integratie positief als de afbraak van het nationalisme en de creatie van nieuwe mogelijkheden voor het protestantisme in bijvoorbeeld Spanje en Griekenland. En dat is natuurlijk de grote vraag: waarmee wordt de voortgang van het Evangelie het meest gediend? Hoe dit zij, wij zijn ervan overtuigd dat wij in dit oplicht weinig te verwachten hebben van een seculariserend Europa dat sterk door machts- en welvaartsstreven wordt gemotiveerd”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juli 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Klein en eenzaam maar met gezag

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juli 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken