Bekijk het origineel

Lübecks echo van een rijk verleden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Lübecks echo van een rijk verleden

De Buddenbrooks, fictie op de rand van de werkelijkheid

10 minuten leestijd

„Antonia Buddenbrook, voor wie de witkiel Matthiesen diep zijn ruige hoge hoed afnam, en die als dochter van consul Buddenbrook als een kleine heerseres door de stad liep, was doordrongen van de historie van haar familie”, aldus een fragment uit “De Buddenbrooks”. Thomas Mann beschrijft in deze lijvige roman de óndergang van een Noord-Duitse patriciërsfamilie in vier generaties. Het negentiende-eeuwse Lübeck is getuige van de bloei en het verval van de firma Johann Buddenbrook.

In het noorden van Duitsland, niet ver van de Oostzee, ligt Lübeck. “Koningin van de Hanze”, luidt een oude benaming waarop de stad met trots kan bogen. De rivier Trave is de waterarm die de stad toegang geeft tot de de rijkdommen overzee. In de verschillende havens die de stad omarmen lagen de schepen zij aan zij afgemeerd die het geld binnenbrachten om massieve poorten, bakstenen kerken en voorname huizen te bouwen.’ ‘’’

„Hij begon zijn zoon een beetje wegwijs te maken op het terrein van zijn toekomstige werkzaamheden, hij nam hem mee op inspectietochten naar de haven en liet hem erbij staan als hij op de kade met de bootwerkers in een mengsel van Deens en Platduits gesprekken hield, in de kleine, donkere kantoortjes van de pakhuizen met de chefs confereerde of buiten bevelen gaf aan de werklieden, die met holle en langgerekte uitroepen de graanzakken ophesen naar de zolders... Voor Thomas Buddenbrook zelf was dit wereldje aan de haven, tussen schepen, loodsen en pakhuizen, waar het naar boter, vis, water, teer, ijzer en smeerolie rook, van jongs af a.an de .liefste en interessantste plek geweest”, beschrijft Mann de gevoelens van een van de hoofdpersonen uit zijn roman.

Poort

Thomas is de kleinzoon van Johann en zoon van Jean Buddenbrook. Thomas zal de firma, die onder zijn onbekommerde, levenslustige grootvader nog in opkomst leek te zijn, nog eenmaal doen opvlammen. Zijn muzikaal begaafde, maar lichamelijk zwakke en futloze zoon Hanno zal het bedrijf niet voortzstten. Al een tijdlang voor zijn overlijden aan de gevolgen van tyfus wekt de naam “Buddenbrooks” niet meer het respect op waarop een welvarend handelsgeslacht in Lübeck normaal gesproken mag rekenen.

Voor de latere winnaar van de Nobel prijs voor de literatuur Thomas Mann is het sombere verhaal van De Buddenbrooks echter het begin van de weg tot beroemdheid, niet alleen in zijn geboortestad, maar tot ver daarbuiten. Nadat in 1901 de eerste druk verscheen, is het werk inmiddels in meer dan dertig talen verkrijgbaar. In Duitsland alleen al rolden tot heden zo’n vijf miljoen exemplaren van de pers. Het boek vertelt niet alleen het verval van een familie. „Het is een literair portret van een teloorgegane Europese klasse en cultuur”, stelt Ingwer Seelhoff in de brochure “Hansestad Lübeck”. Een van de vele “klassenen culturen” die de stad heeft geherbergd.

Onder de plompe, voor het oog enigszins hellende, Holstenpoort kwamen eens boeren en andere buitenlui de stad binnen. Nu is de toegang tot Lübeck niet meer dóór maar langs de poort. Een onafgebroken stroom auto’s ronkt links en rechts om het bolwerk heen. Toeristen laten zich onder een wat heiige lucht, waartegen de twee massieve torens op dé achtergrond goedmoedig afsteken, fotograferen. De grandeur van de hanzekoningin is niet verbleekt, hoewel van de vroegere macht nog slechts de herinnering rust.

Zomerhemel

Eenmaal onder de poort door, ligt de binnenstad in alle richtingen open. Rechtdoor leidt de weg naar de binnenstad. Rechts voert An der Obertrave langs de Stad-Trave. Eigenaren van rondvaartboten doen er goede zaken. Links voert An der Untertrave, de andere kade, naar de havens. De bedrijvigheid die er vroeger heerste, heeft zich verplaatst naar buiten de stad. Tussen de in onbruik geraakte havenspoorlijnen gedijt het onkruid. Zand en vuil vullen de ruimte tussen de verzakte rails. Vervallen pakhuizen staan overeind als bewijs van voorbije glorie.

„Maar hij begaf zich niet ter ruste, doch hernam zijn wandeling. Hij dacht aan de zakken vol tarwe, rogge, haver en gerst, die de zolders van zijn pakhuizen, de “Leeuw”, de “Walvis”, de “Eik” en de “Linde” zouden vullen...”, schrijft Mann in De Buddenbrooks.

Geen Buddenbrook zal ooit, zoals in 1835, ongerust voor het raam staan of de “Wullenwever” vanuit Riga via Travemünde opnieuw veilig de haven zal binnenlopen. Ook geen bedrijfsjubileum meer, zoals het honderdjarige in 1868: „Onder de diepblauwe zomerhemel wapperden de tweekleurige vlaggen van alle huizen, tot aan de haven, waar de “Wullenwever” en de “Friederika Oeverdieck” ter ere van hun reder waren gepavoiseerd”.

De vier generaties Buddenbrook hoefden niet ver te lopen voordat zij bij het water kwamen. Het huis dat Johann Buddenbrook aanschafte, staat aan de Mengstrasse 4, een licht oplopende straat met voorname huizen. „Is dat een reis door dat hele huis van jou!”, roept een bezoeker bewonderend uit bij het feest dat de oude zakenman ter gelegenheid van de ingebruikname geeft.

Zakenleven

Waarbij, moet worden vermeld dat Mann het kennelijk nodig achtte diverse romanpersonen grof woordgebruik in de mond te leggen. Van een andere houding getuigt het “Dominus Providebit 1758”, dat met sierlijke letters boven de voorgevel staat geschreven. De Buddenbrooks liepen dagelijks onder deze tekst door, maar toonden een onmiskenbare geneigdheid liever zelf vorm en richting aan hun leven te geven.

De Buddenbrooks zullen uiteindelijk het huis verkopen, aan hun zakelijke rivalen bovendien. Vooral Thomas’ zus Tony, inmiddels gescheiden van haar eerste echtgenoot, Grünlich, en tweede echtgenoot, Permaneder, valt het zwaar te moeten onderhandelen met de rijke Hermann Hagenström. Deze succesvolle telg uit een familie van nieuwkomers in het Lübeckse zakenleven is de Buddenbrooks voorbijgestreefd, en dat doet zeer.

„Kortom, het ging hem goed. En dan begon hij weer over de uitbreiding van de familie en het gebrek aan ruimte in het huis...”. „Ja, dit hier, dat is iets anders!”, zei hij. „Dat heb ik al op weg hierheen kunnen zien - het huis is een parel, een parel, ongetwijfeld, tenminste als de vergelijking bij deze afmetingen houdbaar is, ha ha! Alleen al de wandbekleding hier... Ik moet u bekennen, mevrouw, terwijl ik aan het praten ben, kijk ik er voortdurend met bewondering naar. Effectief een charmante kamer! Wanneer ik bedenk - dat u tot hier tot nu toe uw leven heeft mogen doorbrengen...”.

Koren

Consul Hagenström had het bij het rechte eind. Het huis staat erbij alsof het er altijd al is geweest en nog een onafzienbare reeks jaren zal staan. Hoe betrekkelijk dat is, heeft de Tweede Wereldoorlog aangetoond. In 1942 zetten geallieerde bommenwerpers de stad in brand. Van het huis in de Mengstrasse bleef alleen de gevel overeind. Na de oorlog kreeg het pand zijn oude luister terug. Sinds 1991 is het bezit in de handen van het stadsbestuur overgegaan. Het doet nu dienst als “Buddenbrookshuis”, naar de roman waaraan het zijn bekendheid heeft te danken.

Een maquette laat zien hoe diep het huis is. Mann: „De equipage sloeg de Mengstraat in en de zware paarden stonden snuivend en stampend voor het huis van de familie Buddenbrook. Thomas hielp zijn zuster attent bij het uitstappen, terwijl Anton en Lina toeschoten om de koffer van het rijtuig te tillen. Maar ze moesten wachten voordat ze naar binnen konden gaan. Drie kolossale vrachtwagens schoven vlak achter elkaar de grote deur door, volgeladen met zakken graan, waarop in brede letters de naam “Johann Buddenbrook” te lezen stond. Met grof tegen de muur weerkaatsend lawaai waggelden ze over de grote binnenplaats met zijn vlakke treden. Een deel van het koren zou wel in het achterhuis worden opgeslagen...”.

Advertentie

Ruim tienduizend bezoekers bekijken jaarlijks de uitstalling in het gebouw over de gebroeders Thomas en Heinrich Mann. Fragmenten uit leven en werk van beide literatoren, video’s en andere activiteiten houden de herinnering aan de grote plaatsgenoten levend.

De tentoonstelling laat ook zien waaraan Thomas Mann zijn inspiratie voor De Buddenbrooks ontleende. Want direct na de verschijning gingen de Lübeckers ijverig na wie de romanfiguren in werkelijkheid moesten voorstellen. Hoewel Mann het werk nadrukkelijk als fictie presenteerde, slaagden zijn stadsgenoten er gemakkelijk onmiskenbaar in duidelijk zichtbai-e lijnen naar de toenmalige werkelijkheid te trekken.

Oom Wilhelm Leberecht Mann, woonachtig in Hamburg, kwam tot de pijnlijke ontdekking dat hij een van neef Thomas’ tijdgenoten was die een plaatsje hadden gekregen in het boek. Pijnlijk, want de rol van Thomas Buddenbrook losbollige, rare tweelingbroer Christian, die hem kennelijk was toegedicht, zinde hem allerminst. In verschillende kranten liet oom Wilhelm een advertentie plaatsen waarin hij de overeenkomst tussen Christian en hem met kracht afwees. Wat de zaak alleen maar erger maakte.

Arcaden

Tegenover het Buddenbrooks-huis staat de machtige gotische Mariakerk. De tweelingtorens bewaken de oude binnenstad. De klokken die in De Buddenbrooks zo vrolijk “bing-bang-boeng” luidden, vielen tijdens het paasbombardement van 1942 dwars door het kerkdak heen. Ook het majestueuze kerkorgel, waarop Hanno heel soms mocht spelen, heeft een opvolger gekregen.

„Soms ook mocht de kleine Buddenbrook ‘s zondags de dienst in de Mariakerk boven op het orgel bijwonen, en dat was iets heel anders dan beneden tussen de mensen in het schip te zitten. Hoog boven de gemeente, nog hoger ook dan dominee Pringsheim op zijn kansel, zaten de twee te midden van de branding van de geweldige klankmassa’s, die ze samen ontketenden en beheersten, want met gelukkige ijver en trots mocht Hanno zijn leraar vaak behulpzaam zijn met het bedienen van de registers”, beschrijft Thomas Mann het geluk van de laatste mannelijke Buddenbrook - die overigens van alle romanfiguren nog het meest op hemzelf leek.

Van de Mariakerk -een van de vele in de stad- is het niet ver lopen naar het stadshart, bij het “raadhuis met het ajourwerk van zijn gevel van geglazuurde tegels, zijn spitse torens en torentjes, zijn op vooruitgeschoven zuilen rustende overdekte toegangstrap, zijn puntige arcaden, die een doorkijk bieden op het marktplein met zijn fontein” - in de woorden van Mann. Zelfs de Italiaanse orgeldraaier staat er nog, precies zoals het 150 jaar geleden moet zijn geweest. De junks zijn van recenter datum. In de portieken houden alcoholisten zich onledig. Een winkelende massa verdringt zich voor de kraampjes. De terrasjes zitten vol. „ „

Kurhaus

De andere kant op leidt de Bredestraat naar de Burchtstraat, en via de Burchtpoort buiten het historische stadsgedeelte, dat overigens op de Unesco-lijst van werelderfgoed staat. Nu zet de stad zich gewoon voort in rijen flats, tankstations, winkels, hotels, kantoren, woningen. Maar toen stond er menige „luxueus ingerichte villa met uitgebreide bijgebou- wen, personeelswoningen en koetshui-: zen en de geweldige grote vruchten-, ; moes- en bloementuin, die schuin afliep : tot aan de rivier de Trave”.

De Burchtpoort, minder bekend, maar haast even eerbiedwaardig als de Holstenpoort, is de toegang naar het noorden. Niet ver van Lübeck ligt de badplaats Travemünde. In De Buddenbrooks heet het: „Naar Travemünde gaat het steeds rechtuit, met het veer over het water en dan weer rechtuit”. Het veer daar- gelaten, is deze eenvoudige routebeschrijving ook nu nog juist. De rijke inwoners van de stad togen elke zomer kilometers “immer geradeaus” om in de gezonde zeelucht op adem te komen.

De badplaats spreidt ruim honderd jaar na dato dezelfde sjiekheid ten toon. Eigenlijk kan zelfs de ellendig hoge flat -type “goed onderhouden, mooi uitzicht,. op plm. 5 min. lopen van het strand”-, ; die kennelijk aan de aandacht van de plaatselijke schoonheidscommissie is ontsnapt, in het beeld worden ingepast. Aan het blinkend witte Kurhaus is in de \ loop van de jaren hier en daar wat bijge-! bouwd, waaronder een “Buddenbrooks- j restaurant”. 1

Voor toegang tot het strand moet wor- j den betaald. Het ziet er netjes uit. Bad-: gasten die een strandstoel huren, bakenen volgens goede Duitse gewoonte hun territorium pijnlijk nauwkeurig af.

Grote veerboten van de Finse Silja Line vormen tegenwoordig Lübecks ver-: binding met het noorden. Zij liggen in de | Trave afgemeerd. In afwachting van ver-! trek over de Oostzee, die heden en verle- \ den, verzinsel en werkelijkheid verbindt.; Mann: „Ze strekte zich uit, de zee, in vrede en ochtendglans, in flesgroene en blauwe, gladde en gekrulde banen...”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Lübecks echo van een rijk verleden

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken