Bekijk het origineel

Een ketter als hemelreiziger

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een ketter als hemelreiziger

Jan Luyken betreurde na bekering zijn „dartele minnezangen"

8 minuten leestijd

De naam van de Amsterdamse di chter-etser Jan Luyken ( 1649- 1712) roept tegengestel de reacties op. Zi jn werk geeft daar ook wel aanl ei di ng toe. Van zijn hand zijn namel i jk zowel een fri vool werel ds l i edboekje als enkel e vrome mysti eke embl eembundel tjes bewaard gebl even.

Weliswaar heeft Luyken zelf na zijn bekering afstand genomen van de liefdespoëzie uit zijn jeugd, maar lange tijd zag men zijn debuut “Duytse lier” als het enige van zijn boekjes dat werkelijk kunstzinnige waarde had. Anderen vonden het bundeltje juist uiterst aanvechtbaar op grond van de vrijmoedige liefdespoëzie.

Behalve met de etskunst heeft Luyken zich vooral beziggehouden met stichtelijke poëzie, zoals opgenomen in “Jezus en de ziel” of “Voncken der liefde Jesu". In de vorige eeuw verwierpen verschillende vooruitstrevende critici die mystieke poëzie overigens uit afkeer van de „hartbeklemmende” levensbeschouwing van „de femelaar". Toch krijgt deze religieuze poëzie tegenwoordig erkenning als literaire schepping van niveau. Luykens overige embleembundels krijgen vooral waardering omdat ze tekst en illustratie op een kunstige wijze combineren.

Ook Luykens godsdienstige opvattingen zijn meer dan eens onderwerp van discussie geweest. Zij zijn wel getypeerd als die van een nieuwlichter op godsdienstig gebied, terwijl zij evengoed gewaardeerd zijn als die van een ouderwets vrome gezelschapsman uit de coUegiantenkring.

Hemelreiziger

In de discussie over de opvattingen van Jan Luyken is het bericht over zijn bekering een ijkpunt. Verschillende nog in het sterfjaar van Jan Luyken uitgekomen publicaties bevatten een “Kort verhaal van het godvruchtig leven én zalig afsterven” van de dichter. Luyken groeide op in een Amsterdams schoolmeestersgezin. Vader Caspar Luyken voelde zich zeer aangesproken door de chiliastische opvattingen die onder de uit doopsgezinde en remonstrantse kring afkomstige collegianten gehuldigd werden. Men leefde sterk met de ge&eiiik eat Xao dachte dat hef laatste oordeel aanstaande was en dat men zich op aarde als hemelreiziger daarop moest voorbereiden.

De jonge Jan Luyken hield zich als kunstschilder, opgeleid door Martinus Saeghmolen, bezig met zaken die meer op het aardse gericht waren. Hij maakte deel uit van een vrolijke vriendenkring, waarvan bekend is dat verschillenden in het huwelijk traden in de tijd waarin Luyken zijn liederen voor de “Duytse lier” maakte. Ook Luykens eigen huwelijk op 20 maart 1672 met Maria den Ouden valt in deze periode. Voor haar publiceerde hij op 22jarige leeftijd zijn bundel “Duytse lier” als een soort uiteenzetting van de christelijke liefdesleer.

In godsdienstig opzicht schijnt Maria een goede invloed op haar man te hebben uitgeoefend, terwijl ook het sterven van jonge kinderen het echtpaar niet onberoerd zal hebben gelaten. Het oudste kind was in de remonstrantse gemeente gedoopt, het volgende niet, aangezien Luy ken en zijn vrouw zich aanslqten bij de doopsgezinde gemeente.

Wereldvliedend

Omstreeks 1675 zou Luyken zijn wereldse leven vaarwel gezegd hebben. Zijn wereldzoekende levenshouding veranderde in een wereldvliedende levensopvatting. Over die ommekeer in zijn leven schrijft zijn biograaf Cornells van Eeke in 1712: „In ‘t 26. Jaar zyns Ouderdoms, is hem de HEERE op een krachtdaadige wys aan zyn herte verscheenen; hem met veel overtuiginge en bestraffinge nagaande, en toonende dat het burgerlyke leven niet genoeg was om den Erfgenaam te worden, van een onverderfelyke en onverwelkelijke erfenis, die weggeleid is voor de geene die God liefhebben (...). Waar op hy vuurig door de Liefde Gods ontsteeken zynde resolveerde om een geheel andere manier van leven te leiden; zyn oud en slecht gezelschap verlatende, voegde hij zich by de vroomen van dien tijd".

Die “vromen” moet men zoeken in de ouderlijke doopsgezinde en socirjiaanse kring, waar met name Abraham Galenus een leidinggevende figuur was. Vooral de in die kring populaire geschriften van de Duitse mysticus Jacob Böhme hadden grote invloed op Luyken.

De drie jaar na zijn bekering verschenen stichtelijke emblematabundel “Jezus en de ziel” is als een literaire navolging van Böhmes gedachtengoed te zien. Uitgangspunt is dat de ziel van eeuwige oorsprong is en dat deze -bevrijd uit het aardse lichaamterug moet naar de Bron. Die weg loopt langs mystieke trappen naar de aanschouwing en ineensmelting met het goddelijke, als een druppel water in de oceaan van Gods grootheid:

Zo zweeft de ziel als vreemdelingl En acht en tracht naar haar Beminden/ Die haar in Adams val ontging/ Of zij ‘t verloren weer mocht vinden.

Pantheïsme

Over het religieuze gehalte van Luykens gedachtengoed na zijn bekering wordt verschillend gedacht. Dr. C. B. Hylkema betoogde kort na de eeuwwisseling in “De Gids” dat Luyken niet zozeer een „vrome” maar veeleer een spinozistische „vrijgeest en revolutionair” was. Zijn godsdienst zou in feite niet meer zijn dan modern heidendom waarin God en de natuur met elkaar verward worden. Voor Jezus’ lijden en voldoening zou daarbij geen plaats zijn en Luyken zou zelfs de heilsfeiten zoals opstanding en hemelvaart loochenen.

De doopsgezinde ds. P. J. van Melle heeft voor „de oude Jan Luyken” een lans gebroken en hem getypeerd als pure mysticus die weet had van de genade waardoor God de grote door de zonde ontstane kloof overbrugt. Luyken was vooral een mystieke, kerkelijk ongebonden „navolger van Christus", zij het met pantheïstische trekken. In zijn werk blijkt telkens zijn opvatting dat de godheid niet boven, maar in de mens te vinden is, niet zozeer in de hemel, maar in het hart.

Duidelijk is dat Luyken in relatie tot de gereformeerde leer wel gezien moet worden als een ketter. Zijn antidogmatische benadering, met verwerping van de uitverkiezing, laat ook te veel ruimte voor algemene verzoening en remonstrantse opvattingen. Tegelijkertijd is de Jan Luyken van de verschillende didactische embleemboeken volop piëtist. Van zijn poëzie is wel gezegd dat zij „gloeit van inwendig vuur". Vanuit zijn vrome levenshouding staat hij zelfs dicht bij de mannen van de Nadere Reformatie in zijn toornen tegen de aardsgezindheid en hoogmoed van de Amsterdamse welgestelden. In zijn eigen levenswandel „was hij een voorbeeld van ootmoedigheid, gelatenheid, aandachtigheid en algemene liefde".

Pelgrimsmotief

Luyken voorzag in zijn dagelijks onderhoud door als etser boekillustraties te vervaardigen. Voor verschillende uitgevers heeft hij zo’n drieduizend etsen gemaakt, van grote historische platen voor platenbijbels, werken van Flavius Josephus en (kerkhistorische werken tot kleine plaatjes in boekjes van duodecimoformaat. Via de met hem bevriende Amsterdamse drukker Johannes Boekholt kwam Luyken ook in aanraking met het gedachtengoed van de Nadere Reformatie. In 1679 maakte hij zelfs een van Boekholts eerste producties: een geëtst, gegraveerd portret van de meest militante vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie: Jacobus Koelman.

De bij Boekholt gepubliceerde Bunyanedities, waarvoor Luyken titelpagina’s en ilustraties etste, pasten goed bij Luykens opvattingen over vreemdelingschap. Bunyans pelgrimsmotief had zelfs een duidelijke invloed op zijn werk. In de jaren tachtig vervaardigde hij verschillende pelgrimsliederen en emblemata waarin het motief van de hemelreiziger naar voren komt. Het bekendst is wellicht zijn pelgrimsgedicht

Hoe zucht een pelgrim in dit leven Gelyk een balling in ‘t vreemde land Die uyt zijn vaderland verdreven Vast dolen gaat door bos en zand.

Het werk van Luyken na diens bekering is wel heel duidelijk van een ander karakter dan dat van voor die tijd, de tijd waarin de gedichten van de “Duytse lier” ontstonden. Het is dan ook niet vreemd dat na zijn dood een levensbeschrijver (Houbraken) vermeldde dat Luyken na zijn bekering geprobeerd zou hebben exemplaren van zijn eerste dichtbundel „vol van verliefde gedichten en dartele minnezangen” op te kopen om ze te vernietigen. Luyken moest het erbij laten toen hij merkte meer boekjes opgekocht te hebben dan hij zou hebben laten drukken. Het lijkt een apocrief verhaal. Uit 1671 zijn twee drukken bekend -van latere clandestiene roofdrukken blijkt niets- en tijdens Luykens leven (in 1708) verscheen nog een Amsterdamse editie.

Didacticus

Vooral door zijn didactische stichtelijke embleembundels kreeg Luyken brede bekendheid. Ook onder het gereformeerde volksdeel las men graag boekjes als “De byekorf des gemoets” of “Des menschen begin, midden en einde". Luykens combinatie van didactiek en stichting, van fraaie etsen en mystieke gedichtjes, leverde een tiental aantrekkelijke bundels op, waarin de alledaagse werkelijkheid inspireerde tot vrome levenslessen. Ambachten, natuurverschijnselen, huisraad en speelgoed dienen als zinnebeelden voor eigenschappen van een vrome levenswandel.

Dr. Cornelia Roldanus rekende Luykens religieuze poëzie tot de hoogtepunten van de zeventiende eeuw: „Op het rijke orgel van de Gouden Eeuw is Luykens geluid dat van de “Vox celestis” geweest, zuiver en ijl; opstijgend totdat het niet meer voor aardse oren waarneembaar was". Als een „hemelse stem"; zo herkenden negentiende-eeuwers als ds. L. G. C. Ledeboer en ds. P. Los -wellicht vooral op de klank afgaandegeestelijke verwantschap als zij spraken over „vader Luiken". Het is zeker een te idealistische voorstelling van de werkelijkheid als we Luyken tot de “oude schrijvers” zouden rekenen. Daarvoor was hij te uitgesproken ongereformeerd. Tegelijkertijd levert zijn stichtelijk werk het bewijs dat het piëtisme, in letterlijke zin genomen, in de poëzie geen belemmering vormt voor een uitdrukkingsvorm van hoge literaire kwaliteit.

Bij Luyken staat daarbij de boodschap centraal:

Omensen, v/oudt gij leren Waarin uw heil bestaat ‘t Is hierin, dat gij weelde En aardse rijkdom haat En dat gij tracht te winnen. Rust van binnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Een ketter als hemelreiziger

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken