Bekijk het origineel

Het klooster en de wijde wereld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het klooster en de wijde wereld

Wally en Rex Bomans: „Vader maakte de mensen enthousiast voor het „erfdeel der vaderen””

14 minuten leestijd

H un vader stond als politicus op de bres voor de roomskatholieke idealen, hun broer veroverde schrijvend de harten van de Nederlanders. Wally en Rex Bomans genoten minder nationale bekendheid, hoewel hun levens zeker niet rimpelloos verliepen. Wally (1909) koos voor het klooster, haar broer Rex (1914) werd ingenieur en maakte de wereld t ot zijn werkterrein. Het streng rooms-katholieke gezin waarin ze opgroeiden, heeft hen beiden gestempeld: „In onze jeugd was een leven in het klooster het hoogst bereikbare ideaal”.

w.ally en Rex Bomans zagen een kleine eeuw aan zich voorbijtrekken, waarin ze onderling weinig gelegenheid hadden voor het uitwisselen van ervaringen. „Wally weet eigenlijk niets van me”, zegt haar broer. „Ze hoort nu pas het een en ander. Ik was altijd in het buitenland en zij zat in het klooster, dus het contact was minimaal. Mijn dochters zijn alle drie in een verschillend land geboren, dat zegt genoeg. Ik ben steeds internationaal bezig geweest”.

“Wally Bomans is bijna achtentachtig jaar. Daarvan heeft ze er achtenzestig in het klooster doorgebracht als zuster Borromée. „Kloosterlingen hebben het ergens veel gemakkelijker dan andere mensen”, vindt ze. „Je hebt geen zijsporen. Je hoeft maar te zorgen voor de mensen die je toegewezen zijn. Het is een veel rustiger leven”.

Rex: „Daar moet je wel voor betalen. Je moet de gelofte van gehoorzaamheid, zuiverheid en arrnoede afleggen. Vooral gehoorzaamheid, dat lijkt me het moeilijkste voor een zuster. Je moet altijd maar doen wat een ander zegt”.

Wally: „Ik heb er niet zoveel moeite mee gehad. Juist doordat je dïe gelofte hebt gedaan, kun je je helemaal wijden aan het werk dat je opgedragen krijgt”.

Rex: „Je zult het vast weleens ergens niet mee eens geweest zijn”.

Wally: „Maar het zijn wijze mensen die je een opdracht geven. Dan denk ik: Ze zullen ‘t wel beter weten dan ik”.

Kloosterroeping

Wally was twintig toen ze in het klooster ging, hoewel ze de keus al op haar zestiende had gemaakt. Haar vader deed echter alle mogelijke moeite om zijn enige dochter van die beslissing terug te brengen. Rex: „Hij ging zelfs met haar op reis om haar wat van de wereld te laten zien, maar toen ze achttien was, zei ze: „Nu mag ik toch wel naar het klooster?””.

Wally: „Vader en moeder waren er niet voor dat ik al zo gauw wegging, maar ik verlangde er zo naar. En ik wilde geen eenentwintig zijn, want dan leek het net of mijn ouders het niet goed vonden. Dat was niet zo: vader kon er begrip voor opbrengen. Het ideaal vond hij goed, maar ik was de enige dochter, de oudste. En ik was gek op vader”.

Rex: „Voor mijn vader was het veel minder moeilijk om een zoon af te staan; daar had hij er toch vier van. Toen Arnold besloot in het trappistenklooster te gaan, was dat geen enkel probleem”. De aantrekkingskracht van het klooster had volgens Wally en Rex alles te maken met de opvoeding die ze thuis kregen. Rex: „In onze jeugd was een leven in het klooster het hoogste ideaal, ‘t Is dat mijn biechtvader tegen mij zei: „Dat is niks voor jou”, anders zou ik het misschien ook gedaan hebben. Ik was veertien dagen bij Arnold in het klooster geweest en ik vond ‘t zo mooi... Trouwens, al mijn broers hebben dat gehad.

Jan heeft het tot de kleine oefeningen van Ignatius gebracht, in het jezuïetenklooster. Dat is geen kleinigheid. Toen ik met Godfried een reis door Italië maakte, wilde hij ook intreden; hij is zelfs ingetreden. Mijn vader vond het prachtig dat zijn oudste zoon nu eindelijk een goede roeping had. Godfried is met hem in z’n grote Mercedes heel Nederland rondgereisd om afscheid te nemen, maar toen ze thuiskwamen, zei hij: „Ik doe het toch maar niet”. Dat was typisch Godfried: altijd anders doen dan je denkt. Maar je ziet wel, dat we door en door rooms-katholiek zijn opgevoed. We waren gewend aan tafel te bidden, we gingen naar de kerk...”Maar dat betekent toch niet dat je zelf

ook gelooft?

Wally: „Nee, niaar je neemt het wel over van je ouders. Vader en moeder gaven het voorbeeld. Je leerde dat je je voor een ander moest inzetten, want dat deden vader en moeder ook. Moeder was een teruggetrokken figuur, niet zo vrolijk als vader, maar ze was heel vroom. Ze ging elke dag naar de kerk, elke zaterdag biechten. En dat verwachtte ze evengoed van ons”.Waarom moet je, in aansluiting op de

biecht, boete doen? Als Christus voor je betaald heeft, is dat toch voldoende?

„Het nieuwe leven als kind van God, datje bij de doop ontvangt, kan door de zonde verzwakt worden of zelfs verloren gaan. Dan kan het boetesacrament je een nieuwe gelegenheid geven om je te bekeren en de genade terug te vinden. God alleen vergeeft de zonden, maar de ambtsdragers mogen het in naam van Christus doen”, is de opvatting van Wally.

Biechtvader

Rex: „Je biechtvader was vroeger een belangrijke man. Je had hele gesprekken met hem. Zo’n pater kende je, hij wist wat je deed. Elke zaterdag zag je die man weer. Je praatte over dingen waar je met je ouders niet over kon praten. Het ging er niet alleen om dat je je zonden erkende, je kreeg ook geestelijke raad. Ik vind het idee dat je over dergelijke zaken praat, heel belangrijk. Tegenwoordig wordt er helemaal niet meer gebiecht”.

Wally: „Het kan nog wel, maar je moet het nu zelf zoeken, terwijl het vroeger een heel gewone zaak was. Ik denk dikwijls: Hoe moet de jeugd dat tegenwoordig doen, zonder een stuurman? Die begeleiding is heel waardevol”.

Aan hun gezamenlijke jeugd hebben beiden de beste herinneringen. „Aan alle kanten deden vader en moeder voor je wat ze konden”, zegt Wally. „Ze namen ons overal mee naar toe; we zaten dikwijls in een auto vol met kinderen. Godfried vond vader te streng, maar dat kwam doordat vader wilde dat hij studeerde en geen stukjes schreef Hij had graag dat Godfried een titel haalde”.

Rex: „Ik heb het altijd goed met vader kunnen vinden. Daarom vond ik het ook erg dat er een artikel is verschenen waarin Godfried op een heel lage manier over zijn vader sprak. Dat heb ik hem aanvankelijk kwalijk genomen, maar achteraf geloof ik helemaal niet dat hij dergelijke dingen écht gezegd heeft. Nergens in zijn werk kom je dat tegen. Maar wat doe je als zo’n artikel verschijnt? Het is jouw woord tegen dat van de bewuste journalist”.

Godfried zelf schreef óók over zijn jeugd en zijn familie, onder meer in de verhalenbundel “Beminde gelovigen”. Daar heeft zijn broer geen moeite mee. „Die verhalen zijn toch allemaal vrij positief? Ik heb vroeger veel met Godfried opgetrokken. Jan en Arnold hadden samen een kamer en Godfried en ik ook. Daar neem je wél wat van mee, als je jarenlang al die verhalen hoort”.

Volgens hem is het prettig om familie van een bekende Nederlander te zijn. „Het ligt anders als je de broer van een bekende man bent en ze mógen hem niet. Maar Godfried was heel populair. Als ik me voorstel als Rex Bomans zeggen ze: „O, bent u een broer van Godfried?” Dat is een voordeel. Maar dan komt er achteraan: „Ik wist niet, dat hij een zoveel oudere broer had” - terwijl ik jonger was! Maar Godfried is nog altijd achtenvijftig in de herinnering van zijn lezers”.

Troelstra

Vader Bomans was een bekend politicus binnen de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP). Hij nam zijn kinderen al vroeg mee naar allerlei bijeenkomsten. „Ik heb verscheidene van zijn propagandaredevoeringen meegemaakt”, vertelt Rex. „Dat was geweldig. Hij wist de mensen op te zwepen. In het stadion van Zaandam waren eens twee redenaars: mijn vader en Steenbergen, de latere minister-president. Het stadion stond in vuur en vlam, toen vader bezig was. Hij wist de mensen enthousiast te maken, maar hij zei eigenlijk niets. Ik zei toen tegen hem: „Die Steenbergen, dat is ook niks. Zoals u doet, zo moet het!” Maar vader zei: „Je moet eens opletten: morgen staat zijn redevoering in de krant en van mij zeggen ze niets”. En dat was zo. Steenbergen had een saaie toespraak waarin het rooms-katholieke programma uiteen werd gezet, terwijl vader de mensen opzweepte met „het erfdeel der vaderen” en dergelijke uitdrukkingen”.

Een van de indrukwekkendste wapenfeiten van mr. J. B. Bomans was zijn redevoering in de Tweede Kamer naar aanleiding van Troelstra’s poging tot een staatsgreep in 1918. „Troelstra hield een rede in de Kamer en Nolens en alle anderen zaten er sprakeloos bij. Maar mijn vader stond op en heeft hem de grond in geboord. De voorzitter hamerde en vroeg of het niet kalmer aan kon”.

Rex kent de hele geschiedenis uit de verhalen die er later over verteld werden, maar Wally, destijds negen jaar, kan zich iets meer herinneren: „Ik weet nog dat we thuis de luiken dicht moesten doen, omdat ze vader wilden aanvallen”.

Een week later was er een grote anticommunismebijeenkomst in het stadion van Amsterdam. „Vader moest daar duizenden mensen toespreken. Het was een kille dag en hij stond daar te bibberen, „’t Is koud vandaag”, zei hij. „Wat zal Troelstra het koud hebben - die staat in z’n hemd”. Vader was een geboren redenaar, maar de mensen konden nooit navertellen wat hij precies gezegd had”.

KNIL

Nadat Rex Bomans was afgestudeerd en een paar maanden had gewerkt, werd hij eind 1940 aangenomen bij de Amsterdamse Ballast Maatschappij, een grote aannemer. „Op een gegeven moment had de Ballast een karwei in het Duitse Waldshut. Dat ligt aan de Rijn en aan de overkant ligt Zwitserland, dus ik zei: „Laat mij maar naar Waldshut gaan”. Na drie maanden zijn we met een vlotje overgestoken naar Zwitserland”.

Vandaaruit viel het niet mee om verder te komen. „Na negen maanden wachten konden we naar Engeland. Daar heb ik me bij de Amerikanen opgegeven toen er vrijwilligers werden gevraagd voor de Pacific. Ik werd ingedeeld bij het KNIL en over zee naar Australië gestuurd. Ja, en hoe ging dat? Telkens als ik aankwam, was het afgelopen. Ik hoorde bij de eersten die naar Java gingen, maar daar was niets meer aan de hand. Na Hiroshima was de oorlog voorbij, alleen moesten de Jappen nog opgevangen worden”.

Rex bleef in Indië tot de politionele acties. „Daar wilde ik niet aan meedoen, want ik was goede vrienden met de Indonesische bevolking. Ik ben dus teruggegaan naar Nederland en naar de Ballast. Mijn baas bleek in het gevang te zitten -omdat hij een bunkertje voor de Duitsers had gebouwd- en ze waren erover aan het vechten wie hem op moest volgen. Ik had het daar wel gezien. Bij een aannemer in Venezuela werd een ingenieur gevraagd en dat leek me wel wat. Ik ben toen met Els getrouwd en we zijn meteen op de boot gestapt. Dat moet ik wél zeggen: Zo’n internationaal bestaan kun je alleen leiden als je een vrouw hebt die daar voor honderd procent achter staat”.

Na Venezuela -waar tussen de bedrijven door de firma Heerema & Bomans werd opgericht, die later onder de naam van Heerema de grootste offshorefirma ter wereld werd- raakte Rex weer betrokken bij de Ballast. „Ik ben van het ene land naar het andere gereisd: Egypte, Korea, Brazilië, Argentinië, Peru, noem maar op. Ik heb de Ballast mede internationaal gemaakt”.

Analiste

De laatste jaren kan Wally Bomans haar broer weer gemakkelijker bezoeken: hij woont met zijn vrouw Els in Rotterdam, zij in het Sint-Jozefsklooster in Gronsveld. Daar heeft ze de zorg voor de dieren op zich genomen. „Een paar jaar geleden mocht ik ganzen vragen voor mijn verjaardag. Later kwamen er geitjes bij. Daar genieten we allemaal van, van iets levends om naar te kijken”. Ook Wally heeft, na een arbeidzaam leven, een leeftijd bereikt waarop ze niet langer hoeft te werken voor de kost.

Sinds haar intrede bij de congregatie van de heilige Carolus Borromaeus heeft ze nooit zelf kunnen bepalen waar ze woonde. „In het moederhuis in Maastricht leer je eerst hoe je je als zuster moet gedragen. Als je dan geprofest bent, word je ergens heengestuurd. Tegen mij zeiden ze: „Het is het beste dat je analiste wordt”, dus ik haalde mijn diploma. Toen konden ze me overal plaatsen”.

Wally Bomans werkte in verschillende ziekenhuizen die tot de congregatie behoorden, „’s Morgens ging je eerst naar de kerk, je at in het klooster en dan ging je aan het werk in het ziekenhuis. In de oorlog kon ik geen analiste meer zijn; er was geen materiaal meer. Ik mocht dus een cursus voor verpleegster volgen. Dat was prettig, omdat ik -ook als analiste- altijd in het ziekenhuis moest kunnen bijspringen. Als je gediplomeerd bent is dat veel leuker. Vlak na de watersnoodramp moest ik bijvoorbeeld in Goes een zieke zuster vervangen”.

Nadat Wally jaren in het ziekenhuis had gewerkt, kwam ze terecht in het bejaardentehuis van de zusters in Rijckholt. „Dat was niet omdat ik oud werd, maar omdat er zoveel oude zusters waren. Die moest ik bezighouden, maar dat lukte niet zo goed. Ze waren te oud. Ik stond er indertijd helemaal alleen voor, maar toen ik hulp kreeg van fabrieken die ons wat thuiswerk bezorgden, ging het wel. Daarmee hield je tenminste die zestig zusters aan de gang”.

Uniform

In de loop der jaren is er veel veranderd in het kloosterleven. Wat hun kleding betreft hebben de zusters bijvoorbeeld meer vrijheid dan vroeger. „Toch waarderen de mensen het als je het uniform draagt”, zegt Rex. yjs Wally boodschappen doet, geven ze haar graag een extra bosje bloemen”.

Wally: „Vroeger werd er altijd voorgelezen aan tafel, een mooi verhaal van een heilige, of iets anders dat cultureel de moeite waard was. Daar luisterden we naar en later konden we erover praten, tijdens de recreatie. Dat vond ik heel verrijkend. Nu mag je gewoon doorpraten onder het eten en ergens is dat een verarming. Al zou je nog maar een paar keer in de week voorlezen...”.

Verder kunnen de zusters tegenwoordig geregeld naar huis. „Vroeger mocht dat niet zomaar, zelfs niet bij een overlijden. Alleen als iemand stervende was en hij was al bediend, dan mocht je daar bij uitzondering naartoe”.

Was dat ook zo bij het overlijden van uw ouders?

„Die heb ik geen van tweeën meer gezien. Dat was heel moeilijk. Maar nu mag je zelfs gaan verplegen, dat vind ik wel een verbetering. Mijn broer Arnold is dit voorjaar overleden, maar toen hij ziek was, kon ik hem geregeld opzoeken”. Rex: „Dat was een hele onderneming. Eerst met de bus naar Maastricht, dan een stuk met de trein en tenslotte met een gehuurde fiets naar het klooster van Arnold. En dat allemaal middenin de winter, op je zevenentachtigste...”.

Wat vindt u van de ontwikkelingen die tijdens uw leven in de Rooms-Katholieke Kerk hebhen plaatsgehad?

Rex: „Nu moet je oppassen Wally, want je kan de paus niet tegenspreken!”

Wally: „Sommige veranderingen waar- „ deer ik, andere niet, maar ik sta voor honderd procent achter de paus, hoor. Een grote winst vind ik, dat de Heilige Mis en andere plechtigheden nu meer in het Nederlands, in de volkstaal zijn. In het Latijn begrepen de kerkgangers niet alles”.

Rex: „Alles is veel soepeler, veel gemakkelijker geworden. Dat zie je ook op het terrein van de politiek. Het is een mengelmoesje geworden toen de christelijke partijen in het CDA zijn opgegaan. De idealen zijn verwaterd; de echte katholieke overtuiging is er niet meer”.

Toen Wally in 1929 intrad in het klooster, was ze niet de enige. Er kwamen ongeveer honderdvijftig meisjes per jaar binnen. Nu komt er niemand meer. „Hier in Nederland is het afgelopen”, zegt Wally.

„We hebben geen school meer, we zijn allemaal oud. Maar in Indonesië, daar bloeit de orde nog. Ook hier zijn er trouwens jongeren die intreden, maar wij nemen ze niet meer aan. We zijn te oud, we kunnen die jonge mensen niet meer begeleiden. Maar er zijn andere stromingen die het van ons overnemen”.

Over de essentie van het leven in het klooster hoeft Wally niet lang na te denken: „Het gaat erom, God te dienen. Je wilt graag God een’ plezier doen, zal ik maar zeggen, door voor Zijn mensen iets te betekenen”. Haar broer vult aan„Je bent je er constant van bewust dat er een God bestaat”.

U hebt nooit getwijfeld?

Wally: „Nee. Je ziet God in zoveel dingen, in de wonderen van de natuur”.

Rex: „Bij een zuster is dat normaal, maar ik heb ook nooit getwijfeld”.

Wally: „We beginnen de dag altijd met een meditatie, dat maakt het gemakkelijker. Vijf keer per dag gaan we naar de kapel en daar verlang je ook naar, dat is geen opgave. Je voelt dat je het nodig hebt. Het . gebed helpt je om dit leven te leiden”.

Volgende week deel 7 in deze serie! Greet en Bert Dorenbos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

Het klooster en de wijde wereld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 22 Pagina's

PDF Bekijken