Bekijk het origineel

Bioscoopmuziek en de indruk van de preek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bioscoopmuziek en de indruk van de preek

Problemen met orgelspel tijdens de eredienst vragen oprechtheid en open gesprek

8 minuten leestijd

In ten minste één opzicht is de organist met de dominee en de koster te vergelijken. Hij is na de dienst onderwerp van gesprek. Zelden kan hij het iedereen naar de zin maken. Er is altijd wel door iemand iets op hem aan te merken. Soms leidt dat tot hevige emoties, tot ontslag of vrijwillig vertrek. Meer dan eens zelfs tot verandering van kerkgenootschap, ook zonder dat een andere orgelbank in het verschiet ligt. Is de organist wel de boosdoener of spelen hier ingewikkelder processen? Het probleem kon wel eens met deemancipatie van de bevindelijk gereformeerden te maken hebben. Een driestemmige harmonisatie op het hart, de omgang en het getal.

Welke eis mogen -ve aan de organist stellen? Hij moet spelen tot eer van God en tot stichting van de gemeente. Hij heeft immers een dienende functie, een algemene en onbetwiste waarheid. De maatstaf als zodanig is het probleem niet. Het komt op de concrete vertaling aan. Wat is dat eigenlijk, in een aanwijsbare bijeenkomst van christenen, op een aanwijsbaar tijdstip: „tot stichting”?

Aan dit criterium zit een objectieve en een subjectieve zijde. De objectieve ligt voor de hand. Het gaat in de eredienst om het Woord, het gebed en de lofprijzing. Het orgelspel moet daarop in alle facetten zo concreet mogelijk afgestemd zijn. In dit verband moet opgemerkt worden dat een gemeente een stichtingsbeleving kan hebben die naar bijbelse maatstaven toch geen stichting is. Zo kunnen kerkgangers zich door bepaalde muziek gevoelig gesticht weten, terwijl die muziek op geen enkele wijze verband houdt met het Woord. Ook kan een gemeente week in, week uit gekweekt worden in een eenzijdigheid die niet overeenkomt met schriftuurlijke bevinding, bijvoorbeeld door haar uitsluitend zacht, droefgeestig orgelspel - of het andere uiterste- aan te laten horen, als ware dat identiek met het stichtelijke.

Speelkunde

De belevingszij de ligt heel wat ingewikkelder. De herkenbaarheid van de woordgerichtheid van het orgelspel ligt immers niet voor iedereen op hetzelfde niveau. Het in 1995 verschenen “Handboek voor de kerkorganist” besteedt aan dit relationele probleem helaas niet systematisch aandacht. Organisten zijn „goed” of „slecht”. Goed of slecht? Hoe bedoelt u? Als de organist de melodienoot misslaat, hoort iedereen dat. Hij doet het fout, want hij speelt niet wat er staat. Als dat te vaak gebeurt, is het een slechte organist.

Nu kan het ook zo zijn dat de organist alle noten speelt die afgedrukt staan, maar deze naar de regels van de speelkunde toch verkeerd speelt. Zoals een kind alle woorden hardop voorleest die er staan, maar deze, al opdreunend, toch niet goed voorleest. „Niet zo’n beste organist”, zegt de kenner dan.

Tot slot kan nog een andere betekenis in het geding zijn. De organist speelt precies wat er staat, geeft ook uitstekend de bedoeling van de componist weer, maar brengt helaas een compositie die de luisteraar niet mooi vindt. Die vindt hem maar een slechte organist, want hij speelt niet tot stichting. Het stuk dat hij bracht, wordt werelds of modern genoemd. De luisteraar benoemt zijn muzikale onkunde in termen van de ethiek. Wat hij niet mooi vindt of niet begrijpt, wordt geduid in termen van het oorbare of onoorbare.

Bioscoopmuziek

Hoe belangrijk technisch goed spelen ook is, deze betekenis van goed en fout laten we verder onbesproken. Wat ons nu boeit, is het meer sociologische aspect: goed of fout in de zin van „beantwoordend aan de groepsnorm”. In feite komt dat neer op de vraag: Wanneer zijn composities tot stichting van de gemeente in de subjectieve betekenis van het begrip? Ten diepste is een geheel andere kwestie van nog meer belang: Hoe wordt binnen de gemeente over het stichtingsvraagstuk gecommuniceerd?

De keus van een gewraakte compositie is dan hooguit aanleiding tot het probleem, maar het probleem zelf zit op het vlak van de bejegening. Van recht en onrecht. Van vlees en geest. Van openheid en achterklap. Van starheid en buigzaamheid.

In onze benadering zit het probleem dus louter in de gekozen stukken. Die beluisterd hebbend, gaat een ontstemde kerk ganger, zo stellen wij ons voor, naar de kerkenraad: „Schandalig, zulke bioscoopmuziek. Alle indrukken van de preek zijn weg”. De kerkenraad roept de organist bij zich: „Je hebt toch beloofd tot stichting te zullen spelen? Er is een klacht over je binnengekomen. Wil je voortaan maar gewoon Worp spelen? Daar zijn nooit klachten over. Je hebt tenslotte een dienende functie, nietwaar? Het gaat uiteindelijk om de preek. Concerteren doe je maar door de week. Dan kun je je helemaal op het orgel uitleven”.

Stichtelijk spel

De organist begrijpt er niets van. Met zorg had hij zijn voorspel gekozen. De tekst van het eerste psalmvers was heel blijmoedig en die van de andere psalm heel droefgeestig. Dat correspondeerde niet met de voorspelen van Worp. Dus had hij maar andere voorspelen gekozen. Na afloop van de dienst had iemand hem opgewacht om hem te bedanken voor zijn stichtelijk spel: je kon de tekstinhoud gewoon horen in de muziek! De organist voelde zich helemaal niet als iemand die zonodig moest concerteren, laat staan dat hij er behoefte aan had zich uit te leven...

Bij nader inzien gaat het in dit -ni et uit de lucht gegrepen- geval om een samenloop van totaal onderscheiden factoren. We hebben te maken met de muzikaliteit van de organist, met het voorstellingsvermogen van twee kerkgangers, met het in schattingsvermogen van de organist, met een door de kerkenraad gevolgde visie op muziek, stichting en hiërarchie en met de wijze waarop gemeenteleden met elkaar wensen om te gaan. Het betreft: karakters, omgangsnormen en -vormen, bevoegdheden, capaciteiten en kerkpoliriek.

Ik ben van mening dat uit de aard van het christengemeente-zijn voortvloeit dat het klagende gemeentelid eerst naar de organist moet stappen, liefst spontaan en anders op aandringen van de kerkenraad. De hiërarchie gaat in de kerk niet voorop, maar de liefde. Pas als de liefde tekortschiet, is er omwille van de orde en stichting gelukkig ook nog hiërarchie.

Norm

Mijns inziens kan de kerkenraad de kwestie ook niet afdoen met het voorschrijven van Worp. De kerkenraad suggereert dan een inhoudelijkmuzikale norm aan te leggen, terwijl in feite ‘politiek’ wordt bedreven. Het gaat immers slechts om het voorkómen van onrust. Dat kan dan ook maar beter zo gezegd worden. Want als het de kerkenraad er werkelijk om te doen is met een verwijzing naar Worp een inhoudelijk-muzikale norm aan te leggen, begeeft hij zich op glad ijs en dreigt hij het opgroeiende, studerende geslacht zich van hem te laten vervreemden. Laten we nuchter zijn. Als het bestaande norm moet zijn -„dit is al jaren de gewoonte”- dan moeten meteen het orgel en de psalmberijming van 1773 weer afgeschaft worden. Deze zaken hadden immers geen doorgang kunnen vinden als destijds uitsluitend de bestaande toestand tot norm was verheven.

Wat de kerkenraad wel mag en zelfs moet doen, nadat ook de organist dat zichzelf al heeft afgevraagd, is het toetsen van het element van de stichting. Wanneer is iets tot stichting? Hier komt het getal en het hart om de hoek kijken. Alleen als er niemand is die klaagt? Als er wel door iemand wordt geklaagd, zou dan niet het, motief getoetst mogen worden op ‘geestelijkheid’ of ‘vleselijkheid’?

Als een compositie onderscheiden waardering ontvangt -enkelen voelen zich ontsticht, anderen juist gesticht- is het dan wel juist om vast te stellen: „Er is geklaagd, dus dit orgelspel sticht niet”? Nog gevaarlijker wordt het om „de beleving van Gods volk” als toetssteen aan te leggen. Hoort ddan de avondmaalsganger die het gewraakte spel nu juist indrukwekkend mooi had gevonden, blijkbaar niet tot „het ware volk”?

Worp

Voor de socioloog is het vraagstuk niet zo moeilijk, lijkt me. Die beziet het verschijnsel op afstand als groepsontwikkeling. Hij zal vaststellen dat hier sprake is van een heel normaal emancipatievraagstuk. De scholingsmogelijkheden zijn toegenomen door hogere inkomens, beter bereikbare muziekscholen, meer aan conservatoria afgestudeerde orgelleraren en meer luistermogelijkheden thuis, via cd-spelers. Daardoor ontdekken organisten (maar ook muzikale gemeenteleden) dat er meer „tot stichting” is dan wat zij vanouds thuis of jarenlang in de kerk hebben gehoord..

Voor de niet-muzikaie gemeenteleden is „stichting” echter geen muzikale ervaring,, maar een herkenningservaring. Concreet: als jaar in, jaar uit Psalm 42 van Worp in de kerk klinkt, wordt deze compositie om die reden herkend als behorend tot de eredienst, daarom ervaren als stichtelijk, ook al wordt de tekstinhoud er op geen enkele wijze muzikaal in ervaren. Dat is dus een fundamenteel andere ‘stichtingservaring’ dan het muzikaal waarnemen van het klagen van de dichter in een nieuw verschenen, zogenaamd modern voorspel.

Dit inzicht is voor de organist onontbeerlijk. Hij moet beseffen dat er een wezenlijk verschil is tussen de vanzelfsprekendheid waarmee een compositie binnen zijn persoonlijke belevingswereld stichtelijk is en de eigen gang, noem het de wetmatigheid, van veranderingsprocessen. Verbreding van het compositie-aanbod zal dan ook dicht moeten aansluiten op destichtingsbeleving van de gemeente. Die verbreding zal met kleine stappen moeten plaatsvinden. Met het veranderen van de muzikale dis verandert vervolgens op termijn ook de herkenning en daarmee ook de stichtingsbeleving van de gemeente.

Beleving

Bij „stichting” horen heel concrete zaken als elkaar vertrouwen, elkaar willen aanspreken en het goede voor elkaar zoeken. Soms moet de organist dan inleveren, omdat datgene wat voor hem -binnen zijn muzikale bevattingsmogelijkheid- heel stichtelijk is, bij minder in de muziek ingewijden beslist niet overkomt. Soms moet het gemeentelid bereid zijn in te leveren. Als het anderen blijkbaar wel kan stichten, moet hij of zij tegen zichzelf willen zeggen dat de eigen beleving niet maatgevend voor het geheel van de gemeente mag zijn.

Dit kan echter alleen maar zo beleefd worden als mensen elkaar spreken. Rekening met elkaar houden, veronderstelt immers kennis over eikaars beleving. Met oprechte intenties, bereidheid om open en eerlijk met elkaar te spreken en een nietroomse visie op traditie moet het mogelijk zijn om als gemeente in harmonie ook muzikaal te groeien. Niet omdat het muzikale een doel in zichzelf zou zijn. Wel omdat muziek als scheppingsgave middel is om bevinding -de persoonlijk ervaren realiteit van verlorenheid in Adam en verlossing in Christus- nog rijker te vertolken, tot eer van God („Zingt de Heere een nieuw lied") en tot stichting van de gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

Bioscoopmuziek en de indruk van de preek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1997

Reformatorisch Dagblad | 28 Pagina's

PDF Bekijken