Bekijk het origineel

Geschiedenis niet zien als een wapenarsenaal tot eigen gelijk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Geschiedenis niet zien als een wapenarsenaal tot eigen gelijk

Ad fontes, ad fontem; uitdaging aan reformatorische traditie

9 minuten leestijd

Binnen de reformatorische traditie bestaat nog altijd een grote belangstelling voor het verleden. Het verleden heeft betekenis. De geschiedenis is immers niet zomaar geschiedenis: God is op haar betrokken. Binnen de grote stroom van de heilsgeschiedenis krijgt de geschiedenis van de eigen traditie een bijzondere belangstelling. De studie van de Reformatie, de Nadere Reformatie en de Afscheiding heeft vele beoefenaars en liefhebbers.

Deze belangstelling voor de geschiedenis moet vastgehouden worden. Juist wanneer het binnen de geschiedenis niet meer om echte vragen en problemen gaat, juist wanneer de geschiedenis er niet meer echt toe doet, komt de vraag op wat voor nut het heeft om je met een ‘dood verleden’ bezig te houden. Zonder een traditie waarin de geschiedenis een levend heden is, geldt inderdaad wat de autofabrikant Ford zei: „History is bunk” (geschiedenis is onzin). De geschiedenis wordt dan een curiositeit, of hooguit -zoals nu in het onderwijs- wereldoriëntatie. Tijd teruggebracht tof ruimte.

Gemeenschappelijk

Die belangstelling voor het verleden heeft de reformatorische traditie met de joodse traditie gemeen. De grandioze geleerde rabbijn Adin Steinsalz (1937) verstaat de talmoed als symbool van de joodse geschiedenis en traditie. Geschiedenis en traditie geven een cultuur vleugels, waarmee zij uitstijgt boven het platte vlak van materie als cultuur en macht als politiek. „Geef onze cultuur haar vleugels terug”, zegt Steinsalz dan ook. Zijn hele levenswerk -vooral het vertalen van de talmoed in moderne talen- staat in het teken van dit herleven van de traditie.

Hoewel de belangstelling voor het verleden zoals die binnen de (joodse en) reformatorische traditie leeft een groot goed is, kleven er ook bezwaren aan de wijze waarop binnen deze traditie(s) wordt omgegaan met de geschiedenis. Ik meen dat er hier enkele uitdagingen liggen, waarop niet echt wordt ingegaan. Ik beperk me verder tot de reformatorische traditie.

Mijns inziens spitst het probleem zich dan toe op twee punten. Stellenderwijs zou ik willen zeggen dat in de eerste plaats het verleden te weinig in zijn eigen vreemdheid wordt verstaan, maar te veel als een wapenarsenaal voor het eigen gelijk met betrekking tot de waarheidsvraag. In de tweede plaats zou ik willen stellen dat vele reformatorische historici in twee werelden leven, en niet vanuit een eenheid van geloven en weten, geloven en leven opereren.

De reformatorische omgang met het verleden zou mijns inziens aan kracht kunnen winnen wanneer zij. ten eerste, het verleden in zijn eigenheid zou verstaan en het eigen heden niet zou terugprojecteren in het verleden, en wanneer zij, ten tweede, meer zou uitgaan van een eenheid van geloven en weten. Kortom: niet alleen, echt historisch, „terug naar de bronnen”, maar ook, op consistente wijze, terug naar de Bron: Ad fontes, ad fontem.

Ad fontes

Ad fontes, „terug naar de bronnen”, is een bekend adagium uit de tijd van de zestiende-eeuwse Reformatie. Sommigen verstaan in dit adagium het woord bron zoals de moderne historicus dat verstaat: een getuigenis uit het verleden dat vatbaar is voor historisch onderzoek. Het is echter ahistorisch om dit zestiendeeeuwse gebruik van “bron” zo te verstaan. In de zestiende eeuw betekent het: terugzwemmen langs de troebele kanalen van de rooms-katholieke traditie naar het zuivere bronwater van Gods Woord: een theologische metafoor dus. De zestiendeeeuwse reformatorische belangstelling voor de geschiedenis is in dit licht ook vooral een apologetische belangstelling. De kennis van het verleden is een wapen om een strijd te beslechten: hij wiens opvattingen het dichtst bij de bron zitten en het minst in zijriviertjes vertroebeld zijn, zit het dichtst bij de waarheid.

Toen de moderne geschiedwetenschap ontstond, in een lang proces dat vooral in de late zeventiende, de achttiende en de negentiende eeuw vorm kreeg (ik noem dit proces “de historische revolutie”), heeft het woord bron pas zijn specifieke kritische betekenis gekregen van “historisch getuigenis”. Hier blijkt reeds hoe moeilijk het is om het verleden -in dit geval een woord dat een zeker gebruik kent- te verstaan vanuit het verleden zelf en niet vanuit ons heden en de betekenis die dat begrip daar heeft.

Wie van .na de historische revolutie is, heeft ook geleerd dat his torische kennis geen wapen is in een waarheidsstrijd. Het verleden kan niet geannexeerd worden voor het eigen gelijk, omdat het verleden een eigenheid heeft die a priori verschilt van het heden. De moderne historicus mag niet zomaar herhalen wat de reformatoren deden ten aanzien van het verleden. Wat je de reformatoren niet kunt verwijten, omdat ze van voor de historische revolutie zijn, kun je sommige moderne reformatorische historici en -vooral ook- predikanten wel verwijten.

Ahistorische trekken

Het beroep op de geschiedenis binnen de eigen traditie kan volstrekt ahistorische trekken aannemen. Men komt dit nogal eens tegen binnen de reformatorische traditie. De kerkgeschiedenis van de Middeleeuwen wordt dan de uiterst smalle marge van de geschiedenis van de Kerk die pas met het ontstaan van het eigen kerkverband in achttien- of zelfs negentienzoveel tot het volle licht komt.

„Augustinus geheel van ons” is ahistorisch en leidt slechts tot een Augustinus die van een NoordAfrikaans bisschop tot een gereformeerde ouderling uit de Alblasserwaard wordt.

Ook in het huidige Samen-ópWegdebat kan men staaltjes van een dergelijk ahistorisch denken aantreffen. Voortdurend komt men daar het beroep tegen dat men de zuivere voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk is. Zelfs zo dat er terminologisch een spelletje wordt gespeeld. Sommigen claimen dan de naam Nederlandse Hervormde Kerk als de zaak, en stellen dat naamsverandering gelijk is aan afscheiding. Samen op Weg is in dit licht een voortgaande Afscheiding dan wel voortgaande Doleantie! Behalve dat dit soort argumenten semantisch gezien helemaal niet kan, vergeet men ook dat naam Nederlandse Hervormde dat volgens dit uitgangspunt den Kerk ook niet de ware is. De naam Gereformeerde Kerk zit dan dichter bij de waarheid. Dan zitten de het Kuyperianen dus toch het dichtst bij de bron!

Dergelijke discussies maken duidelijk dat de historische revolutie niet serieus wordt verwerkt in het eigen denken. Het is in dit licht mijn stellige overtuiging dat een goede kennis van deze revolutie een voorwaarde is voor elk gesprek over de eenheid van de Kerk. Tal van discussies kunnen met behulp hiervan aan het licht worden gebracht als schijndiscussies.

Niet zomaar kopiëren

„Terug naar de bronnen” betekent, sinds de historische revolutie en dus los van zijn zestiende eeuwse connotatie: zien dat de zestiende eeuw de twintigste niet is, en dat de twintigste eeuw ook niet is te herleiden tot de zestiende eeuw. Het verleden is niet zonder overschrijffouten te kopiëren. Wat met schapen kan, kan met het verleden niet: het verleden is niet te klonen!

Moet het verleden dan alsnog in het museum worden bijgezet als een (zuiver wetenschappelijke) curiositeit? Nee, zeker niet. Pas vanuit het verstaan van de vreemdheid van het verleden kan het verleden een functie voor het heden krijgen. Het verleden is daarbij niet normatief voor het heden. Verleden en heden hebben beide een eigen historiciteit, een eigen uniek karakter. Beide zijn te verstaan als antwoord op de eigen tijd. Er loopt geen kanaal maar een rivier tussen verleden en heden. Vanuit dit bewustzijn kan men zich -met Huizingageestelijk rekenschap geven van zijn verleden. De geschiedenis is dan geen gefossiliseerd imperatief, maar een levende respons. De bronnen zijn dan inderdaad bronnen, geen stilstaande wateren.

Ad fontem

Historici binnen de moderne reformatorische traditie hebben, vanaf het moment dat zij gingen studeren op de universiteit, kennisgemaakt met de moderne geschiedwetenschap, haar grote aandacht voor de bronnen en de historisch-kritische methode die op de bronnen wordt toegepast. Deze historici hebben ook helemaal geen moeite met deze methode zolang het gaat over algemeen-historische kwesties. Merkwaardig is dat het gebruik van deze historisch-kritische methode halt houdt bij de Schrift. De Schrift moet, als deze methode op zichzelf neutraal is, toch de toets van deze kritiek kunnen weerstaan? Waarom moet de Schrift er dan voor worden afgeschermd? Ik constateer dat hier op inconsistente wijze met de wetenschappelijke methode en haar reikwijdte wordt omgesprongen. Ik verklaar deze inconsistentie historisch en psychologisch: Maar al te vaak is deze methode zelf weer door kwaadwillenden als arsenaal tegen het geloof zelf gehanteerd. De angst voor de consequenties van het toepassen van de historischkritische methode op de Schrift weerhoudt velen, psychologisch, van een kritisch-historisch lezen van zelfs de tittels en jota’s van de Schrift.

Atheïsme

Een andere inconsistentie beweegt zich op het vlak van het aan de historisch-kritische methode inherente methodische atheïsme. De historische revolutie ging gepaard met een uit het zicht verdwijnen van God als Bron van de historische werkelijkheid. Dit was binnen de humanistische traditie het geval, maar dit is ook meer en meer het geval binnen de reformatorische traditie.

Privé gelooft men uiteraard wel dat Gods hand de geschiedenis stuurt. Maar binnen de wetenschap levert men zich volstrekt uit aan het methodische atheïsme. Alleen de bronnen, voorzover ze de kritiek kunnen doorstaan, tellen. Over God als Bron wordt niet gesproken: wel in de kerk, maar niet in de academie. Het enige wat een christen-historicus dan nog onderscheidt van een andere historicus, is zijn themakeuze. Maar tegenwoordig is er bij seculiere historici -denk aan de Annales-traditieook veel belangstelling voor religieuze thema’s. Wat onderscheidt dan Duby van een reformatorische historicus?

Wil men hier niet in genoemde inconsistenties vervallen, dan moet men de moderne cultuur zonder angst en vrezen tegemoet treden, en in discussie gaan over deze vragen. Men moet om de stroom van de eigen traditie en geschiedenis geen dijk leggen, en er een binnenmeer van maken, maar haar over al Gods akkers laten gaan.

Perspectieven

Mijns inziens kan het christelijke geloof de historische revolutie en de natuurwetenschappelijke revolutie ook gemakkelijk aan: deze revoluties bieden zelf juist tal van perspectieven voor een werkelijk terug gaan naar de bronnen én naar ik meen ook voor een teruggaan naar God als Bron van wetenschap en werkelijkheid. Deze revoluties hebben zelfs, veel te maken met de christelijke geloofstraditie - ze zijn niet zonder reden juist daarbinnen ontstaan.

Dit is de uitdaging waarvoor mijns inziens de geschiedenis de reformatorische traditie -en opvallend genoeg ook de joodse traditiestelt. De hele werkelijkheid is als werkelijkheid van God irrmiers geen bedreiging maar uitdaging. Pas wanneer men traditie verstaat als het voortgaand antwoord op steeds andere of veranderende uitdagingen, kan de uil van Minerva echt vleugels krijgen en begint zij niet eerst bij het vallen van de avond te vliegen, maar vliegt zij ook de morgen tegemoet.

De auteur is bestuurslid van de Vereniging van Christen-Historie]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

Geschiedenis niet zien als een wapenarsenaal tot eigen gelijk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken